Globaal bekeken
Mr. A.F. de Savornin Lohman, leider van de christelijk-historischen, en Abraham Kuyper, leider van de antirevolutionairen, leefden jaren in onmin. Ik trof de volgende verzoenende briefwisseling tussen hen aan uit 1919.
Nu ik verneem, dat Gij minder wel zijt, en ik ook zelf in den laatsten tijd voortdurend aan heengaan herinnerd wordt, wil ik U zeggen, dat ik (…) al heeft eene uitwendige hereeniging tusschen ons niet kunnen plaatsvinden, (ik) nooit zal ik kunnen vergeten, dat wij beiden te samen denzelfden Heer hebben gediend, zij het ieder op zijne wijze; dat wij beiden hetzelfde bruiloftskleed behoeven, en dat wij daaraan zullen erkennen, dat wij gezamenlijk mogen aanzitten aan dezelfde Tafel. Dan zal alles vergeten zijn, wat nu vaak ons hinderde saam te komen, omdat onze oogen dan beter geopend zullen zijn. Wat gij ook voor en aan mij gedaan hebt, daarvoor dank ik U en voor datgene waardoor ik U onnoodig pijn gedaan heb, daarvoor vraag ik vergiffenis. Met een vriendelijken handdruk en nog altijd met hoop op herstel, Uw oude vriend in Xo. A.F. de Savornin Lohman
De ontroerde Kuyper scheef meteen terug: Carrissme. Laat mij U hartelijk en innig mogen danken voor Uw epistel van gisteren. Het was me de verhooring van een zoo vaak opgezonden bede. En het is om mijn God te loven, dat de zooveel jaren afgewachte verbroedering en verzoening dan toch eindelijk gekomen is en gekomen is op zoo loyale, zoo echt christelijke wijze. Uw brief is me een feestgeschenk, waarvoor ik U niet alleen, maar mijn God dank zeg. Van heeler harte Uw vriend en broeder,
A. Kuyper
Vandaag wordt geklaagd over teruglopend kerkbezoek in de middagdiensten. Het was vroeger al niet anders. Henk de Jong schreef in Kerkbank in, kerkbank uit (1959):
Willem Teellinck, in 1613 predikant te Middelburg geworden, klaagde er al over, dat men ‘in d’achternoene in de vergaderinge der geloovige’ weinig verscheen, maar liever ging rijden of grote maaltijden aanrichtte en zijn troost zocht in de herberg bij het spel, in plaats van bij de verkondiging van het evangelie.
Jodocus van Lodenstein, die in dezelfde eeuw als Teellinck leefde, zei: ‘Het is schande, dat de kerken somtijds zo leeg zijn. Laat maar een kwakzalver onder ons komen, die een toneel opricht en daar zotheden klapt om zijn waren te presenteren: daar komt méér volk en daar staat men bij en kijkt zo aandachtig zonder ogen te verdraaien, uren achtereen; zodat men meer mensen dáár vandaan ziet komen dan uit de kerk.’
Luther heeft eens gezegd: ‘uitslapen, mooie kleren aantrekken, achter de kachel zitten, dat kunnen de heidenen ook. Maar gij zult het Woord Gods horen!’ Ja, dat kon Luther wel zeggen, maar onder zijn volgelingen waren er genoeg, die ’s zondagsmorgens de klok rustig lieten luiden. De moeder van Goethe, hoewel luthers opgevoed en goed thuis in de bijbel, bekende vrijmoedig, dat de gemeenplaatsen van de dominee niet in staat waren op zondagmorgen het warme bed te vervangen. Zo dacht ook Truijtje Toussaint er over, toen zij in 1844 vanuit Alkmaar aan Da Costa schreef: ‘Ik die weinig ter kerk ga omdat ik veeleer ontsticht word dan er stichting vind, dank God voor de troost en de kracht, die mij van Van Oosterzee gewordt.’ In de korte tijd, dat dr. J.J. van Oosterzee te Alkmaar stond, ging zij trouw naar de kerk. Maar na die tijd schaarde Truijtje zich weer bij de onzichtbare gemeente, want de dominees behoorden volgens haar tot ‘een boos ras’.
Dr. Ir. J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's