Boekbespreking
F. van der Pol (red.) Geloofstaal trekt haar spoor. 450 jaar Nederlandse Geloofsbelijdenis. Uitg. Kok, Utrecht; 240 blz.; € 29,90
Welke betekenis heeft de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) voor een eigentijds geloofsgetuigenis? Deze vraag staat centraal in Geloofstaal trekt haar spoor, een bundeling van de voordrachten die ter gelegenheid van het 450-jarig bestaan van de NGB zijn gehouden. In acht bijdragen worden belangrijke kernen van de belijdenis verkend en op hun relevantie voor de actualiteit getoetst. Al gebeurt dit laatste in de ene bijdrage meer dan in de andere. H.J. Boiten geeft een uitvoerige bespreking van de ontstaansgeschiedenis van de NGB. Al lezend kom je opnieuw onder de indruk van de vitaliteit van de gereformeerde beweging in de Zuidelijke Nederlanden van de tweede helft van de zestiende eeuw. Een van de leidinggevende theologen is Guido de Brès, de opsteller van de NGB. Volgens Boiten is de NGB geen individuele uitdrukking van individueel geloof. Het is een gemeenschappelijk akkoord van de gelovigen in de Nederlanden. In dit verband neemt Boiten het op voor Thysius en Schoock, die benadrukken dat De Brès zijn werk aan andere theologen in de Nederlanden heeft voorgelegd. Op deze manier krijgt de uitdrukking un commun accord haar betekenis. Het is echter de vraag of Thysius en Schoock op dit punt historisch betrouwbaar zijn. In elk geval lijkt het mij niet nodig om hun getuigenis te gebruiken om de uitdrukking un commun accord uit te leggen. De verwijzing naar het consistorie van Antwerpen, die Boiten in tweede instantie aanvoert, is historisch meer ter zake. Overigens moet daarbij worden overwogen dat De Brès de woorden un commun accord heeft overgenomen uit de Franse Geloofsbelijdenis. De verbinding tussen de gemeenten van Doornik en Antwerpen laat zien dat ook in de Nederlandse situatie sprake was van een akkoord van belijden. F. van der Pol schrijft over de vroege ontvangst van de Belgica in de Noordelijke Nederlanden. Hoewel er aanvankelijk slechts één uitgave van de NGB is, blijkt ze van constitutieve betekenis te zijn geweest voor de vorming van de Gereformeerde Kerk. Predikanten moesten de belijdenis immers ondertekenen, al waren er vooral in de steden ook ambtsdragers die dit weigerden. De NGB heeft dus in belangrijke mate bijgedragen aan de vorming van een gereformeerde identiteit. A.J. Beck zet de ontvangst van de NGB in het licht van de gereformeerde orthodoxie. De titel van deze bijdrage dekt de lading niet geheel; Beck onderzoekt artikel 1 (over God) en artikel 16 (over de predestinatie). Daarbij laat hij niet alleen zien hoe deze artikelen in de zeventiende eeuw zijn uitgelegd, onder anderen door Voetius en Arent Cornelisz. Hij laat vooral zien hoe de NGB in de grote traditie van de kerkvaders en de middeleeuwse theologen staat. Juist die theologiehistorische context van de NGB smaakt naar meer. Het sterkt me in de overtuiging van De Brès in de diepe zin van het woord katholiek christen wilde zijn. A. Huijgen onderzoekt de betekenis van het woord ‘onfeilbaar’ ten aanzien van de Schriftleer in de NGB. Het is volgens hem niet hetzelfde als inerrancy, de overtuiging dat de Bijbel geen fouten bezit. Dit laatste is vooral een moderne vraagstelling, zo betoogt Huijgen. Aan de hand van het woord ‘onfeilbaar’ zoekt hij naar een actualisering van de NGB, zonder daarbij in het rationalistische vaarwater van de inerrancy-gedachte terecht te komen. Bij ‘onfeilbaar’ gaat het wat Huijgen betreft om de betrouwbaarheid van het spreken van God. De Schriftleer moet dus altijd worden verbonden met de leer van de Heilige Geest. Toch blijft de lezer dan wel met de actuele vraag achter welke consequenties dit standpunt heeft voor de houding ten opzichte van historisch-kritisch bijbelonderzoek. Dit vraagt in elk geval om een verdere doordenking. Het naar voren halen van bovengenoemde bijdragen is geen waardeoordeel ten opzichte van de andere bijdragen in dit boek. Binnen dit korte bestek wil ik echter één punt aan de orde stellen. Het boek heet Geloofstaal trekt haar spoor. Het lijkt een zin die alle auteurs ergens in hun bijdragen hebben moeten verwerken, want ze komt als verbindende schakel telkens terug. Maar juist die nadruk op de relevantie, op het spoor dat de geloofstaal trekt, riep bij mij de vraag op waarom er nauwelijks thematische aandacht is besteed aan de commentaren die in de loop der tijd op de NGB zijn verschenen. Juist een theologische vergelijking van een paar commentaren zou nuttig zijn geweest om het geloofsspoor van de NGB uit te werken. Gelukkig wordt J. Koopmans (1939) wel genoemd, maar er zijn er zeker meer te noemen. Deze opmerking doet niets af van mijn waardering voor dit mooie boek en zijn prachtige uitvoering.
