Onderdaan van Jezus
Onder het nieuwe verbond geldt niet zozeer een ándere gehoorzaamheid dan die onder het oude verbond van het volk Israël werd gevraagd. Het oude gebod der liefde staat alleen in een nieuw verband. Wat zeggen het Nieuwe Testament en de belijdenisgeschriften hierover?
Met name Mattheüs – die voor Joden schrijft – vraagt aandacht voor de weg en het werk van Jezus Christus, Die gekomen is om alle gerechtigheid te vervullen (3:15). Het is bij Mattheüs het allereerste woord uit de mond van de Heere Jezus. ‘Ik ben gekomen om gerechtigheid te vervullen.’
ZWART-WITVERHAAL
Die gerechtigheid bestaat in het gehoorzaam zijn aan de wil van de Vader. Dat blijkt verderop in het evangelie, met name in de Bergrede. Hij kwam niet om wet en profeten af te schaffen, maar om die te vervullen. Het is onthutsend genoeg dat de Meester daaraan toevoegt dat onze gerechtigheid overvloediger dient te zijn dan die van de Schriftgeleerden en de farizeeën. Het is en wordt in prediking en pastoraat een steeds grotere toer om kerkmensen ervan te doordringen dat de Heere Jezus in de Bergrede geen pleidooi voert voor het afschaffen van de geboden, maar, integendeel, de wet radicaliseert en ze op de spits van de liefde drijft. Het overtreden van de wet is geen overtreding van een bepaalde regel, maar het ongehoorzaam zijn aan de Persoon Die de regel gaf. Dr. Prosman merkt in dit verband op: ‘De Bergrede is een zwartwitverhaal. Er zitten geen grijstinten in. Het is compromisloos. Het is dood of leven. De Bergrede legt ons het vuur van de Geest aan de schenen.’
GODDELIJK MOETEN
Lukas – die voor de heidenen schrijft – laat een bijzondere klemtoon laat vallen op het gegeven dat de Heere Jezus kwam om Gods raad en wil te volbrengen. Voortdurend lezen we dat de dingen móéten gebeuren. Dat moeten blijkt het goddelijke moeten te zijn. Niemand heeft de zware worsteling van Jezus in Gethsémané intenser beschreven dan Lukas. Het kost de Heere Jezus bloedig zweet om gehoorzaam te zijn aan de wil van de Vader. ‘Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.’ Wanneer de Hebreeënbrief het aardse leven van de Heere Jezus beziet, stelt ze vast dat de Heere Jezus, hoewel Hij de Zoon was, (toch) gehoorzaamheid geleerd heeft uit wat Hij heeft geleden (5:8).
ROMEINENBRIEF
We gaan naar Paulus en richten ons op de Romeinenbrief. Wie deze ‘explosieve’ brief van voor naar achter zorgvuldig doorleest, komt tot de verrassende ontdekking dat het woord gehoorzaamheid er een voorname rol in speelt. Paulus begint er meteen over. In hoofdstuk 1 zegt hij dat wij door Christus ‘genade en apostelschap ontvangen tot geloofsgehoorzaamheid onder alle heidenen, ter wille van Zijn Naam’ (vs.5). In hoofdstuk 2 schrijft de apostel over het gehoorzaam of ongehoorzaam zijn aan de waarheid (2:8). Dit in het kader van het laatste gericht en het rechtvaardige oordeel van God. In hoofdstuk 5 staat de ongehoorzaamheid van de ene mens tegenover de gehoorzaamheid van de Ene (5:19). In hoofdstuk 6 draait het om de vraag of we gehoorzaam zijn aan de begeerten van het vlees (6:12) of dat we ons ter beschikking stellen aan God (6:13). Anders gezegd: je bent slaaf van de zonde en van de dood óf je stelt jezelf tot slaaf ter beschikking tot gehoorzaamheid (6:16). Paulus dankt de Heere dat de ontvangers van de Romeinenbrief ‘nu van harte gehoorzaam geworden zijn’ (6:17) aan het voorbeeld van de leer. In hoofdstuk 10 – en dan zit de apostel midden in zijn uitvoerige en hartstochtelijke ontboezemingen over Israël – valt het woord gehoorzaamheid weer. In negatieve zin. Niet allen zijn het Evangelie gehoorzaam geweest (10:16); Jesaja profeteerde al over het ongehoorzame volk (10:21) waar God desondanks Zijn handen naar uitbreidt. In hoofdstuk 11 gaat Paulus erop door en komt dan tot de slotsom dat God het volk Israël onder de ongehoorzaamheid opgesloten heeft (11:32), met de bedoeling dat de gelovigen uit de heidenen door hun gehoorzaamheid (zij waren vroeger/eertijds ook ongehoorzaam; 11:30) Israël tot de zaligheid zouden brengen (11:32).
