De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

6 minuten leestijd

Herman Westerink
Verlangen en vertwijfeling. Melancholie en predestinatie in de vroege moderniteit.
Uitg. Sjibbolet, Amsterdam; 220 blz.; € 22,50.

In de geschriften van Luther maar vooral van protestantse stichtelijke schrijvers na de Reformatie komen donkere thema’s aan de orde, zoals geestelijke strijd en verlatenheid. Dit laatste aspect verscheen op een aangrijpende manier in het verhaal over Franciscus Spira (1502-1548), de Italiaanse advocaat die na de verloochening van zijn protestantse overtuiging meende dat hij door God was verlaten en voor eeuwig verloren. In zijn boeiende studie Verlangen en vertwijfeling. Melancholie en predestinatie in de vroege moderniteit vraagt Herman Westerink, universitair docent godsdienstfilosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zich af waar die aandacht voor donkerheid vandaan komt.
De vroegmoderne tijd wordt allereerst sterk bepaald door onzekerheid als gevolg van ingrijpende ontwikkelingen op maatschappelijk en vooral op godsdienstig terrein, zoals van de Reformatie die de situatie van de westerse christenheid ingrijpend verandert. Deze periode wordt ook gekenmerkt door zondebesef, dat een andere toespitsing in rooms-katholieke dan in protestantse kring heeft. In het katholieke besef gaat het om schuld die wordt opgesplitst in afzonderlijke zonden. Onder protestanten gaat het veel meer om de beleving van de radicale breuk met God als gevolg van de zonde. Veel sterker dan katholieken stellen protestanten dat de natuurlijke mens niet is gericht op God. Is de nadruk op schuldbesef de reden dat er regelmatig aandacht is voor een notie als geestelijke verlatenheid?
Toch leert de Reformatie ook een veel radicalere opvatting van Gods genade. De ondergrond van deze leer is Gods predestinatie, die niet alleen opkwam uit de behoefte aan ultieme zekerheid, zoals Westerink stelt, maar vooral ook uit het verlangen om het geheim van Gods genade te onderstrepen. Westerink vraagt zich af of deze leer van de predestinatie dan de oorzaak is van donkere geestelijke ervaringen en geeft een tweeledig antwoord. Aan de ene kant bood de predestinatie zekerheid, maar tegelijk kon deze leer ook tot geestelijke problemen leiden. Dat laatste is vaker gesteld, maar onzekerheid en vertwijfeling kwamen vaker voort uit het al genoemde schuldbesef en de vrees voor de toekomstige verlorenheid dan uit angst voor de verwerping van eeuwigheid.
De auteur gaat overigens nauwelijks in op de toenemende aandacht voor de geestelijke ervaring, waardoor juist een thema als verlatenheid eigen spanningsvelden opriep. Wanneer bevestigde een ervaring Gods handelen en wanneer stond ze haaks erop? En er was de veel voorkomende neerslachtigheid of melancholie. Is het niet zo dat juist de categorie neerslachtige gelovigen vatbaar was voor gedachten van verlatenheid en verwerping, zoals in extreme vorm bij Spira?
Engelse puriteinen en Nederlandse stichtelijke schrijvers brachten de moeite van neerslachtige gelovigen regelmatig naar voren. Zij maakten onderscheid tussen geestelijke neerslachtigheid, die uit schuldbesef voortkwam en voorbereidde op de verwondering over de verlossing, en natuurlijke somberheid. Terwijl ze voor de natuurlijke melancholie verwezen naar de arts, probeerden ze geestelijke melancholie pastoraal te begeleiden. Ze wezen daarbij op noties als Gods voorzienigheid, schuldbelijdenis, vertrouwen op Gods belofte en het verlangen van het hart als onmiskenbaar bewijs van Gods werk.
Westerinks benadering van geestelijke verlatenheid is sterk gekleurd vanuit de psychoanalyse en hij verwerkt daarbij inzichten van vooral Sigmund Freud (1856-1939). Hij erkent weliswaar dat deze benadering slechts een beperkte bijdrage kan leveren, maar toch blijft het mijns inziens lastig een godsdienstpsychologische insteek uit later tijd te gebruiken voor de bespreking van bronnen uit een vroegere periode. Ik noem een voorbeeld. Terwijl zeventiende-eeuwse geschriften wijzen op het verlangen van het hart als het bewijs van Gods genade, stelt Westerink via Freud dat er sprake is van het diepgewortelde menselijke ‘verlangen naar wat verloren is gegaan’. Zo wordt een geestelijk verwoord gebeuren verklaard uit een psychologische aanleg. Westerinks studie had aan kracht gewonnen als hij de thematiek van geestelijke verlatenheid vooral had geanalyseerd in theologisch perspectief, zoals de pastorale auteurs van zijn onderzoek deden.
R.W. DE KOEIJER, BILTHOVEN