A.J. KUNZ, KATWIJK
Evangeliën en brieven. Zie het Lam Gods. Vragen naar het Woord, deel 4. Uitg. Gouds Leerhuis; 110 blz.; € 9,95
Het gaat hier om een prachtige bundel lezingen van de werkgroep Gouds Leerhuis, die iedere (aankomend) predikant en ook ieder geïnteresseerd gemeentelid in huis moet hebben. De werkelijk schitterend gebonden uitgave wordt na iedere bijdrage afgesloten door een psalm uit de Goudse Bijbel en begeleid door een illustratie van de gebrandschilderde glazen van de Goudse Sint-Jan. Elk bijbelboek als geheel wordt in een historisch perspectief geplaatst, waarna een uitwerking volgt van een kenmerkend gedeelte. Bovendien heeft elke auteur verdiepende literatuursuggesties toegevoegd. In het korte bestek van een recensie is het onmogelijk de rijkdom voor het voetlicht te brengen. Op erudiete en bekwame wijze kwijten de sprekers zich van hun taak. Drs. P.L. de Jong belicht het evangelie naar Mattheüs, Markus en Lukas onder het motto ‘Doe het werk van een evangelist’. Elke evangelist blijkt dan eigen accenten te hebben. In de eerste eeuwen hield men het evangelie van Mattheüs voor het meest oorspronkelijke, terwijl nu vaststaat dat dit het evangelie van Markus is. Origineel doorkijkje. Ds.ir. N.M. Tramper schrijft over het evangelie van Johannes en zijn brieven onder de noemer: ‘Zie het Lam Gods, de Herder der schapen’. Het valt op dat Johannes in de keuze van zijn begrippen duidelijk aansluit bij de hellenistische cultuur. Drie polemische fronten maken de geschriften van Johannes uiterst actueel. Deze bijdrage is uitermate instructief.
Dr. J. van Eck behandelt Handelingen onder het thema: ‘Geschiedschrijving met een boodschap’. Lukas is de enige heiden (niet- Jood) die aan het Nieuwe Testament heeft bijgedragen. Dit is te merken in de actualisering naar vandaag. Buitengewoon interessant. Dr. H.R. van de Kamp laat zijn licht schijnen over Hebreeën onder het opschrift: ‘Geloven is volhouden’. Het gaat om twee blikrichtingen: ‘Kijk naar boven’ en ‘Kijk naar voren’. De omschreven geloofscrisis heeft alles te zeggen voor vandaag. Uiterst actueel. Prof.dr. P.H.R. van Houwelingen thematiseert de brieven van Petrus en Judas: ‘Een hoopgevend trio’. Lezing van deze bijdrage is navenant. Dr. W. Dekker geeft een leerzaam overzicht en inzicht in Jakobus: ‘Alleen de gehoorzame gelooft’. Waar Luther bezwaar maakte, was Kohlbrugge blij met deze brief. Opmerkelijk: ziekenzalving is geen sacrament. Buitengewoon leerzaam en inspirerend. Deze Goudse lezingen mogen we recht ‘gouden’ lezingen noemen.
C.A. VAN DER SLUIJS, VEENENDAAL
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's