Vreemdelingschap
Studie over hoe christenen de eeuwen door in de wereld staan
Als theologische categorie wordt de vreemdelingschap niet alleen gekleurd door eschatologische gerichtheid, maar ook door beleving van anders zijn, in welke vorm dan ook, van aanvechting tot bedreiging. Dat zegt dr. J.D.Th. Wassenaar.
De predikant van de protestantse gemeente Hellendoorn en redactielid van HW/Confessioneel schrijft het in het ‘Ten geleide’ van zijn boek Vreemdelingschap. Historische en hedendaagse stemmen uit kerk en theologie. Wat het ene aspect betreft, het toekomstkarakter van de vreemdelingschap, verwijst hij naar het bekende lied ‘Nooit kan ’t geloof te veel verwachten’, waarvan de slotzin luidt: ‘Daar is de vreemdelingschap vergeten en wij, wij zijn in ’t vaderland’. Daar: dat is de eeuwige zaligheid.
Al enkele keren gaf ik in de rubriek ‘Globaal bekeken’ van De Waarheidsvriend aandacht aan de verschijning van dit boek, onder andere door te citeren uit de lezingen van prof.dr. C. van de Kooi en prof.dr. F.A. van Lieburg bij de presentatie van het boek in Hellendoorn.
IETS DUBBELS
In een ‘Woord vooraf ’ bij dit boek zegt prof.dr. A. van de Beek dat ‘de meest fundamentele relatie van christenen is met Iemand die hier niet is’. Daarbij verwijst hij naar de liturgie bij het avondmaal: ‘Laten we onze harten opwaarts (in de hemel) verheffen, waar Christus is aan de rechterhand van de Vader.’ Christenen hebben iets dubbels in hun leven, zegt hij. Thuis in de hemel en anders in de wereld, hoewel daar in hun verantwoordelijkheden voor het alledaagse leven. Wassenaar wandelt in zijn fraaie boek de geschiedenis door en staat stil bij bewegingen en personen met betrekking tot de beoefening van de vreemdelingschap, zowel in genoemde dubbelheid van betekenis alsook ook in een bonte verscheidenheid van beoefening. Ik geef slechts een doorkijkje in dit open, veelkleurige boek, waarin de auteur vooral een luisterhouding aanneemt.
STEMMEN
Eerst komen de stemmen uit de Schrift aan de orde, met vooral de apostel Petrus als getuige. Twee citaten: ‘Door welke sociologische bril men 1 Petrus ook wil bekijken, van een maatschappijkritische instelling in de hedendaagse zin geeft de schrijver geen blijk.’ En: ‘Haat jegens de wereld is geen kenmerk van de christelijke leefwijze.’
Dan volgt een zeer gevarieerd hoofdstuk over de Vroege Kerk. Een paragraaf daarin draagt als titel ‘Zwervers om Christus’ wil’, in navolging van Christus die onder meer zwerver was (Matt.8: 20).
Een andere paragraaf heeft als opschrift ‘De vreemdelingschap vergeten’. Dit omdat onder keizer Constantijn het christendom een ‘geoorloofde religie’ werd. Hoewel de vreemdelingschap niet werd afgeschaft, leidde die ommekeer in de positie van de christenen wel tot verzwakking ervan, op den duur zelfs tot ‘machtswellust’.
Dat betekende, schreef de remonstrantse theoloog G.J. Heering (1879-1955), ‘de zondeval van het christendom’. Maar H. Berkhof (1914-1995) duidde in zijn dissertatie deze Wende als het ontwaken van een theocratisch besef. In de staat is dat, zei hij, ‘de beste waarborg voor handhaving van het besef van vreemdelingschap’.
AUGUSTINUS
Augustinus krijgt een apart hoofdstuk, waarin de bekende discussie over de vraag of de christen in de wereld alleen mag gebruiken (uti) of ook genieten (frui). De goeden gebruiken volgens Augustinus de wereld ‘om God te genieten’, de slechten gebruiken God ‘om de wereld te genieten’. Wassenaar betrekt hierbij de visie van dr. A. de Reuver in zijn boekje Verlangen naar het Vaderland, waarin hij Augustinus positioneert als ‘een gids en lokstem naar de eeuwigheid’. Terwijl dr. J.A. van den Berg in zijn Reizen met Augustinus het ‘pelgrimsleven nu’ benadrukt, gericht op levensheiliging.
Dit hoofdstuk eindigt met een kritische noot van de hoogleraar christelijke ethiek G.G. de Kruijf (1952-2013) tegenover de hervormde theoloog A.A. van Ruler (1908-1970), die wilde breken met de onderscheiding van ‘gebruiken’ en ‘genieten’. ‘Het aardse leven is realisering van de glorie van God’, zegt Van Ruler en dus, vraagt De Kruijf, ‘het enige en het eigenlijke’? Een christen geniet niet ‘tot op de bodem’, zegt De Kruijf. Het beste komt nog.
REFORMATIE EN PIËTISME
Dan volgen de Middeleeuwen, met kloosterleven, kluizenarij, kruistochten, Moderne Devotie en de ‘navolging van Calvijn krijgt een uitvoerig hoofdstuk met zijn overdenking van het toekomende leven maar ook met zijn polemieken met de dopersenChristus’ (Thomas a Kempis).
