De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Benoemen is beheersen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Benoemen is beheersen

9 minuten leestijd

Wij zijn gesteld op onze goede naam. Die moeten de mensen niet aantasten. Dat raakt ons. In de wereld van de Bijbel is dat nog veel meer het geval. Wat is de betekenis van een naam in Israël? En wat heeft dat ons te zeggen?

Op zoek naar de betekenis van een naam in de Bijbel stuiten wij op een groot mysterie. Dingen hebben een naam, omdat zij zo worden benoemd. In de grammatica spreken we dan ook over zelfstandige naamwoorden. Op zoek naar het benoemen van de dingen in de Bijbel moet je terug naar dag één, de eerste scheppingsdag. Dan kom je uit bij God. ‘En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.’ (Gen.1:5)

GEGEVEN

Alleen op dag één, twee en drie geeft God namen aan dingen. Het licht noemt Hij dag, de duisternis nacht, het gewelf hemel, het droge aarde, en het samengevloeide water zeeën. Letterlijk: God roept naar het licht: ‘(jij bent) dag’. Op dag vier, vijf en zes doet Hij dat niet. Hij wacht om zo te zeggen op de komst van Adam. Dan zal Hij alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht bij hem brengen om te zien hoe hij ze noemen zou. ‘En zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.’ (Gen.2:19) Ze heten zo, want ze zijn zo. In hun naam ligt hun wezen opgesloten. Dat geven van namen doet Adam in naam van God. Ook mensen hebben een naam, omdat die naam hun wordt gegeven. God bouwt uit de rib die Hij uit Adam had genomen tijdens een diepe slaap een vrouw. Hij brengt haar naar Adam. Ook ‘ditmaal’ (in de betekenis van ‘zoals al die andere keren’) laat God het aan Adam over haar een naam te geven: ‘Deze zal Isja,Mannin, genoemd worden’. Letterlijk: tot haar zal geroepen worden ‘(jij bent) Mannin’ (Gen.2:23). Zij is de part-ner van Adam, een ‘part’ van hem, want zij is uit hem genomen.

EIGENNAAM

Ook isja is een naamwoord, het betekent ‘vrouw’. Maar hier is het meer. Hier is het een eigennaam. Het is echter niet de eerste eigennaam in de Bijbel. Dat is de Naam van God. Voordat Adam namen geeft, geeft God Zijn Naam. (Gen.2:4) Hij geeft Zichzelf. Vanaf het moment dat in de Schrift het licht van de schijnwerpers op mensen komt te staan, is God niet meer elohim maar YHWH elohim (je zegt dan adonay elohim omdat het uitspreken van de heilige Naam in Joodse oren klinkt als een godslastering). Meteen komt dan ook het verbond in zicht. ‘Onthoud dit voor eens en altijd’ (Kanttekening 7 hertaald). Dit is het grote mysterie. Mensen en dingen bij hun naam noemen behoort tot ons mens zijn en dat mens zijn berust op de betrokkenheid van God op ons mensen. Dat is Tora, ‘leer’, in Genesis 2. Dat wordt bezongen in de Psalmen.

MACHT

Psalm 8 is daarvan een voorbeeld. Daaruit wordt ook nog iets anders duidelijk. Wie namen mag geven aan dingen en mensen en daarmee hun wezen bepaalt, heeft over die dingen en mensen macht. Letterlijk staat er voor het geven van een naam ‘het roepen tot’ een ding of een levend wezen waardoor het is wat het is. In Genesis 1 krijgen de mensen dat opgedragen: ‘Laten zij heersen over de vissen van de zee, de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde…’ (vs.26). Wat Genesis 2 verhaalt, bezingt Psalm 8. Benoemen is beheersen, onder controle krijgen. ‘Uit de mond van zuigelingen en kleine kinderen grondvest U kracht.’ Een nagestameld ‘amen’ van zo’n kleintje bijvoorbeeld vóór of na het eten – daar kunnen de tegenstanders van God niet tegen op. Dan moeten de vijand en de wraakgierige stoppen (vs.3). Aan die grootheid van God mag je vasthouden in het geloof wat er ook gebeurt. In nachtelijke overpeinzingen (vers 4 spreekt over hemel, maan en sterren) voel je ook je eigen kleinheid. Toch ben je bijzonder. Je mag mens zijn en daarom verantwoordelijkheid dragen. God geeft je dat. Zo machtig is Zijn Naam over heel de aarde. Dat is het eerste en het laatste wat nu gezegd moet worden (vs.2,10). Dat was al Tora, ‘leer’, in Genesis 1: ‘laten zij heersen over… heel de aarde…’ (vs.26). Daaraan vooraf gaat de zin: ‘Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis’. De zinnen lopen parallel. Het is ‘WIJ’ en ‘zij’ in verbondenheid. Het heersen van ons mensen mag staan tussen het beeld van God en de Naam van de Heere. In het lijken op Hem mag je Zijn permanent betrokken zijn op ons beleven. ‘De sterveling … toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen.’ (Ps.8:4-7)

