Een menselijk drama
De laatste jaren van professor Hugo Visscher
Bevrijdingsdag was tegelijk bijltjesdag, namelijk voor de zogeheten landverraders. Ook professor Hugo Visscher (1864-1947) werd daartoe gerekend. Over het menselijk drama dat volgde na een leven als theoloog-politicus met sterke pro-Duitse sympathieën.
Visschers levensverhaal is in grote lijnen bekend. Als getalenteerd predikant krijgt hij in 1903 een benoeming tot hoogleraar in Utrecht. Hij ontwikkelt zich tot een van de voormannen van de gereformeerde richting in de Hervormde Kerk. Een leidersfiguur is hij echter niet. Daarvoor is hij te eigenzinnig. Zijn levensweg is bezaaid met conflicten en breuken. Door zijn vlijmscherpe polemiek heeft hij veel vijanden; eens vertelt hij zelfs van een dreigement hem te vermoorden.
Dat is slechts één kant van Visschers verhaal. Hij heeft ook vele vrienden, die zijn karakter kunnen relativeren en zijn hartstocht voor waarheid en rechtvaardigheid waarderen. Met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond onderhoudt hij zacht gezegd een knipperlichtrelatie, in de hervormd- gereformeerde mannenbond en jongelingsbond overwegen sympathie en bewondering. Als hij daar zijn gezicht laat zien, vallen hem vaak applaus en het ‘Dat ’s Heeren zegen op u daal’ ten deel. Zijn gehoor luistert ademloos en raakt begeesterd door zijn bezielende en gespierde geloofstaal.
DANKEN VOOR HITLER
De taal is een instrument dat Visscher meesterlijk beheerst, ook dan wanneer hij zichzelf niet beheerst. En hij laat zich nogal eens gaan, want op den duur is hij een verbitterde oude man. Veel van wat hij heeft nagestreefd, is niet bereikt: de kerkelijke eenheid is ver te zoeken, Colijn heeft zijn coalitiepolitiek met de roomskatholieken vrijwel de hele jaren dertig voortgezet en onder de bevolking is er sprake van morele en godsdienstige achteruitgang. Zijn eigen politieke loopbaan is mislukt en persoonlijk raakt hij steeds meer geïsoleerd.
Vanaf de tweede helft van de jaren dertig komt Visscher steeds sympathieker te staan tegenover nazi- Duitsland. Hij is een voorstander van de Nederlandse onafhankelijkheid, maar de bezetting beleeft hij als een oordeel van God over de ontrouw van het Nederlandse volk. Onderwerping is zijn parool, met een beroep op de profeet Jeremia.
NSB-lid wordt Visscher nooit; hij vindt de beweging te antireligieus. Maar zijn bezwaren tegen het nationaalsocialisme schuiven wel steeds verder naar de marge. Aan zijn oud-ambtgenoot Arie Noordtzij schrijft hij tijdens de oorlogsjaren de belijdenis: ‘Ik geloof in Duitschlands zending tot herstel der wereldorde.’ Dit geloof kleurt zijn hele blik op de werkelijkheid. In april 1942 schrijft hij Noordtzij: ‘Als de Sovjets opgeruimd zijn, zullen vele eeuwen na deze Hitler’s naam prijzen en zijn optreden als een daad van Gods genade loven.’ In zijn dikke boek De ondergang van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1943) uit Visscher zich weinig geremder. Hij betoogt daarin dat Nederland door Gods leiding uit ‘zijn afgescheidenheid’ terugkeert naar de gemeenschap van het Duitse rijk, de herleving van het aloude heilige Roomse rijk. Hij juicht deze ontwikkeling toe, omdat ze kan leiden tot de wedergeboorte die het Nederlandse volk nodig heeft. In mei 1943 laat hij zich benoemen tot adviseur van NSB-leider Mussert voor religieuze zaken.
VUURLINIE
In 1943 beginnen ook de moeilijkheden waaronder Visscher tot zijn levenseinde gebukt zal gaan. Lang blijft hij kras. Op zijn 79e claimt hij nog wandelingen van drie uur te kunnen maken. In de winter van 1943-’44 kwakkelt hij echter nogal met zijn gezondheid. Zeker anderhalve maand is hij aan bed gekluisterd. Toch krabbelt hij weer op, om zijn tijd te besteden aan het bijwerken van zijn Ondergang voor een herdruk. Ondertussen ondergaat de binnenstad van zijn woonplaats Nijmegen op 22 februari 1944 een geallieerd gelegenheidsbombardement. De schade is groot; er zijn minstens 800 doden te betreuren. Boos reageert Visscher dat de Anglo-Amerikanen ‘goddeloze oorlogsvoerders’ zijn, die alle wetten van menselijkheid met voeten treden. Tijdens operatie Market Garden in september 1944 ervaart Visscher aan den lijve dat de Duitsers er ook wat van kunnen. Nijmegen is frontstad. Als de Duitse legereenheden genoodzaakt zijn zich terug te trekken, verwoesten zij het resterende deel van de stad. Ook Visschers woning gaat in vlammen op. Hij kan slechts zichzelf en zijn vrouw redden. Opgejaagd door geweervuur wijkt hij samen met andere bewoners uit naar Ooy. Daar verblijft hij veertien dagen in een kelder. De artilleriebombardementen zijn echter zo zwaar dat verdere evacuatie volgt naar Beek. Vandaar gaat hij terug naar het inmiddels bevrijde Nijmegen, waar hij rondzwerft totdat nota bene een katholieke pastoor hem, antipapist pur sang, aanbiedt zijn intrek te nemen in het kloosterpensionaat Santa Maria te Hees. In zijn eigen woorden wordt hij daar – vanwege zijn pro- Duitse houding – door de politieke recherche ‘ondanks zijn hooge leeftyd en ziekte als wraakobject (...) op den 19 jan. 1945 van het ziekbed weggesleept’, in een wagen geduwd en naar de Tuchtschool overgebracht.
