Globaal bekeken
In De Waarheidsvriend van 10 april jl. stond vermeld dat dr. G.Ph. Scheers, biograaf van Ph.J. Hoedemaker, ten onrechte schreef dat de woordenwisseling tussen Kuyper en Hoedemaker over ‘Jan Rap en zijn maat’ nooit had plaatsgevonden. Hier volgt die historische woordenwisseling.
In De Heraut van 5 december 1886: Al de overigen [die niet meegaan met de Doleantie, vdG] zullen zich dan onder een Synodaal intendant, terugtrekken in een vermengden hoop; een hoop voor verreweg het meerendeel bestaande uit Jan Rap en zijn maat, uit straatslijpers en komediegangers, uit stoïcijnsche philosophen en onaandoenlijke Nutslieden, en bij dien wilden hoop van allerlei mengsel zal zich dan ook aansluiten het kleine groepje Irenischen en het hoopke Lütgeanen, en dan ook nog enkele “onderwerpelijken”, ongezonde mystieke Gereformeerden, die op het kantje af Kwakers zijn.
Enkele weken later kwam Hoedemaker hierop terug in zijn brochure Waarom ik geen deel neem aan het kerkelijk congres (Amsterdam, 1887). Toen de redacteur van de Heraut eenige weken geleden zijn artikel schreef over “geflatteerde balansen”, antwoordde ik: “Indien gij met uw 15000 getrouwen een doleerende kerk vormt, is ‘Jan Rap en zijn maat’ voor mij de voortzetting van de historische kerk onzer vaderen”.
In De Reformatie, uitgave van de Gereformeerd Kerken Vrijgemaakt, troffen we een stuk uit de Belijdenissen van Augustinus in de fraaie vertaling van Gerard Wijdeveld (Ambo, 1997).
Wat heb ik nu lief wanneer ik U liefheb? Geen schoonheid van een lichaam, geen luister van de tijd, geen lichtglans die mijn aardse ogen lief is, geen heerlijke melodieën van gevarieerd gezang, geen aangename geur van bloemen, reukwerken en specerijen, geen manna en geen honing, geen ledematen die welgevallig zijn aan de omhelzingen van het vlees: deze dingen zijn het niet die ik liefheb wanneer ik mijn God liefheb. En niettemin heb ik zoiets als een licht lief, zoiets als een stemgeluid en geur en spijs en omhelzing, wanneer ik mijn God liefheb, die licht is en spijs en omhelzing van mijn innerlijke mens, daar waar voor mijn ziel die lichtglans fonkelt, die door geen plaats bevat wordt, daar waar die klank weerklinkt, die door geen tijd wordt weggerukt, daar waar die geur hangt, die door geen wind verstrooid wordt, daar waar die smaak bestaat, die door geen gretig eten wordt verminderd, daar waar die omhelzing wordt gegeven, die door geen verzadiging losraakt. Dat is het wat ik liefheb wanneer ik mijn God liefheb.
In Confessioneel vertelt ds. Gert de Goeijen, die voor de GZB in Rantepao werkzaam is, over een avondmaalsdienst een kleine kampong.
We hebben ook avondmaal gevierd in deze dienst. Maar vlak voor de dienst was men nog op zoek naar brood, want dit was de laatste dagen niet te koop. Tabitha vroeg mij of – als er geen brood te vinden was – we ook iets anders mochten gebruiken, bijvoorbeeld ubi. Dat zijn knollen die in veel kampongs als groente geteeld worden en bij mijn weten meer gegeten worden dan brood, dat eigenlijk geen gangbaar dagelijks voedsel is voor Toraja’s. Wat vindt u: Moet je avondmaal perse vieren met boord of mag het ook met knol of cake? En moet het perse rode wijn zijn (rode wijn is vrij onbekend hier)? Of mag het ook met tuak, de witte palmwijn die hier veel gedronken wordt? Of met het gele sap van de markiesa (een vrucht die hier veel voorkomt)?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's