Open en kwetsbaar leven
Leerzame boodschap voor christen in seculariserende tijd
Tijdens zware luchtaanvallen, toen de ramen van zijn vertrek door een landmijn sprongen en de inhoud van kasten en planken op de grond viel, stond Bonhoeffer in zijn gevangenis doodsangsten uit. Maar deze gebeurtenissen, schreef hij, brachten me eenvoudigweg tot gebed en tot de Bijbel.
Langs die weg ontving hij een diep vertrouwen op de alomvattende macht van Jezus Christus. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een notitie die hij al op Hemelvaartsdag 1943 maakte: ‘Vandaag is het Hemelvaartsdag, een dag van grote vreugde voor allen die het geloven kunnen dat Christus de wereld en ons leven regeert.’ Het was deze wetenschap van het geloof die hem tot op de dag zijn aangrijpende levenseinde zo’n opvallende rust en kracht gaf.
VERNEDERING
Toch is het niet zozeer de verhoging maar juist de vernedering van Christus die gedurende Bonhoeffers gevangenschap steeds meer op de voorgrond komt te staan. Dat is gezien zijn benarde situatie ook niet vreemd.
Het citaat dat bij dit artikel staat, is afkomstig uit een brief die Bonhoeffer op 18 juli 1944 vanuit de gevangenis in Tegel schreef aan zijn vriend Eberhard Bethge. Zijn schrijven staat in het kader van een overdenking over het lijden van Christus in de hof van Gethsémané.
Wanneer Bonhoeffer schrijft dat ‘de mens wordt geroepen om het lijden van God aan de godloze wereld mee te lijden’, denkt hij aan de woorden van de Heiland aan Petrus: ‘Kon u dan niet één uur met Mij waken?’ (Matt.26:40). Het raakt Bonhoeffer dat deze vraag van Christus onze normale godsdienstigheid op z’n kop zet. Het is immers normaal dat een mens in tijden van zwakheid en nood God om hulp vraagt. Als we het zelf niet meer redden, kunnen we altijd nog bidden.
Hier gebeurt echter precies het omgekeerde: Christus, Die God Zelf is in het menselijke vlees, vraagt óns om hulp. Hij vraagt Zijn leerlingen immers om naast Hem te staan in Zijn lijden. En Hij meent het.
MEE LIJDEN
Gereformeerde christenen zijn snel geneigd hierbij aan te tekenen dat Christus dat deed ‘naar Zijn menselijke natuur’. Maar Bonhoeffer was luthers, en Luther en de zijnen benadrukten sterk de eenheid van Christus’ twee naturen. Zodoende kan Bonhoeffer dit woord uit Mattheüs 26:40 ook op de goddelijke natuur van Christus betrekken, en daarmee op God Zelf.
Waar een gereformeerd christen vrijmoedig over het lijden van Christus spreekt, maar niet zo gauw over ‘het lijden van God’, trekt men in de lutherse traditie de lijn van het een naar het ander gemakkelijker door. Christus was immers ook God, zo redeneert men.
Dus het lijden en de machteloosheid van Christus in Gethsémané laten iets zien van hoe God is.
Vandaar Bonhoeffers uitroep: ‘De mens wordt (namelijk hier, door Christus in Gethsémané) opgeroepen Góds lijden mee te lijden’, en wel ‘in een godloze wereld’, dus een wereld die van God niet weten wil en geen flauw benul heeft van wie Hij is.
ACTUEEL
Bonhoeffer overweegt dat dit woord voor zijn eigen tijd wel eens heel actueel zou kunnen zijn. Had het brute onbegrip van de soldaten die Jezus gevangen namen en doodden in Bonhoeffers tijd immers niet breed om zich heen gegrepen? Maar in zo’n wereld leven we, aldus Bonhoeffer. We moeten dat niet mooier maken dan het is. De christen ‘moet dus in de godloze wereld leven en mag geen poging doen om haar zonder-god-zijn op een of andere manier religieus toe te dekken of te verklaren’.
Het religieus toedekken of verklaren van het zonder-god-zijn van de wereld gebeurt bijvoorbeeld wanneer wij in het heidendom toch een soort aanknopingspunt voor of opstapje tot het ware geloof zouden zoeken.
