Ad den Besten (1923-2015)
Levenslang had Ad den Besten liefde voor de poëzie. Hij zette een poëziereeks op, hij vertaalde Duitse poëzie én leverde een bijdrage aan de Nieuwe Psalmberijming en het Liedboek voor de kerken.
Ook de laatste van de groep van vijf is niet meer…
Ik doel op de dichters die het leeuwendeel voor hun rekening hebben genomen van de Nieuwe Psalmberijming (1968) en het ‘Liedboek voor de kerken’ (1973): W. Barnard, K. Heeroma, J.W. Schulte Nordholt, Jan Wit. De vijfde is Ad den Besten, die de anderen allemaal overleefde.
Op 31 maart overleed hij op hoge leeftijd, na een leven vol activiteiten als redacteur, dichter, vertaler, essayist en germanist. Zijn laatste jaren werden helaas gekenmerkt door geestelijke aftakeling vanwege de ziekte van Alzheimer. Hij werd 92 jaar.
UITGEVER
Ad den Besten werd geboren in 1923. Op het Utrechtse christelijk gymnasium ontwaakte, dankzij een inspirerende lerares Duits, zijn liefde voor poëzie. Een levenslange liefde! Toch koos hij na zijn gymnasiumopleiding aanvankelijk niet voor een letterenstudie, maar voor theologie. Die gaf hij na enige tijd op; vervolgens kwam hij in de uitgeverij terecht. Zijn liefde voor poëzie – zowel Nederlands als Duits – kon hij daar in praktische zin gestalte geven: het redigeren en uitgeven van dichtbundels. Bij Uitgeversmaatschappij Holland kreeg hij kort na de oorlog de kans een poëziereeks op te zetten onder de naam De Windroos en vervolgens bij uitgeverij Bosch & Keuning de reeks Seismogram. Jonge, veelbelovende dichters bood hij de mogelijkheid hun gedichten te publiceren: zowel niet-christelijke dichters als Rodenko, Hanlo en Kouwenaar – wel de Vijftigers genoemd – als dichters met een christelijke achtergrond en levensbeschouwing, onder wie Guillaume van der Graft, Willem van der Molen en Jan Willem Schulte Nordholt.
Die scribentenkeuze illustreert helder Den Bestens levenshouding: een christelijke levensovertuiging, maar geen hokjesgeest. Het ging hem om goede en oorspronkelijke poëzie. Beide reeksen hebben in de eerste naoorlogse decennia een belangrijke functie gehad.
GERMANIST
Den Besten bleef geboeid door de (Oost-)Duitse letteren. Hij koos alsnog voor de studie Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1967 zijn doctoraalexamen aflegde. Daarna werd hij benoemd als wetenschappelijk medewerker aan het Duits Seminarium aldaar. De Duitse dichters Hölderlin en Rilke hadden zijn grote voorkeur. Het dichtwerk van de eerste heeft hij vertaald en toegelicht, een editie die werd bekroond met de Martinus Nijhoffprijs.
WILHELMUS
De germanist Den Besten promoveerde in 1983, enigszins verrassend, op een onderwerp uit de Nederlandse letterkunde: het Wilhelmus. Hij probeerde aan te tonen dat Marnix van Sint Aldegonde de dichter is, een tot mislukken gedoemde poging, omdat exacte gegevens ontbreken.
DICHTER-VERTALER
Zijn kennis van de Duitse taal- en letterkunde heeft hij zeer productief gemaakt als vertaler van geestelijke liederen. Poëzie uit een vreemde taal overzetten in Nederlandse poëzie van niveau is een uiterst ingewikkelde opgave. Den Besten bezat daarvoor de juiste combinatie: hij was zowel dichter als germanist.
Zijn bijdrage aan de Nieuwe Psalmberijming is aanzienlijk en dat geldt nog meer voor de afdeling Gezangen in het Liedboek: bijna negentig liederen. Het betreft liederen, al of niet vrij bewerkt, van onder anderen Gerhard Tersteegen en vooral van zijn favoriete lieddichters Paul Gerhardt en Maarten Luther. Als vertaler van het Duitse lied heeft hij grote verdiensten.
In 1998 verscheen van Den Besten de bundel Poëzie om te zingen. Daarin vinden we zo’n 150 (!) vertalingen van liederen uit het Duits, met opnieuw een flink aantal van Luther en Gerhardt. Een duidelijk teken van de voorkeur van Den Besten: oprechte vroomheid, vroomheid in het dagelijks leven, verlangen naar een levende band met God de Vader en met Jezus Christus.
Zo bijvoorbeeld de volgende regels, een gebed om erbarmen, naar Maarten Luther:
Zie uit uw hemel op ons neer,
o God, en heb erbarmen:
uw heil’gen zijn niet vele meer,
verlaten zijn wij armen.
Of deze regels, een vertaling van de zestiende- eeuwse dichter Adam Reusner:
Toen God de aarde schiep,
was ’t donker grondloos diep,
maar Hij met groot gezag
kliefde het, en ’t was dag.
Christus, ons licht, ach blijf
toch bij ons en verdrijf
het rijk der duisternis
nu de zon onder is.
Dit ervaren we steeds bij Den Besten: geen verlangen om afgesloten in een hoekje te zitten, maar met een diep besef dat het in dit leven gaat om een levende band met God, met Christus als het enige ‘licht’ in de ‘duisternis’.
J. DE GIER, EDE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's