Ad den Besten
Het sonnet ‘Voorjaar in mijn stad’ uit de bundeling Elke avond wordt het vroeger laat (uitg. Papieren tijger, 2008) is van de hand van Adrianus Cornelis (Ad) den Besten, die op 31 maart stierf. Hij schreef het rond 1950 over zijn geboorteplaats Utrecht en opvallend is hoe Den Besten de aanwezigheid van Christus betrekt op de voorjaarsschoonheid van de stad.
Lange tijd had Den Besten een invloedrijke positie in het naoorlogse poëziewereldje. Hij schreef vele literaire kritieken; daarnaast stond hij als redacteur mede aan de wieg van de befaamde Windroosreeks. Daarin werd aan jonge onbekende dichters een podium geboden. Zijn eigen dichterlijke oeuvre is bescheiden en wordt gekenmerkt door ernst.
FRIESCH DAGBLAD
In de kerk werd zijn naam lange tijd in één adem genoemd met die van J.W. Schulte Nordholt, Willem Barnard en Jan Wit. Samen waren zij betrokken bij de nieuwe Psalmberijming (1967) en de gezangen in het Liedboek voor de kerken (1973). Den Besten nam daarin nogal wat vertalingen uit het Duitse taalgebied voor zijn rekening. In het Friesch Dagblad schreef Tjerk de Reus, kenner van het werk van Den Besten, over hem.
(…) Den Besten groeide op in Utrecht, waar hij al vroeg in aanraking kwam met dichters en schrijvers. Zijn vader, advocaat, was rond 1930 geassocieerd met de bekende dichter Marsman. Diens verschijning stimuleerde de jonge Den Besten al vroeg de pen ter hand te nemen. Het dichterschap werd een serieuze kwestie in zijn gymnasiumtijd, toen hij hele cahiers vol gedichten schreef en op een goede dag zijn werk liet lezen aan een destijds gezaghebbend criticus. Dat leidde in 1939 tot zijn eerste publicatie in een literair tijdschrift: het protestantse Opwaartsche wegen. Den Besten was toen zestien jaar oud.
Met een groep dichtende leeftijdsgenoten richtte hij kort na de bevrijding een literair tijdschrift op. Dat was ook het moment waarop hij de koers van zijn leven verlegde: hij studeerde in de oorlogsjaren theologie, maar verliet dat spoor om te gaan werken in de uitgeverswereld, bij de Amsterdamse ‘uitgeefmaatschappij’ Holland. Daar zou hij tot 1958 werkzaam zijn. Daarop kwam hij in het middelbaar onderwijs terecht, om in 1967 in dienst te treden bij de Universiteit van Amsterdam, bij de afdeling Duitse taal- en letterkunde. De Duitse poëzie fascineerde hem al op jonge leeftijd, maar toen hij eenmaal aan de universiteit werkte, kon hij daaraan al zijn energie geven. Hij verkreeg bekendheid als germanist, met name door zijn omvangrijke vertaling uit het dichtwerk van Friedrich Hölderlin, een ‘duistere’ dichter die niettemin als een grootheid uit de Duitse Romantiek wordt beschouwd. De vertaling leverde Den Besten veel lof op, hij ontving in 1989 de Martinus Nijhoffprijs voor zijn Hölderlinvertaling, waarvan in 2011 nog een derde druk verscheen. Tussen de bedrijven door had Den Besten zich ook intensief beziggehouden met ons volkslied, het Wilhelmus, waarop hij in 1983 promoveerde. Hoewel Den Besten maar kort theologie had gestudeerd – van 1941 tot 1943 – bleef hij zijn leven lang geboeid door dit vakgebied. Hij ontwikkelde een scherpe intuïtie voor theologische kwesties. Zo zag hij met lede ogen aan dat het theologische klimaat in de jaren zestig tendeerde naar maatschappelijke betrokkenheid, naar politiek en samenleving. Dat vond hij niet onbelangrijk, maar in die horizontale tendens miste hij het verticale aspect. Hij zei eens in een interview dat we de ‘hart-aan-hartrelatie met Onze-Lieve-Heer’ niet moeten veronachtzamen, anders zou de accu van het maatschappelijke engagement spoedig leegraken.
In zijn kerkliederen is een sterke belangstelling op te merken voor recht en gerechtigheid, maar Den Besten wilde dat samen laten gaan met een persoonlijk doorleefd geloof. Hij was niet wars van bevindelijke noties, waarin het geloofsleven als innerlijke toewijding aan God wordt beleefd. Den Besten reageerde ook zeer kritisch op de neiging van veel intellectuelen in de jaren zestig en zeventig om ‘de heilzon in het oosten te zien dagen’: in het Oost-Europese communisme. Vanaf de jaren vijftig onderhield Den Besten nauwe contacten met veel schrijvers en dichters uit het Oostblok, en hij wist als geen ander wat dat ‘reëel bestaande socialisme’, zoals men dat destijds uitdrukte, inhield: een totalitaire staat.