Heidenen kunnen op hun manier immers zeer godsdienstige mensen zijn. De soldaten die Jezus gevangen namen, waren vast ook gewend tot hun goden te bidden. Hitler geloofde zelfs in de voorzienigheid! Men zou kunnen menen dat ze zo bezien al een mooi eind op weg waren. Maar ondertussen slaan ze in hun onbegrip en blinde woede wel de hand aan de Zoon en aan het volk van God.
DIENSTBAAR
Bonhoeffer zet in de brief waaruit deze woorden stammen de christen dan ook lijnrecht tegenover de godsdienstige heiden. Die heiden kan van alles verlangen van zijn god of goden. Hij kan ook van alles worden met zijn godsdienstigheid. Hij kan zich bijvoorbeeld afsluiten van de wereld in zelfvoldane vroomheid.
In het christendom verlangt God juist van de mens om ‘wereldlijk’ te leven. Dat betekent: open en kwetsbaar in een wereld die van God niet wil weten. En dan zonder zich heimelijk boven anderen te verheffen vanwege het eigen gelovig-zijn, maar juist in volstrekte dienstbaarheid.
Bonhoeffer zag die zelfverheffing op verschillende manieren op de loer liggen. Bijvoorbeeld waar men zich als heilig(er) beschouwt – van huis uit de rooms-katholieke valkuil. Maar ook waar men zichzelf juist als een (al dan niet diep ingeleid) zondaar beschouwt – de protestantse valkuil. Zo is men eigenlijk nog steeds met zichzelf bezig. En dat is nu juist het kenmerk van het heidendom.
NAAST CHRISTUS
Christen-zijn betekent daartegenover dat we ons afkeren van onszelf, onze eigen noden, problemen, zonden en angsten en ons omkeren naar Christus. Dat is de ware bekering, aldus Bonhoeffer. En die brengt ons naast Christus in Zijn lijden aan deze wereld. De christen ‘moet wereldlijk leven en neemt juist op die manier deel aan het lijden van God’.
De bekering brengt ons dus niet in een isolement, maar juist midden in de wereld. Want Christus begaf Zich midden in de wereld – en Hij deed dat omwille van die wereld. Met het oog op haar heil. Ook al had die wereld daar geen flauw benul van. Daarin ging Christus ons voor.
Juist in onze kille wereld mogen wij Hem navolgen door er te ‘zijn voor anderen’. Niet de religieuze daad maakt iemand tot christen – bidden en offeren doen heidenen immers ook – maar de bereidheid om te delen in Christus’ lijden en machteloosheid.
EENZIJDIG
Tot zover deze toelichting bij Bonhoeffers woorden. Laten we ze niet verabsoluteren. Dat wilde Bonhoeffer zelf nadrukkelijk niet – hij schreef ze niet ter publicatie maar om zijn gedachten te vormen. Hij had ze later nog graag nader willen uitwerken en misschien ook wel nuanceren.
Zo zonder enig verband zijn het vreemde woorden. Het zijn ook kwetsbare woorden, die mede de weg gebaand hebben naar een horizontalistische theologie, ook al beriepen de voorstanders daarvan zich ten onrechte op Bonhoeffer. Het zijn ook eenzijdige woorden.
Bonhoeffer spreekt hier vanuit Gethsémané weliswaar over Gods machteloosheid, Hij geloofde tegelijkertijd heilig in Gods alomvattende macht. En zijn pleidooi voor een wereldlijk leven waarin we ‘er zijn voor anderen’, stond niet los van een zeer hoge waardering voor onderlinge christelijke samenkomsten waar de accu telkens opnieuw opgeladen moest worden.
ONZE TIJDGENOTEN
Niettemin zijn het nog altijd ook leerzame woorden. Zelf lees ik ze als vruchten van zijn bijbellezing, als eerste poging om zo’n tekst als die over Jezus in Gethsémané door te vertalen naar onze seculariserende tijd. Het is als met een goede preek, die naar het bekende woord van Noordmans het dogma scheef trekt. Juist zo spreekt Bonhoeffer nog tot ons.
Nu de volgelingen van Christus in Europa opnieuw in een minderheidspositie verkeren, laat hij bijvoorbeeld zien hoe belangrijk het is om alle innerlijke eigendunk, betweterij en zelfverheffing af te leggen, willen we er nog in kunnen slagen aan onze tijdgenoten te laten zien wat het Evangelie daadwerkelijk inhoudt.
Dr. G. van den Brink uit Woerden is hoogleraar Theologie en wetenschap aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's