De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De laatste dag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De laatste dag

4 minuten leestijd

De dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) neemt in de canon van onze twintigste-eeuwse literatuur onbetwistbaar een belangrijke plaats in. Dat heeft alles te maken met de kwaliteit van zijn poëzie.

Het gezin waarin Nijhoff werd geboren kende grote levensbeschouwelijke verschillen: de vader was liberaal en humanistisch, de moeder daarentegen diep religieus en zich thuisvoelend bij het Leger des Heils. Dankzij haar kregen de kinderen in het gezin een christelijke opvoeding.

PROBLEMATISCH

Mede vanuit zijn opvoeding bezat Nijhoff een grote kennis van de Bijbel. Op vele plaatsen in zijn poëzie komen we bijbelse gegevens tegen, met name ook het offer van Christus, Zijn lijden en sterven. Nijhoffs poëzie is ogenschijnlijk helder, maar blijkt bij nader inzien veelal raadselachtig, complex en meerduidig te zijn. Diepgravende studies maken vele dubbele bodems zichtbaar, maar spreken elkaar ook vaak tegen − een duidelijk teken van de genoemde complexiteit. Die complexiteit blijkt ook hieruit dat diverse literatuurwetenschappers menen dat Nijhoff is weggegroeid van de wezenlijke kernen van het christelijk geloof, terwijl anderen als Willem Jan Otten en Jaap Goedegebuure dat weer tegenspreken. Het heeft alles te maken met het feit dat Nijhoff persoonlijke ervaringen en emoties bewust buiten het vers wilde houden.

LIJDENISGEDICHT

De vroege Nijhoff is de dichter van de bundel De wandelaar, die in 1916 verscheen. Men heeft Nijhoff in deze periode wel eens getypeerd als ‘een wandelaar in de werkelijkheid’, vanwege de houding van distantie, het afstandelijk observeren van de werkelijkheid. In De wandelaar treffen we het lijdensgedicht ‘De laatste dag’ aan, een indrukwekkende beschrijving in poëtische taal van Jezus’ laatste dag voor Zijn dood.

De laatste dag

Ze grepen Hem terwijl zijn vrienden sliepen

en het verraad kuste als een vriend zijn mond.

Rumoer was in de stad, en mannen liepen

met toortsen in de donkre straten rond.

Een menigte drong op het plein: ze riepen:

‘Kruis Hem! Kruis Hem!’ – Hij, die gebonden stond

voor het paleis, zag in hun ogen ’t diepe

geheim, waarvoor Hem God ter wereld zond.

En naakt werd Hij gekruisigd door soldaten,

de vrouwen weenden en de priesters praatten,

er werd gedobbeld en veel wijn vermorst.

Het voorhang scheurde, doden werden wakker,

een man wierp zilver ten verdoemden akker.

Het is volbracht! – Zijn hoofd viel aan zijn borst.

RUMOR IN CASA

Door het hele gedicht heen treft ons de scherpe tegenstelling tussen Jezus en Zijn omgeving. Rondom Jezus is er veel ‘rumoer’ − denkelijk een zinspeling op de Latijnse uitdrukking rumor in casa: drukte, opschudding in huis. Personen om Jezus heen roepen, dringen, wenen, praten, dobbelen. Maar Hij, Die ‘gebonden’ is, zwijgt (als een stemmeloos schaap, Jes.53:7). Opvallend is ook dat de verrader Judas niet bij name wordt genoemd. In regel 2 lezen we dat Jezus wordt gekust door ‘het verraad’, een opmerkelijke personificatie: een uiterst kwalijke menselijke eigenschap is als het ware vlees geworden in de gestalte van de verrader, die zich voordoet ‘als een vriend’. Ook in de voorlaatste regel komen we de naam Judas niet tegen, maar slechts de vage aanduiding ‘een man’. Die vaagheid of veralgemening geeft het gedicht een enorme diepte: het verraad moeten we niet vastpinnen op één persoon − Judas dus − maar is een algemeen verschijnsel. Ook wij, anno 2014, kunnen (in figuurlijke zin) Jezus verraden.

DIEP GEHEIM

Misschien zijn er lezers die in dit gedicht iets missen, namelijk het woord ‘zonde’. Inderdaad komt dit woord er niet in voor. Toch duidt Nijhoff het begríp ‘zonde’ wel aan. Het gedicht is namelijk qua vorm een sonnet, bestaande uit een octaaf (r.1-8) en een sextet (r.9-14). Twee plaatsen zijn in een sonnet heel belangrijk: de slotregel van het octaaf en de slotregel van het sextet. Nijhoff toont hier zijn technisch meesterschap: het octaaf sluit hij af met het ‘diepe/ geheim’ en het sextet met de uitspraak van Jezus ‘Het is volbracht!’ Dat zijn de kernen waar het om gaat. Het ‘geheim’, dat ‘diep’ in de mens zit, is hier de haat van de schreeuwende, opgehitste menigte. Die haat staat model voor de zonde in het algemeen. En in de slotregel van het sextet, de afsluiting van het hele gedicht, lezen we wat het doel was van Jezus’ lijden en sterven: Hij kwam ‘om te volbrengen’, zoals we in de evangeliën lezen. Jezus’ laatste woorden aan het kruis zijn dan ook: ‘Het is volbracht.’ Met deze woorden, welbewust geplaatst in de slotregel, sluit Nijhoff zijn gedicht af: aan Zijn hoge opdracht heeft Hij voldaan!

Dr. J. de Gier uit Ede is neerlandicus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2014

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De laatste dag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2014

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's