GEOPENDE DEUR
Er valt over deze teksten veel te zeggen. Voor ons nu is het een belangwekkende notie dat Paulus erop wijst dat de ‘geopende deur (voor het Evangelie) onder de volken een nieuwe opening kan bieden aan een ongehoorzaam Israël’ (J. van Bruggen). Door Israëls ongehoorzaamheid kwam het Evangelie ook bij de heidenen. Echter, er is geen sprake van eenrichtingsverkeer. Door de gehoorzaamheid die de gelovigen uit de heidenen tonen aan het Evangelie, wordt het Joodse volk tot de barmhartigheid gebracht. Zo gezien sluit Romeinen 12 naadloos aan bij hoofdstuk 11. In hoofdstuk 12 gaat het immers om het levende en de heilige offer dat de gelovige brengt aan God. Dat is niet een leven in wereldgelijkvormigheid, maar een leven waarbij ons innerlijk zo (voortdurend) verandert, waarbij we gaan onderscheiden wat de wil van God is. Het verdient verder onze aandacht dat de apostel nadrukkelijk stelt dat God Israël onder de ongehoorzaamheid ‘opgesloten’ (HSV) heeft. Gode zij dank betreft het niet een eeuwige opsluiting (11:32). Ondertussen stelde Paulus in Romeinen 1:24 wel dat God de heídenen (op zeker moment) kan overgeven in de begeerten van hun hart. Dat is een aangrijpende constatering. Duidelijk is: van de gelovigen uit de heidenen wordt gehoorzaamheid gevraagd. Het staat zelfs in een zeker eschatalogisch perspectief. De gehoorzaamheid van hen zal Israël tot de zaligheid brengen.
NIEUWE GEHOORZAAMHEID
We keren terug naar de heilige doop en de vraag naar de nieuwe gehoorzaamheid. Het begrip nieuwe gehoorzaamheid komt letterlijk voor in ons klassieke doopformulier. In het avondmaalsformulier niet letterlijk, maar de zaak is er volop aan de orde. Wie de belijdenisgeschriften erop naslaat, komt het woord gehoorzaamheid (of gehoorzamen) regelmatig tegen. Een enkel voorbeeld ter illustratie. Antwoord 124 van de catechismus geeft als uitleg van de derde bede: ‘Dat is, geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn […]’. In antwoord 114 was reeds gesproken over een ‘klein beginsel dezer gehoorzaamheid, doch alzo dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven. De Dordtse Leerregels (DL. III/IV, par.11) beschrijven de bekering tot God als een proces waarbij iemand ‘die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig is, gehoorzaam wordt […]’ en even later (DL. III/ IV, par.16): ‘… alzo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses ten enenmale de overhand had, daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen […]’. Het is opvallend dat in de Dordtse Leerregels de woorden geloof en gehoorzaamheid bijna synoniemen zijn.