Ewout Klei en Remco van Mulligen
Van God los. Het einde van de christelijke politiek?
Nieuw Amsterdam uitgevers; 240 blz.; € 21,95.

Met de bundeling van twaalf essays over met name de positie van CDA, CU en SGP hopen Klei en Van Mulligen een ‘frisse en genuanceerde bijdrage te leveren aan het debat over de rol van religie in de politiek van Nederland’. Ooit waren ze samen betrokken bij de Christen Unie-jongeren, later gingen hun wegen uiteen. Klei werd actief binnen D66, Van Mulligen was tot 2003 lid van de SP en is nu als rooms-katholiek lid van de Christen- Unie. Ze vinden elkaar in de afkeer van dogmatisch denken en automatismen.
De auteurs schromen niet om stelling te nemen. Zo betogen ze dat homo-emancipatie in de praktijk vooral een strijd tegen de christelijke moraal is, dat D66 zich niet kenmerkt door een antichristelijke houding maar haar bestaan wel dankt aan het verzet tegen christelijke partijen, dat de christelijke partijen zelf mede schuldig waren aan de polarisatie die het gevolg was van seculier kabinetsbeleid, bij voorbeeld doordat CU-senator Schuurman euthanasie in Nederland vergeleek met de euthanasiepraktijk van nazi- Duitsland. Tegelijk zoomen ze in op hoe de seculiere partijen naar de kleine christelijke fracties kijken, namelijk als broeinesten van religieuze onverdraagzaamheid. Voor een vruchtbaar debat bepleiten ze daarom zelfbeheersing, waarbij christenen en moslims niet meer als achterlijke barbaren gekarakteriseerd worden. ‘Een gesprek met de ander is vaak heilzamer dan een vlammend opiniestuk.’ In hun opstellen laten de auteurs zien dat een partij als Groen- Links vrijwel geheel geseculariseerd is, dat bij het CDA de christelijke inspiratie steeds indirecter geworden is, dat homoseksualiteit een thema is dat de ChristenUnie blijft vrezen, hoe de paarse kabinetten binnen de SGP voor een cultuuromslag zorgden. Klei en Van Mulligen adviseren christenen om zo snel mogelijk te wennen aan hun minderheidsstatus in plaats van te blijven haken in het claimen van oude rechten. De machtspositie van de christelijke partijen is met de afkalving en onduidelijke koers van het CDA immers definitief passé. Toekomst zien zij slechts voor ‘vooruitstrevende christelijke politiek, niet gebonden aan een christelijke partij, omdat er geen christelijke partij nodig is om beleid te voeren waarin christelijke moraal leidend is’. De auteurs vinden het heilzaam dat er minder dan drie christelijke politieke partijen komen, omdat de basis van het christendom niet in politieke macht ligt, maar in een rol als underdog. Christenen zouden zich moeten onderscheiden door een alternatief te bieden voor de onverschilligheid in de samenleving, ‘een taak waar ze traditioneel goed in zijn’.
Na ruim 200 bladzijden kom ik bij deze flinterdunne inspiratie voor een christenpoliticus. Geen geboden van God als norm, zelfs geen Bergrede als inspiratiebron maar de onverschilligheid keren – als Arie Slob mijn naam was, of Kees van der Staaij of Buma, ik zou snel wat anders gaan doen. En toch, Van God los is de moeite waard om te lezen, omdat het onbevangen kijkt maar profiel en optreden van christelijke politieke partijen en de wijze waarop seculiere partijen hen bejegenen.
P.J. VERGUNST

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's