Het verhaal werkt
Over de toekomst van de reformatorische school
Van prof.dr. Christien Brinkgreve verschijnt volgende maand Vertel, over de kracht van verhalen. De hoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht is geraakt door de waarde van het verhaal in ons hele leven, al van jongs af. Over de betekenis van haar boodschap voor de toekomst van het reformatorisch onderwijs.
Hoe intensief kunnen kinderen naar een verhaal luisteren en wat laat dat niet na in een kinderziel? Wat een betekenis heeft het voor kinderen als ze het levensverhaal van hun ouders te horen krijgen?
Op uitnodiging van de school waar ik werk, het Wartburg College in Rotterdam (locatie Guido de Brès), sprak Brinkgreve vorig jaar over dit onderwerp. Ze gaf als voorbeeld hoeveel het voor haar heeft betekend dat haar moeder na het overlijden van haar vader haar levensverhaal vertelde en hoe dat verhaal veel heeft gedaan, zowel voor haar moeder als voor haarzelf. Door het vertellen van je levensverhaal komt er bovendien meer lijn in je leven. Je verhaal drukt ook de behoefte uit om je eigen stem, je identiteit te vinden. Dan zijn er nog heel andere voorbeelden. Je raakt bijvoorbeeld door een echtscheiding uit een heel familieverhaal. En: voor migrantenvrouwen is het vertellen van verhalen en het luisteren naar elkaars verhalen verrijkend en bemoedigend. Het biedt hen een veilige plek om op verhaal te kunnen komen.
Ten slotte, en dat is toch wel het belangrijkste: zonder verbindend verhaal valt niet goed te leven. Er zijn zo veel ontbindende krachten in ons leven dat er zonder verbindend verhaal geen hoop of perspectief is. Een verhaal – en dat bleef bij mij uit haar lezing wel het meeste haken – werkt ook gemeenschapsvormend. Welke toepassingen kunnen we uit het verhaal van Brinkgreve met het oog op de praktijk van het reformatorisch onderwijs maken? Er zouden er natuurlijk meer te noemen zijn, maar ik beperk me tot drie leerpunten.
1. VERHALEND LESGEVEN
In de eerste plaats de heel letterlijke toepassing: verhalend lesgeven verdient prioriteit. Zelf herinner ik me nog heel goed verhalen van een meester op de lagere school en van docenten op de middelbare school, het Corderiuslyceum in Amersfoort. Het waren docenten geschiedenis, godsdienst en boekhouden, om zomaar enkele vakken te noemen. Het bijzondere is dat ze echt niet allemaal geboren vertellers waren maar ze hadden iets te zeggen wat je kennelijk niet meer vergat.
We moeten bij het onderstrepen van de grote waarde van het verhaal in het onderwijs daarom ook niet allereerst denken aan leuke verhaaltjes of anekdotes, hoe smeuïg die op zijn tijd kunnen zijn. Maar het waren docenten die voor hun vak gingen en het graag aan hun leerlingen wilden overbrengen. Dat de docent in dat gebeuren centraal stond, werd helemaal niet als bezwaarlijk ervaren. Dat hadden we in de tijd van de onderwijsvernieuwing in de jaren negentig van de vorige eeuw, ook op reformatorische scholen, wel eens meer mogen bedenken. Van een goed verhaal moeten we wel zeggen: het vereist kennis van zaken, het vraagt om een bezielde docent, maar het vermoeit niet. Ook al kom je eerlijkheidshalve wel eens leerlingen tegen die tegen je zeggen: ‘Wordt dat nou niet saai elk jaar weer hetzelfde verhaal te vertellen?’ Niet bij iedere leerling komt kennelijk het verhaal over.
2. HET GROTE VERHAAL
Zonder verbindend verhaal valt niet goed te leven, stelde prof. Brinkgreve terecht. Het gaat er dus om leerlingen in te wijden in dat grote verhaal. Daarbij is een harmonische verhouding tussen gezin, kerk en school van het grootste belang.
Dat grote verhaal komt op sommige momenten in de school expliciet aan de orde, te denken valt alleen al aan de dagopening. Maar heel vaak komt het indirect ter sprake. Het heeft namelijk met van alles en nog wat te maken. Niet alleen met wat je goed en kwaad vindt, maar ook met wat je belangrijk en mooi vindt.
In een van de gangen van het schoolgebouw van de ‘Guido’ staat op een wand te lezen: ‘Luister, ervaar, ontdek en leer, beproef, geniet, beweeg, creëer. Kom tot verwond’ring keer op keer. Doe ’t alles tot Gods eer’. Zo breed en diep is het christelijk onderwijs. Maar ook: om zo veel samenhang gaat het. Het gaat bij de inwijding in het grote verhaal om de innerlijke samenhang, om de eenheid in geloof en levensstijl.
