Boekbespreking
Paul van Trigt Blind in een gidsland. Over de bejegening van mensen met een visuele beperking in de Nederlandse verzorgingsmaatschappij, 1920-1990. Uitg. Verloren, Hilversum; 203 blz.; € 22.
Wie weet zich betrokken bij de positie van blinden en slechtzienden in onze samenleving, buiten degenen die als familie, belangenbehartigers of dienstverleners in de blindenzorg in geregeld contact met hen staan? Wie ontmoet hen echter niet met een zekere regelmaat op zijn pad? De heer Van Trigt heeft zich intensief verdiept in de problematiek en wel als historicus. Aan de Vrije Universiteit verdedigde hij vorig jaar een proefschrift, waarvan het onderwerp nauwkeurig wordt omschreven in bovenstaande ondertitel van zijn boek. De wetenschappelijke methode die aan zijn geschiedschrijving ten grondslag ligt, moge ik als niet-historicus hier voor de lezers van De Waarheidsvriend buiten beschouwing laten. Wat voor iedere lezer zeker interessant is, is dat hij wat ik maar benoem als de blindenproblematiek in zijn ontwikkeling confronteert met algemeen maatschappelijke, waaronder godsdienstige ontwikkelingen, zoals de verzuiling, de secularisatie, de verzorgingsstaat, de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig. Het tweede wat menige lezer zal interesseren, is dat Van Trigt zijn algemene beschrijving concretiseert en confronteert met de ontwikkelingen van het welbekende blindeninstituut Sonneheerdt in Ermelo. Let wel: het is geen gedenkboek over dit instituut waarvoor in 1921 de grondslag werd gelegd en dat in 1926 werd geopend. Men leest over het wel en wee in confrontatie met latere bredere maatschappelijke ontwikkelingen sinds de oprichting tot de jaren negentig van de vorige eeuw. De schrijver acht een viertal factoren bepalend voor de historische ontwikkeling betreffende zijn onderzoeksvraag: ‘Hoe werd in Nederland in de periode 1920-1990 verschil gemaakt ten aanzien van mensen met een visuele beperking?’ Die vier factoren zijn: religie, staat, de zorg en de normaliteitslogica. Die beide laatste zijn in die zin bepalend dat de eerste het accent legt op de afhankelijkheid van de blinde van zorg en de tweede benadering op diens onafhankelijkheid als normaal persoon. Hier concentreert zich naar mijn lekeninzicht de spanning tussen gelijke en verschillende behandeling.
Wij willen echter wat uitgebreider stilstaan bij de twee eerstgenoemde factoren: religie en staat. Dat bij de oprichting van Sonneheerdt de religieuze factor bepalend is geweest, bewijst de geschiedenis. Dit particulier initiatief – de staat deed nog niets voor blinden – ontstond in Doleantiekring. Initiatiefneemster mw. Adriana Cornelia Diepenhorst-de Gaay Fortman werd gedreven door naastenliefde en had als doel dat blinden zelf hun brood zouden kunnen verdienen. Daartoe werd na enige tijd op orthodox- christelijke grondslag een tehuis ten behoeve van wonen en werken voor blinden van de grond getild. Het tehuis zou geen specifiek kerkelijke kleur krijgen en er was dus niet alleen plaats voor christelijke blinden. Het ging niet om een huis voor christelijke blinden, maar om een christelijk tehuis voor blinden. Voorwaarde voor opname was wél dat de bewoners zich schikten naar de godsdienstige huisregels en gebruiken. Het personeel diende kerkelijk meelevend te zijn. Om te kunnen (voort)bestaan moest de achterban van de oprichters permanent geactiveerd worden om de benodigde financiële middelen te verschaffen. Een bekend patroon. De geleidelijk, vooral na 1950, toenemende invloed van de staat, sociale zekerheidswetgeving, sociale werkvoorziening, overheidssubsidies, maar ook de wettelijke eisen met betrekking tot de professionalisering van zorg, leidden er tezamen toe dat het zelfbestuur van het particulier initiatief (inclusief filantropie) het aflegden tegen staatsbestuur. Ook de koppeling tussen wonen en werken werd losser en verviel in de jaren zestig. De nieuwe benadering van religie (Boerwinkels ‘Inclusief denken’, 1960) en de maatschappijkritiek met de nadruk op individuele zelfontplooiing, emancipatie en inspraak leidden ertoe dat na 1960 de godsdienstige regels en gebruiken op Sonneheerdt sneuvelden. De godsdienstige identiteit bleef echter richting de staat van belang voor de voorzieningen. Sonneheerdt paste zich stapje voor stapje aan bij de ontwikkelingen in kerk en staat en maatschappij maar bleef de enig landelijke specifieke organisatie waar binnen het verband tussen beroepsarbeid en visueel (on)vermogen structureel, systematisch en praktisch in het oog werd gehouden (p. 146). Hoe waardeert Van Trigt nu de geschiedenis van de blindenzorg? Hij lijkt een weg te tekenen van onafhankelijkheid en de blinde als object van zorg náár de bevrijding. Een weg van vooruitgang? Zo zegt hij het nergens en hij waakt er in elk geval, gesteund door de feiten van zijn onderzoek, voor om de geschiedenis eenvoudigweg vanuit hedendaagse opvattingen over de bejegening van blinden te beoordelen. Er is ongetwijfeld sprake van winst, maar is er ook niet iets (wezenlijks) verloren gegaan? Iets wat in een participatiesamenleving, die op méér berust dan verplichte financiële solidariteit (afgekochte naastenliefde), onmisbaar is? Volledige integratie en normalisatie van álle blinden lijkt een onhaalbare opgave en zal altijd een omstreden ideaal blijven. Het ‘zoveel mogelijk’ zal wel leidraad blijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's