Twee portretten
Een groep bezwaarde leden van de hervormde kerk in Middelburg brengt in 1857 een beroep op dr. H.F. Kohlbrugge in Elberfeld uit. Het betrof een soort buitengewone wijkgemeente met een eigen kerkgebouw.
De ‘direktie’ stuurt een officiële beroepsbrief, en laat die gepaard gaan met een bewogen schrijven aan de kerkenraad van de Niederländisch-reformierte Gemeinde in Elberfeld. Die brief refereert aan wat Kohlbrugge ooit was aangedaan. ‘De Nederlandsche Hervormde Kerk heeft bij besluit van den 21 Julij 1830 de waarheid verbannen, daarentegen de leugen aan eigen boezem geteelt.’ En dan komt het: ‘Zal het u verwonderen, geliefde Broeders! dat Nederland thans zuchtende is naar die waarheid welke zij weleer verwierp? Zal het u verwonderen, veel geliefde en beminden in den Heere, dat wij biddende van den Heere begeeren, dat Hij de banneling om Zijns Naams wil, weder naar Zijne tente terug brengt? Neen! Dit kan, dit zal U niet verwonderen […]. Welaan dan Lieve Broeders! Het bedroeve U niet, dat wij door ongezochte wegen geroepen werden, de verdrevene Broeder Kohlbrugge weder binnen onze landpalen te roepen. De uitkomst zal leeren wat God de Heere met hem en met ons voorheeft.’
KOSTER
Anderen uit de gemeente leggen hun verlangen aan Kohlbrugge persoonlijk voor, onder wie de koster van de kerk. Ongekunsteld, met hier en daar typisch Zeeuwse spellingseigenaardigheden en nagenoeg zonder interpuncties (die ik nu voor het gemak maar aanbreng) doet hij een vurig pleidooi voor Middelburg. Als ‘alles verbeurde man en van alles ontbloot schepsel’ neemt hij de pen op: ‘Gafe God huijt [uit] genade om Cristus wil dat domene Doctor Kohlbrügge daar stond en voor ons optrad. Og mijn Heer, het is de roepstem van zoo veelen. Indien Gij het wist, Uwe Eerwaarde soude [het] bijna niet gelooven en het is daarom dan, dat ik niet kan nalaten om u ook de begeerte van mijn art [hart], het verlangen mijner ziel op dit papier in mijn dom verstand en mijn onnozelheidt huijt te drukken en ook tot uwe te roepen wat die Massadonier eens riep: Komt tot ons over en helpt ons. Og mogt het in den weg der aanbiddelijke voorzienigheid zijn en zijnen art nijgen om tot ons te koomen om de vervalle muren van Middelburgs Zion op te bouwen […]. Doen ik twaalf jaar of daaronttrend was mogt ik het geluk genieten van in mijns vaders huijs uw werk te mogen leezen en dat was het Lidmaatschap bij de hervormde kerk mij willekeurig gewijgerd, en van dien tijd heb ik altijd een innig gevoel voor u omgedragen. Nu, mijn heer, weest artlijk van mijn gegroet, in hoop van malkaar nog van aangezigt tot aangezigt te zien en te spreeken, en gij op de spreekstoel en ik aan de deur der kerk moogen werkzaam zijn. Ik noem mijn: uwe onderdanigen dienaar in liefde en agting, Jan Janse Jz, dorpelwagter of stokman van de kerk.’
BEDANKT
Maar Kohlbrugge bedankt, ondanks alle ontroerende hartelijkheid. Tegen zijn eigen kerkenraad, die er niet gerust op was, zei hij, ‘geene gedachte te hebben voor het oogenblik om de gemeente te verlaten’. Dat dit beroep was uitgebracht door een niet-reguliere gemeente, zal bij het bedanken ongetwijfeld een voorname rol hebben gespeeld.
BAZEL EN UTRECHT
In 1862 brengt Kohlbrugge een bezoek aan zijn dochter en schoonzoon in Bazel, Anna en Eduard Böhl, waar hij ingaat op het verzoek om in de Theodorskirche voor te gaan. Hij preekt over Johannes 1:43-51. De volgende dag blikt hij terug: ‘De kerk was zeer vol. De eerste regeringspersoon van Bazel, twee professoren der Theologie, vele predikanten en studenten onder het gehoor. De aandacht was groot en het preeken ging mij gemakkelijk af, ik gevoelde mij op den kansel als in mijn eigen. Na de kerk stuurde een der invloedrijkste heeren om mijn manuscript; hij wilde de preek op eigen kosten laten drukken. Ik kon niet neen zeggen… En alle professoren in de Theologie gaven mij een bezoek.’ De ooit verguisde theoloog wist zich gevierd. Toch schrijft dezelfde Kohlbrugge kort voor de hoogst vererende en aangrijpende dienst die hij een jaar later in de Dom van Utrecht mocht houden: ‘Hooggeachte vriendin!
Mag ik u eraan herinneren, dat u allen die over mijn a.s. optreden spreken, een wenk geeft om zich daarover niet dan met matiging te uiten, maar zoveel te meer in hun stil gebed aan mij te denken… Dat des Heeren Woord en belofte, mij voor 33 jaar toegekomen, vervuld is geworden, dat is mijn troost. Ik heb voor mijn ‘ik’ nimmer wat gezocht en nu het allerminst.’ Ook dat is Kohlbrugge.