VRAGEN
Voor docenten liggen hier diepe vragen. Kennen wij dat verhaal? Hebben we geleerd persoonlijk in dat verhaal te mogen delen? Het zal duidelijk zijn dat we het op een reformatorische school bij dit verhaal hebben over het verhaal dat van boven komt. Het is het verhaal van God, zoals wij dat in Zijn Woord vinden en door Zijn Geest leren kennen. Laat daarbij ook duidelijk zijn dat het reformatorische verhaal niet meer is dan een gereformeerde vorm van het christelijke verhaal. Zoals wel is gezegd: christen is mijn naam, reformatorisch of gereformeerd mijn bijnaam. In de verhalen die prof. Brinkgreve van anderen weergaf, kwamen steeds drie elementen naar voren: Waar kom ik vandaan? Wie ben ik? En: Waar ga ik heen? In het christelijke verhaal hebben we het dan over schepping, zondeval en verlossing. En voor de inwijding in dat verhaal geldt, volgens de Bergrede, de drieslag: Woord, gebod en gebed.
3. EEN VERHAAL WERKT GEMEENSCHAPSVORMEND
Dat een verhaal gemeenschapsvormend werkt, is een belangrijke gedachte. Dat geldt in algemene zin al: hoe voelden we ons als Nederlanders bij de troonswisseling vorig jaar niet verbonden met onze koninklijke familie.
Drie jaar geleden hebben we dat gemeenschapsgevoel als school op een andere wijze ook sterk gehad bij het veertigjarig bestaan van ‘de Guido’. Dat gemeenschappelijk besef was er ook toen we begin vorig jaar, nadat 20.000 euro was opgehaald, met honderden leerlingen een tocht door Rotterdam maakten. Er zou een monument worden opgericht ter nagedachtenis van Joodse kinderen die in de oorlogsjaren vanaf die plaats werden afgevoerd.
BELIJDENIS
Wij horen kennelijk bij elkaar, maar hoe? Wat is ten diepste de band die ons samenbindt? Die ligt formeel verankerd in de Schrift en de drie formulieren van enigheid, maar dan gaat het toch om meer dan een formele band. Het gaat ten diepste om de religie van de belijdenis. Zo bezien is de school meer dan een waardegemeenschap, waarin het gaat om het overdragen van belangrijke waarden.
Een reformatorische school is bedoeld als geloofsgemeenschap. Van groot belang is dan wel hoe wij naar de kinderen, naar de leerlingen kijken. Zien we hen alleen als Adamskinderen, die geloof en bekering nodig hebben? Of zien we hen alleen als verbondskinderen, die bij de Heere horen? Of is beide het geval? Dat laatste zal wel snel worden beaamd, maar de vraag blijft wel of beide functioneren.
Zijn de hervormers, op wie we ons toch graag beroepen, niet veel royaler geweest als het ging om de verbondsgenade en tegelijk ook veel radicaler als het ging om de noodzaak van geloof en bekering? Er zit toch iets beschamends in dat in dit centrum van de religie van onze vaderen − het spreken over verbond en verkiezing − de wegen in het reformatorisch onderwijs soms flink uiteenlopen.
De vraag met betrekking tot de toekomst van het reformatorische onderwijs is of op dit punt de geloofsgemeenschap wordt versterkt dan wel verzwakt. Is dat laatste het geval, dan verdwijnt ook dit ‘grote verhaal’. Zo niet, dan bloeit de gemeenschap op en ontstaat er ook oecumenische ruimte om elkaar te verdragen. De noodzaak daartoe wordt alleen maar klemmender als we beseffen dat van overheidswege de vrijheid van onderwijs op de tocht staat.
ONTBINDENDE FACTOREN
We zullen eerlijk moeten erkennen dat er de laatste tien jaar heel wat is geweest waardoor die gemeenschap er niet sterker op is geworden. Ik denk aan de polarisatie die is ontstaan sinds de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland en de Hersteld Hervormde Kerk, maar het beperkt zich bepaald niet tot die kerken.
Aan de ene zijde is er een vernieuwingsdrift ontstaan, waarbij de ene vernieuwing nog niet is doorgevoerd of de andere staat alweer voor de deur. Voor een goed verstaan: er zijn voorbeelden van gezonde vernieuwing te noemen, maar het gaat me om de vernieuwingsdrift en de geest die erachter schuilt. Aan de andere zijde zijn er voorbeelden van verstarring te noemen, waarbij men bijvoorbeeld ongemeen fel en grievend de Herziene Statenvertaling afwees. Op reformatorische scholen dreigen de flanken steeds verder uiteen te groeien: de sympathie voor de evangelische beweging onder leerlingen en docenten versus de ultraorthodoxie.
MODERNE CULTUUR
Daarnaast is er de invloed van de moderne cultuur, waarin we met z’n allen leven. Er is hier zo veel te noemen, dat ik slechts een aantal verschijnselen aanstip. Er is het individualisme, waarbij iedereen voor zichzelf gaat, ook wel de ‘ikcultuur’ genoemd. Hoe vaak wordt niet de opmerking gehoord dat je elkaar moet respecteren, om daarmee de vraag naar de waarheid en wat goed en kwaad is in het midden te laten. Als deze opmerking wordt gemaakt tegenover iemand die duidelijk en eerlijk zijn of haar overtuiging uitspreekt, getuigt het juist van een groot gebrek aan respect. De persoon in kwestie wordt namelijk in feite niet serieus genomen en zijn overtuiging wordt genegeerd. Ik heb het over geluiden die we op school van leerlingen keer op keer te horen krijgen.