Ook als dichter en als literair criticus bleef Den Besten in zekere zin theoloog. Een collega-schrijver die daarom op hem neerkeek, zei eens dat Den Besten iemand is die zelfs ‘in toga uit vissen gaat’. Voor Den Besten was het essentieel om in levensbeschouwelijke en theologische zin de oren en ogen open te houden als hij zich bezighield met de letteren. Hij was geïnspireerd door de theologen Karl Barth en K.H. Miskotte, en hij aarzelde niet om zijn kritiek op de naoorlogse poëzie uit te werken aan de hand van theologische noties. Van groot belang hierbij was zijn vriendschap met de dichter Guillaume van der Graft (Willem Barnard), met wie hij de overtuiging deelde dat poëzie iets te maken heeft met het scheppingswoord ‘van den beginne’. Poëzie is geen privé-uitdrukking van innerlijke gevoeligheden, maar een daad die de menselijkheid bevestigt, meende Den Besten.
ND
In zijn poëzierubriek in het Nederlands Dagblad wijdde Rien van den Berg een prachtige bespreking aan het bekende ‘Klein danklied’ (opgenomen in Liedboek 2013, 920).
Dit gedicht (…) is een ‘ontijdig geboren’ vers. In 1973, toen het Liedboek voor de Kerken af was en gepresenteerd werd, in Middelburg, voelden de vier overgebleven dichters zich dubbel. Medeberijmer Klaas Heeroma, de oudste van het vijftal, was namelijk enkele maanden voor de presentatie overleden. Hij had een operatie moeten ontgaan, en was niet meer uit zijn narcose bijgekomen.
Den Besten was de jongste van het gezelschap, maar ‘daarom niet de minst bedreigde’, zei hij later. ‘In juni 1973 stond ook ik voor een operatie. Kortom, ik kon mij niet onttrekken aan sombere voorgevoelens. Toch ontbrak het me niet aan momenten van ‘elevatie’, getuige dit lied.’ (…)
Als je de kracht van het lied wilt voelen, stel je dan voor dat je het zingt op een begrafenis. Je zingt dan ‘Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild…’ Broos bestaan van wie? Van de overledene, denk je eerst. Maar het gedicht staat in de ik-vorm. Het gaat over degene die het zingt.
Ik ben het dus, die broos bestaat; die nameloos zou zijn, was ik daar niet boven uitgetild. Voortdurend die tegengestelde woorden, het kwetsbare broos allitererend naast het rondborstige bestaan; het leven dat rijmt op beven – en toch die zekerheid; een bestand, solide woord, dat voorzien wordt van de bijvoeglijke naamwoorden ‘smal’ en ‘onvast’.
En dan de prachtige verwijzing van het slot naar het begin: de hand van God, die je boven het nameloze uittilt, die je uitdaagt tot een leven op een hoger plan, dat moet (bevende zekerheid) de hand zijn die je vangt als je valt. Oftewel: als u het bent die mij mijn plek geeft, Heer, dan is die plek veilig.
Bewust of onbewust raakt Den Besten hier een kernbelijdenis van Israël, die de manier geworden is waarop we het wagen om in een kerkdienst God onder ogen te komen: ‘Onze hulp is in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft.’ Als U de hemel en aarde gemaakt heeft, HEER, dan zult u ons helpen. Als u mij boven het nameloze hebt uitgetild, dan zult u mij vangen. En als dat zo is, dan is mijn tijd, hoe kort of hoe lang ook, de volle tijd. Die geleefd mag worden in dankbaarheid.
Ad den Besten heeft veel voor kerk en geloof betekend. Zijn gedachtenis zij tot zegen.
VOORJAAR IN MIJN STAD
God, die mij wonen doet in deze stad
als binnen een op slag hersteld verleden, −
Gij hebt mij overweldigd met een vrede,
die enkel taal, maar die geen teken had.
Ik strek mijn ziel uit, o ik strek mijn leden,
mijn hart klopt als voor ’t eerst sinds ’t U vergat;
alles bloeit onverdiend, langs ieder pad
vind ik uw spoor en keer ik op uw schreden.
Amen, Heer Christus die met ons verblijft,
Gij hebt U zelf bij ons vlees ingelijfd,
bij onze woorden, werken en gedachten –
bij deze stad, die Gij met bloesem smukt;
en wie Gij dit ontdekt, hij moet verrukt
ervan te fluist’ren lopen langs de grachten.
KLEIN DANKLIED
Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild,
hebt boven ’t nameloze mij uitgetild,
laat mij dan dankbaar leven, de volle tijd,
geborgen in de bevende zekerheid,
dat ik niet uit dit smal en onvast bestand
van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand.
Ds. G. van Meijeren is hoofd mobiliteitsbureau Predikanten & Kerkelijk Werkers van de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's