PORTRETTEN
Maar die andere Kohlbrugge is er ook. Dezelfde man, in tweeërlei gestalte. Zoals de twee portretten die in het boek van Boele zijn opgenomen: het ene vriendelijk en afhankelijk met een vragende blik, het andere bars en fier, met een zelfbewuste blik. Naar het eerste gaat mijn voorkeur uit. Maar ik probeer beide te honoreren, in hun paradoxale verbondenheid. Enerzijds de man die wist en beleefde vleselijk te zijn en verkocht onder de zonde, de zondaar die alleen op genade teren kon. Anderzijds de man die recht en rehabilitatie zocht, na al het bittere onrecht en na de botte afwijzing die hem ten deel gevallen waren. Enerzijds de man die als een rechteloze voor Gods recht stond en ervoor beefde en die zich als een goddeloze gerechtvaardigd wist. Anderzijds de man met het rechtsgevoel van iemand die het zakelijke gelijk aan zijn kant heeft. Enerzijds als David in Psalm 143: ‘Ga niet in het gericht met Uw knecht’, anderzijds als dezelfde David in Psalm 18: ‘De Heere vergold mij naar mijn gerechtigheid’. Het is een dubbelheid die ook bij Kohlbrugge te verstaan en te verklaren valt. De momenten die van overmoed getuigen kan men hem vergeven, als men bedenkt hoe diep ontmoedigd hij in zijn eertijds door het stof moest. In zijn Utrechtse jaren was hij als een betrekkelijk nog jonge man, die hunkerde naar de kansel, door onheus formalisme een tijdlang ambteloos en bijna brodeloos geweest en leefde hij in bittere armoe. Het geloof in Gods leiding ging op de zeef. Aanvechting tornde aan zijn Godsvertrouwen. Gods beloften leken onvervuld te blijven.
RECHT
Geen wonder dat hij het beroep uit Zoutelande, een voluit hervormde gemeente in zijn vaderland, beschouwde als een daad waarin de vaderlandse kerk hem eindelijk, na 33 jaren, recht verschafte. Dat schreef hij de Zeeuwse kerkenraad dan ook met ronde woorden. Maar de eigenlijke verwondering ontsprong toch aan iets anders: ‘Die God die trouw houdt tot in eeuwigheid, heeft u, uw dorp en gemeente geroepen en verkozen, dat wederom een deel van Zijn belofte die ik in het heetst van de strijd ontving, na zoveel jaren werd vervuld.’ God belooft wat Hij doet en Hij doet wat Hij belooft. Vooral dit is Kohlbrugge. Ten voeten uit.
HARTSGEHEIM
Met voorbijgaan aan de intrigerende bladzijden die Boele wijdt aan Kohlbrugge’s contact met Kuyper en aan de dienst in de Amsterdamse Zuiderkerk, sluit ik af met een fragment uit de toespraak die Kohlbrugge in 1871 hield bij zijn 25-jarig ambtsjubileum. Het was een feestelijk gebeuren. Behalve een Statenbijbel met zilveren beslag werd hem ook een ‘heerlijk pianino, rond en vol van toon’ cadeau gedaan. De 68-jarige sprak zijn dank uit en maakte van de gelegenheid gebruik om te zeggen wat er in hem omging. Nadat hij tal van herinneringen uit het verleden heeft opgehaald, eindigt hij met een passage die zijn diepste drijfveer aan het licht brengt. Hij wekt zijn gemeente op te blijven in het Woord der Waarheid en te wandelen in de vreze des Heeren. Van al wat hij geschreven en verkondigd heeft hoeft hij geen tittel of jota te herroepen. ‘Ik weet dat het Gods Woord is en rein goud en zilver, want ik heb het niet uit de mouw geschud, maar vanuit het diepste lijden heb ik het u medegedeeld.’ En de jeugd van de gemeente voegt hij toe: ‘Bekeert u tot de Heere, en denkt aan uw leraar, die, toen hij nog een kind was, de Heere gezocht en gevonden heeft. Hij is wel een arm, arm zondaar en kan zichzelven minder dan een uwer helpen, maar dit ene doet hij: voortdurend gaat hij bedelen aan de bron, en daaruit ontvangt hij troost; allereerst voor zichzelven en dan, daarom gaat het toch, troost voor u allen.’ Fier vanwege Gods trouw, nederig vanwege eigen onvermogen. Ridder, maar toch vooral bidder. Genade was zijn hartsgeheim, Christus zijn leven. Het was dan ook volledig in zijn geest, dat op zijn eigen wens bij de begrafenis gezongen werd: Christus, der ist mein Leben, Und sterben mein Gewinn. Ihm hab’ ich mich ergeben, Mit Fried’ fahr ich dahin.
N.a.v. H. Boele Zonder kansel kon hij niet leven. De weg van H.F. Kohlbrugge langs vele kansels in Nederland. Uitg. Den Hertog, Houten; 390 blz.; € 39,50.
Dr. A. de Reuver is hervormd predikant te Serooskerke en emeritus hoogleraar gereformeerde godgeleerdheid vanwege de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's