NAAR JERUZALEM

In de Hebreeuwse Bijbel staan de bijbelboeken in een andere volgorde dan in de onze. Het begin is hetzelfde: de Vijf boeken van Mozes, de Tora, de Wet. Maar aan het slot staan Ezra-Nehemia en 1 en 2 Kronieken. De Hebreeuwse Bijbel eindigt midden in een zin: ‘Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – de HEERE, zijn God, zij met hem en laat hij optrekken…’ (2 Kron.36:23 vergeleken met Ezra 1:3). Het Oude Testament telt vele, vele namen. Bij elke naam hoort een gezicht. Na de zondeval en de torenbouw van Babel zegt de HEERE tegen Abram: ‘Gaat u uit uw land… naar het land dat Ik u wijzen zal.’ (Gen.12:1) Het volk van God gaat op weg naar het land van belofte, naar de stad van God, want daar staat het huis van God. Het is vanaf het begin de opgang naar Jeruzalem. Onderweg wordt van alles beleefd, de uittocht uit Egypte en de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Het zijn de grote daden van de HEERE. Vooral in de boeken Genesis, Numeri, 1 Kronieken en Ezra-Nehemia staan honderden namen. Het zijn geen losse individuen maar het zijn de twaalf stammen, het zijn families, en daar is het geslacht van David. Er vallen er af, want het is niet alles Israël wat Israël genoemd wordt. Er worden er ook in Israël ingelijfd, zij mogen de namen van Sions kinderen dragen (Ps.87). Het boek Ruth zal later gelezen worden op het Pinksterfeest.

DE HEILIGE NAAM

Bijzonder in dit verband is het boek Exodus. Het begint met de woorden ‘Dit nu zijn de namen’. Dat is dan ook de titel van dit boek in de Hebreeuwse Bijbel. Het zijn ‘de namen van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte waren gekomen. Ieder kwam er met zijn gezin’. Maar alles draait in dit bijbelboek om de openbaring van Gods heilige Naam in hoofdstuk 3. De HEERE verschijnt aan Mozes bij de Horeb in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. ‘Ik ben afgedaald (HSV: neergekomen) om het volk te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, naar een land dat overvloeit van melk en honing.’ De Exodus is er om het opgaan naar het land van belofte en uiteindelijk om de opgang naar Jeruzalem. De ‘afdaling’ van God leidt uiteindelijk tot de ‘opgang’ naar Jeruzalem. Om die boodschap over te kunnen brengen aan het volk vraagt Mozes de HEERE naar Zijn Naam. Zeg hun dan: ‘IK BEN DIE IK BEN’ (Ex.3:14a). Nu kan Israël zijn ‘pelgrimsliederen’ zingen, letterlijk ‘de liederen van de opgang’ (Ps.120-134). ‘Hef uw handen op naar het heiligdom.’ (Ps.134:2) De Naam van God drukt Zijn Wezen uit. God is Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid. God heeft geen mensen nodig om God te zijn. Wij mensen hebben wel God nodig om mens te zijn. Hij is in Zichzelf volmaakt. Toch openbaart Hij Zich in Zijn welbehagen. Mozes hoort Zijn stem. Tegelijk is Hij de verborgen God: Hij is er zoals Hij er is. God is heilig. Hij schept afstand. Hij zegt tegen Mozes: ‘Kom hier niet dichterbij. Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.’ (Ex.3:5) Tegelijk is Hij o zo nabij. Want IK BEN heeft ook de betekenis van ‘Ik ben met u’. Zeg ook dat tegen Israël: ‘IK BEN heeft mij naar u toegezonden. (Ex.3:14b) Zijn Wezen is ook aan-wezig-heid. Dit alles zegt Hij als Hij Zijn Naam zegt: ‘Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.’

DE ZOON

God openbaart Zich in Zijn Zoon. De Heere Jezus neemt het ‘IK BEN’-woord over en tegelijk wordt het in Hem vlees en bloed. Die ‘Ik ben’-woorden van de Heiland vinden we in het Evangelie van Johannes. De Heere Jezus is in ons midden als het Brood des levens, het Licht der wereld, de Deur, de Goede Herder, de Opstanding en het Leven, de Weg, de Waarheid en het Leven, de ware Wijnstok. Zo is Hij met ons op weg naar het land van belofte en gaat Hij ons voor. Hij zorgt voor brood, want Hij geeft Zichzelf. Hij is de Goede Herder, want Hij geeft Zijn leven voor de schapen. Hij alleen, want Hij is de Deur. We zullen onderweg niet omkomen, want Hij is de Opstanding en het Leven. Daar kun je op aan, want Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Onderweg heb je al iets van thuis, het paradijs: ‘Ik ben de wijnstok, u de ranken’. In dit laatste ‘Ik ben’- woord van Jezus krijgen ook wij een plaats. De opgang van Jeruzalem wordt concreet in het leven van elke dag, de verheerlijking van de Vader.

EEN NIEUWE NAAM

n het geloof word je burger van het Koninkrijk van God. Je krijgt ook een nieuwe naam. Daarvan zijn vele voorbeelden te vinden in de Bijbel. Een heel bijzondere plaats neemt daarbij in wat Christus zegt tegen de gemeente van Pergamus: ‘Aan wie overwint, zal Ik van het verborgen manna te eten geven, en Ik zal hem een witte steen geven met op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt.’ (Openb.2:17) Het was in die tijd gebruik dat een zwarte steen werd gegeven aan wie in een proces werd veroordeeld, en een witte steen aan wie werd vrijgesproken. Wie echt gelooft, dat is, wie vasthoudt aan Mijn Naam – zegt Christus – wordt gerechtvaardigd. Je krijgt een witte steen! Maar wat is dan die nieuwe naam die niemand kent dan wie hem ontvangt? Christus. Maar die naam kent toch iedereen? Ja. Maar het gaat hier om de vraag of we de Heere Jezus persoonlijk mogen kennen. Niet of dat met anderen zo is, maar met mij: ‘Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij’.

Ds. H.J. de Bie uit Huizen is emeritus predikant.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 2014

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Benoemen is beheersen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 2014

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's