KAMPGEVANGENE
Nog een ogenblik overweegt de politieke recherche om bij Visscher in verband met zijn hoge leeftijd en zwakke gezondheid te volstaan met huisarrest. Enkele weken later wordt hij echter afgevoerd naar kamp Vught. De hoogleraar zet de hakken in het zand; hij zegt zich totaal onschuldig te voelen. Visscher is een harde (‘Ik voor mij sla mij er wel door’), maar maakt zich grote zorgen om zijn vrouw. Hij vreest dat alle ellende haar dood wordt. Het gaat inderdaad niet goed met haar. Ook Visschers eigen conditie verslechtert echter zienderogen. Na de oorlog klimmen diverse geïnterneerden in de pen om hun beklag te doen over de behandeling in de interneringskampen. In zijn Kamptoestanden typeert dr. H.W. van der Vaart Smit het klimaat: ‘Nimmer hoorde ik grover vloeken, zag ik walgelijker optreden, ergerlijker onrecht bedrijven dan in mijn gevangenschap.’ Eerder doet Arnold Meijer, de voorman van het extreemrechtse en antisemitische splinterpartijtje Zwart Front, een duit in het zakje met Pruisische praktijken in herrijzend Nederland! (1945). Opgesloten in hetzelfde kamp als Visscher, maakt hij hem van nabij mee. Meijer vertelt dat de geest van de 81-jarige hoogleraar helder is, maar verder vertoont hij ‘duidelijk uitputtingsverschijnselen’. Hij mist elk gerief en ontbeert ook ‘geestelijk verkeer’ met mensen van niveau en/of gelijke overtuiging. Voor een man met het intellectuele kaliber van Visscher moet dit inderdaad een geestdodende kwelling zijn. ‘Als ik niet meer kon werken, zou ik wenschen heen te gaan’, zegt hij kort voordat hem alle gelegenheid tot werken wordt ontnomen.
NEDERIG
Acht maanden lang verblijft de oud-hoogleraar achter prikkeldraad. Meermalen probeert Visschers advocaat gedaan te krijgen dat zijn cliënt onder huisarrest komt te staan. Hij spaart hem niet. Visscher zelf zegt zich de benoeming tot Musserts adviseur te hebben laten welgevallen om de belangen te kunnen bepleiten van het christelijk onderwijs, dat geheel in nationaalsocialistische geest ingericht dreigt te worden. De advocaat neemt hem kwalijk dat hij niet inziet zich zo te hebben laten gebruiken voor de nationaalsocialistische zaak, al relativeert hij terecht de omvang van zijn verkeerde daden. Getuigen verklaren dat Visscher heel goed wist van hun anti-Duitse houding, maar daar nooit misbruik van maakte. Niettemin wijst het Militair Gezag het verzoek telkens rigoureus af.
Visschers advocaat schrijft eufemistisch dat zijn aard niet geschikt is om verdere internering te ondergaan; hij raakt er alleen maar recalcitranter van en zijn gezondheid lijdt eronder. De advocaat noemt hem ‘volkomen versleten’. Maandenlang verblijft Visscher in de ziekenbarak. Zijn stemming wisselt daar. Niet alleen laait het oude vuur geregeld in hem op, hij slaat soms ook een ongekend nederige toon aan in verzoeken om zijn invrijheidstelling. ‘De weinige dagen die hem door God nog worden toegeschikt’ zou hij graag verzorgd worden door zijn naaste familie, schrijft hij. Ook lijdt hij onder de afwezigheid en het verdriet van zijn vrouw, die bij hun dochter en schoonzoon in Alkmaar is ingetrokken.
In september 1945 wordt Visscher weer naar Nijmegen gebracht. Op 10 oktober moet hij voor het Tribunaal Arnhem verschijnen. In eigen visie beveelt dit hem terstond in vrijheid te stellen ‘zonder enige straf met de verklaring dat er geen redelyke grond was hem gevangen te houden’. In werkelijkheid neemt het tribunaal het hem terdege kwalijk dat hij zich ‘een vurig vriend en vereerder van de vijanden van ons volk’ heeft getoond. Zijn rechters laten hem echter op vrije voeten stellen omdat zij hem beschouwen als een hulpbehoevende man, die permanente verzorging nodig heeft. Verdere internering zou funest voor hem zijn.
EEUWIGE DINGEN
Op 11 oktober arriveert Visscher bij zijn dochter en schoonzoon in Alkmaar. Elf dagen later overlijdt zijn vrouw. Volgens de familieoverlevering kenmerken Visschers laatste levensjaren zich door verdere achteruitgang van zijn gezondheid en hevige astmaaanvallen. Maar hij voelt zich thuis in de gezinskring en toont zich een opgewekte huisgenoot. Enkele vrienden en leerlingen blijven hem tot het laatst trouw. Op 17 mei 1947 bezwijkt hij tijdens een aanval van benauwdheid.
Sprekend van het overlijden van enkele collega’s, beseft Visscher in 1943 weldra zelf aan de beurt te zijn: ‘Het beste is daarom de eeuwige dingen in den tijd deelachtig te zijn, dan wordt ook de laatste weg met licht bezaaid.’ Wanneer wij terugblikken is Visschers laatste fase vooral donker geweest, maar ook dan blijft hij belijden dat God zijn leven leidt. Dan moeten hem wel sprankjes licht zijn vergund geweest.
Dr. C.M. van Driel uit Apeldoorn is historicus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 2015
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's