NIEUW GEBOD
Wanneer we ons beperken tot het begrip nieuwe gehoorzaamheid zoals ons doopformulier daarover spreekt, is het duidelijk dat de opsteller(s) van het formulier deze term regelrecht ontlenen aan Paulus. Meer specifiek: aan Romeinen 6, waar de apostel Paulus de consequenties van het nieuwe leven in Christus beschrijft. Meteen is duidelijk dat met de nieuwe gehoorzaamheid niet zozeer een ándere gehoorzaamheid wordt bedoeld dan die werd gevraagd van het volk Israël onder het oude verbond. Het nieuwe zit ’m in de ‘bijzondere belichting’ sinds Christus (J.G. Woelderink). Onder het nieuwe verbond gelden niet zozeer andere verplichtingen (uitgezonderd de ceremoniële wetten), want de eis van het verbond ‘God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf ’ blijft onverminderd gelden. Toch kan ook de Heere Jezus spreken van een ‘nieuw gebod’ (Joh.13:34) en heeft Paulus het in Romeinen 6 over het ‘nieuwe leven’ (Rom. 6:4). Nog eens Woelderink: ‘Maar wij mogen niet vergeten, dat al zulke nieuwe geboden tenslotte toch niet anders zijn dan de toepassing van het oude gebod der liefde in een nieuw verband.’ Verder meen ik Paulus goed te begrijpen wanneer we de nieuwe gehoorzaamheid duiden als de gehoorzaamheid aan Jezus Christus. Het nieuwe staat dan tegenover het oude, en dat (namelijk het oude) is de gehoorzaamheid aan de zonde (Rom.6:15-23). We zijn ofwel gehoorzaam aan (slaaf van) de zonde tot de dood, of we kennen een gehoorzaamheid tot gerechtigheid. Het overkoepelende thema is dan de oude mens tegenover de nieuwe mens (Rom.5).
VRIJ
Luther stelt in De vrijheid van een christenmens: Een christen is een zeer vrije heer over alle dingen, aan niemand onderworpen; een christen is een zeer dienstvaardige knecht van allen, onderworpen aan allen.
ACTIEF
Overigens valt er ten aanzien van de nieuwe gehoorzaamheid in het doopformulier nog een bijzonder detail te vermelden. In ons huidige (en dus sinds 1574 verkorte) doopformulier is precies de zin die handelt over de nieuwe gehoorzaamheid gewijzigd. In de oorspronkelijke tekst stond er: ‘Maar nadien dat in alle verbonden beide delen zich met elkaar verbinden (zich verplichten), zo beloven wij ook God de Vader, Zoon en Heilige Geest, dat wij door Zijn genade, Hem alleen voor ons (tot) enige, waarachtige en levende God houden, en bekennen willen, Hem alleen in onze nood aanroepen en als gehoorzame kinderen leven, gelijk deze nieuwe geboorte van ons eist …’ Opvallend dus dat er zich in ons huidige formulier een wijziging heeft voorgedaan. Het actieve (wij beloven […] als gehoorzame kinderen leven …) is pássief geworden (‘… worden wij door God door middel van de doop opgeroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid …’). Het zou een onderzoek waard zijn waarom bij de verkorting van het formulier (ook) deze wijziging werd aangebracht.
BREUK
Mijn stelling is dat de heilige doop ook een vraag, een appèl aan de christelijke gemeente is. Dat aspect wordt in het onverkorte doopformulier meer recht gedaan. Wat betekenen de woorden ‘nieuwe gehoorzaamheid’, ‘het ons van de wereld afkeren’, ‘onze oude natuur doden en in een nieuw godvrezend leven wandelen’ concreet voor ons en wat komt er van terecht? Bonhoeffer stelt dat wat in het Evangelie navolging of gehoorzaamheid heet, bij Paulus wordt samengevat in de doop. De doop is een breuk. Christus grijpt in de machtssfeer van de satan in en legt Zijn hand op de Zijnen, schept Zich Zijn gemeente. Het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden. ‘Wie gedoopt is, hoort niet meer aan de wereld toe, dient haar niet meer, is haar niet meer onderworpen.’
IDENTITEIT
Kohlbrugge stelt dat wij door de doop een onderdaan van onze Heer en Heiland zijn geworden, zodat we niet meer naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Verstaan we dat (nog)? De doop is geen jas die men naar believen uit- en aantrekt, maar maakt de identiteit uit. Ik bén gedoopt. ‘De doop is een daad voor ons hele leven’ (Kohlbrugge) en er is geen instelling die ‘zoozeer den geheelen levensweg van den mensch beheerscht’ (Wormser). Leeft de christelijke gemeente in het algemeen en de gedoopte in het bijzonder waardig aan de doop waardoor zij gedoopt is? Je kunt ook tot een oordeel zijn gedoopt.
Ds. C.H. Hogendoorn is hervormd predikant te Oud-Beijerland en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's