Calvijn krijgt een uitvoerig hoofdstuk met zijn overdenking van het toekomende leven maar ook met zijn polemieken met de dopersen en hun ‘wereldmijding’, terwijl ook de antithese (tegenstelling van kerk en wereld) bij hem niet onbenoemd blijft. Zijn invalshoek ten aanzien van de strijd met de dopers over zicht op de kerk verwoordt hij als volgt: ‘Zolang Woord en sacramenten in een onvolmaakte kerk zuiver bediend worden, moet men zich daarvan niet afscheiden. Wel is tucht nodig. Maar een manco daarin mag niet tot een schisma leiden.’ In het volgende hoofdstuk over ‘puritanisme en piëtisme’ wordt het puritanisme ‘de bakermat van de gereformeerde emigrant genoemd’. Hier komen pilgrimfathers, John Bunyan (‘De pelgrimsstaf is in mijn hand’) en vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, allen in hun vreemdelingschap voor het voetlicht.
Verder krijgen twintigste-eeuwse theologen als O. Noordmans – Wassenaar kent hem als geen ander –, J. Koopmans, K. Schilder en A. van de Beek het volle pond in een paragraaf ‘Onder theologen’.
BEVINDELIJK GEREFORMEERD
Ik gebruik de resterende ruimte voor enkele momenten in een hoofdstuk waarin bevindelijk gereformeerden voor het voetlicht komen. Bevinding is niet te definiëren, het is geen ‘locus in de dogmatiek’ placht ds. W.L. Tukker te zeggen. Wassenaar start met het boek De zwarte-kousenkerk van Anne van der Meijden, later heruitgegeven onder de titel Welzalig is het volk.
Verder moet hij volstaan met hoofdzakelijk uitwendige, sociologische gegevens zoals dr. J.P. Zwemer en dr. C.S.L. Janse hebben gedaan. Opmerkelijk is een citaat uit een publicatie van J.D. Snel: ‘Als je nagaat waar bekende voorlieden van de Nadere Reformatie in de zeventiende eeuw optraden, dan valt geen enkele overeenkomst met de huidige Refoband (Biblebelt, v.d.G) op’. En F.A. van Lieburg zegt: ‘De hedendaagse refocultuur is niet zomaar een overblijfsel van de Nadere Reformatie…’ Maar de bevindelijke stroming van vandaag wordt in haar ‘persistentie en assimilatie’ (C.S.L. Janse) sociologisch adequaat beschreven.
HERVORMD-GEREFORMEERD
In dit verband krijgen ook de hervormd- gereformeerden een plek in dit boek. Het is niet alleen vanwege de plaats die ik er zelf in heb gekregen en ook niet vanwege de beknopte behandeling (‘schrijven is schrappen’, zei Bomans) dat ik deze paragraaf onbevredigend acht.
In de lokalisering van de ‘bevindelijk gereformeerden’ beperkte Wassenaar zich wat de hervormdgereformeerden betreft tot het Gekookte Riet, de stroming die grosso modo trouwens in de Hersteld Hervormde Kerk terechtkwam en zich toen ophief.
In de paragraaf over de hervormdgereformeerden sec beperkt Wassenaar zich echter tot wie hij noemt ‘open’ hervormd-gereformeerden: A. Noordegraaf, W. Dekker, T. van de Lagemaat en tot bladen als Wapenveld en Kontekstueel. Hij zegt: ‘Anders dan de meeste leden van deze bevolkingsgroep kiezen ze voor een houding van openheid jegens anderen.’ En hij concludeert dan ten slotte dat vreemdelingschap onder hervormd- gereformeerden niet ‘een beheersend gezichtspunt’ is.
BREDER
Hier ontbreekt een bredere oriëntatie op de hervormd-gereformeerde kring, waarin vanouds werd gesproken over Schriftuurlijk- bevindelijk, voorwerpelijkonderwerpelijk, ‘religie van de belijdenis’ (J. Severijn). Als ik me tot het recente verleden beperk, zouden ook namen hebben kunnen vallen van vroegere leidinggevende theologen als I. Kievit, L. Kievit, G. Boer, J. van Sliedregt, L. Vroegindeweij, onderling verschillend maar in hun spiritualiteit bepaald ook gericht op de vreemdelingschap. Men leze de preken van G. Boer over Hebreeën 11.
Het is ongetwijfeld waar dat hervormd- gereformeerden zich grosso modo hebben onderscheiden van de door Janse sociologisch aangeduide bevindelijken, maar hun geloof wortelde dieper dan in de grijze cellen. ‘Wij geloven met het hart en belijden met de mond’ (NGB).
Wassenaar gaat ook in op een artikel van mijn hand onder de titel ‘Het bankroet van de apostolaatstheologie’. Die stelling valt hij niet helemaal bij. Ik bedoelde niet dat de apostolaatsgedachte in 1951 op zich van onwaarde was, maar dat ze ontspoorde in een horizontale (bevrijdings)theologie. Wassenaar beaamt intussen wel dat de eigen identiteit van de kerk toen onder druk kwam te staan. Hier staan we niet zo ver van elkaar af.
POLITIEK
Graag zou ik nog zijn ingegaan op het hoofdstuk over ‘vreemdelingschap en politiek in een democratisch bestel’. In de allerlaatste alinea van zijn boek schrijft Wassenaar dat ‘theocratische idealen niet met de vreemdelingschap te verenigen zijn’. Het is maar wat men onder theocratische idealen verstaat. Daarover zou ik wel met Wassenaar verder willen praten.
Wassenaar schreef in elk geval een hoogwaardig boek, leerzaam en boeiend. Ik wens het een goede gang door de boekhandel.
N.a.v. dr. J.D.Th. Wassenaar, ‘Vreemdelingschap. Historische en hedendaagse stemmen uit kerk en theologie’; uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 366 blz.; € 22,50.
Dr. ir. J. van der Graaf uit Huizen is oud-algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's