HIER EN NU
Dan is er in toenemende mate in onze samenleving het gesloten wereldbeeld. Alleen het hier en nu geldt. In een onthullend artikel in Trouw (1 juni 2013) schreef Margriet van der Kooi over de verdringing en medicalisering van levensvragen. Ik citeer een aangrijpend fragment uit haar artikel. ‘Een man wiens moeder stervende was op onze palliatieve afdeling zei: ‘Wat ik het ergst vind is dat we het nergens over konden hebben, zelfs nu nog niet. Dat put me uit. Toen mijn moeder vorig jaar ziek werd en er weinig voor haar gedaan kon worden waren mijn ouders ontredderd. Ze zijn op internet gaan surfen. In Duitsland werd een supplemententherapie aangeboden. Het had iets verbetens, het werd hun project. Ik schat dat het hen anderhalve ton heeft gekost. De dokters zagen er niks in, maar het was hun enige hoop! Ik had met mijn moeder willen praten over haar leven… Dat alle tijd voorbij is gegaan zonder één echt gesprek, ik lig er wakker van. Ik ben boos op mijn ouders. Straks is ze dood en weet ik niet wie we begraven.’’ In zo’n samenleving groeien onze kinderen op.
BIJBEL
Ik noem nog een tweetal ontbindende factoren. In de eerste plaats dat het beroep op de Heilige Schrift minder zeggingskracht heeft. Stond je zo’n veertig jaar geleden als leerling sterk in het gesprek in de klas als je op de Bijbel je beriep, nu horen we veel meer dan vroeger de reactie ‘er staat in de Bijbel wel meer waaraan we ons helemaal niet meer houden’.
Ten slotte maakt het getuigenis van de kerk der eeuwen minder indruk. Dat heeft in het algemeen te maken met afnemende belangstelling voor wat in het verleden is gebeurd, maar ook met een overschatting van eigen inzicht in wat voor ons leven van belang is. Kennisname van wat geschreven is door kerkvaders, hervormers en anderen is toch niet nodig. Wij komen er vandaag zonder al die bronnen ook wel uit.
GEMEENSCHAPSVERSTERKEND
Ik sluit mijn verhaal niet af in mineur. Daarvoor bewaar ik veel te veel positieve ervaringen aan het werken en leven op een reformatorische school, toen en nu. Want ook nu is er bij velen onder leerlingen en collega’s eerbied voor het Woord van God, niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk. En we hebben verwachting dat God Zijn Woord, dat is en wordt gezaaid, zal zegenen. Het is ook een groot voorrecht om in dit onderwijsveld te mogen werken en leerlingen te ontmoeten die afkomstig zijn uit gezinnen en kerken waar terdege eerbied voor het Woord is. Dat schrijf ik overigens met een groot respect voor christelijke collega’s die zich geroepen weten om hun werk op niet-reformatorische scholen te doen.
De dagopening is een gebeuren dat in de loop der jaren als steeds waardevoller en als gemeenschapsversterkend is ervaren. Het samen lezen van een gedeelte uit Gods Woord, het zingen van de psalmen en het gemeenschappelijk gebed is niet alleen een goede gewoonte, maar zet de toon voor de dag. Daarnaast noem ik de weekopeningen, de kerst- en paaswijdingen. En – waar we later meer oog voor hebben gekregen – het dienstbetoon aan de wijk waarin we als scholengemeenschap verkeren. Als we op deze manier het reformatorisch erfgoed mogen overdragen, is dat een niet te miskennen zegen.
EERSTE JAAR
Voor mij is zaterdagmiddag 18 augustus 1973 een belevenis geweest. Het was de openingsmiddag voor het nieuwe schooljaar aan het Mijnsherenplein te Rotterdam. Het werd mijn eerste jaar als docent. Het was mijn eerste ontmoeting met de leerlingen, de collega’s en het bestuur van deze reformatorische school. Gegeven het feit dat ik kwam van een dorp op de Veluwe, waar nauwelijks sprake was van enige vorm van samenwerking tussen de verschillende kerken, was het een weldaad je met elkaar over kerkmuren heen verbonden te weten. Predikanten uit verschillende kerken spraken op bijeenkomsten als deze zodanig, dat het je hart raakte. Zij en anderen die bestuurlijk leiding gaven, waren ook de mannen van het eerste uur, die voor de zaak van het reformatorisch onderwijs stonden en gingen. Als we in de geest van hen verder mogen gaan, dan heeft het reformatorisch onderwijs toekomst, want het was de Geest van Christus.
Drs. H.G. Leertouwer is ambtsdrager in de hervormde gemeente te Krimpen aan den IJssel. Binnenkort neemt hij afscheid van het Wartburg College in Rotterdam (voorheen reformatorische scholengemeenschap Guido de Brès), waar hij 41 jaar als docent godsdienst werkzaam was.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's