Joods leven in Elburg
Van Norel stelt ondergang lokale gemeenschap te boek
Er zijn geen zes miljoen Joden vermoord, er is één Jood vermoord en dat is zes miljoen keer gebeurd. Zodat je, als je werkelijk zou willen weten wat de Jodenvervolging betekend heeft, zes miljoen biografieën zou moeten schrijven van deze zes miljoen enkelingen.
Dit citaat van de jurist Abel Herzberg (1893-1989) schrijft historicus Willem van Norel in een boek met de titel Joods leven in Elburg. Er is ook een Joods gezegde dat luidt: ‘Wie een mens redt, redt een hele wereld.’ Staat daarom voor in het boek de foto afgedrukt van Jules Schelvis, de enige overgeblevene van een transport van 3006 Joden naar het vernietigingskamp Sobibor?
ONDERGANG
Op een imposante wijze heeft Van Norel het leven en de dood van honderden Joden uit Elburg een voor een de revue laten passeren, in een kolossaal boek met honderden foto’s en ook honderden herinneringen van plaatsgenoten aan hun Joodse medeburgers.
‘Met dodelijke precisie’ heeft hij de ondergang van de lokale Joodse gemeenschap te boek gesteld, zegt prof.dr. Arnold Heertje in een voorwoord.
Daarin meldt hij ook dat ds. K.A. Abelsma ‘in een indrukwekkende toespraak’ ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Elburg op 9 november 1983 in de Ichthuskerk (zie kader) het startsein gaf voor de pogingen om het Museum Sjoel Elburg tot stand te brengen.
Dit initiatief kreeg op 6 juni 2008 zijn beslag in de oude synagoge, waarvan de Joodse gemeente al in 1947 was ontbonden omdat er geen minjan (tien Joodse mannen van dertien jaar of ouder) meer was om de erediensten te kunnen houden. Op 13 juni 2012 bezocht prinses Máxima Elburg om het openingsprogramma van de nieuwbouw van de Sjoel mee te maken.
PERSONEN
Van 1797 tot 1899 was het aantal Joden in Elburg gestegen van vijftig (3,1 procent) tot 104 (3,9 procent). Toen in 1942 de deportaties begonnen, waren er in Elburg nog maar 22 Joodse bewoners, van wie er zestien werden gedeporteerd.
In de eerste hoofdstukken geeft de schrijver een historisch overzicht van het leven (vanaf de veertiende eeuw), de economische positie, de armenzorg, het synagogale leven, de chazaniem (voorzangers) en de begraafplaats van de Joden in Elburg. Hierin komt bijvoorbeeld een besnijdenisboekje voorbij van de familie Nihom, met 582 besnijdenissen tussen 1809 en 1936.
Daarna volgen de levensverhalen van twintig Joodse Elburgers en hun familie tussen 1841 en 1937. En dan komen een voor een de namen van de uit Elburg gedeporteerde Joden maar ook van de weggevoerde Joden die in Elburg geboren waren. Van elk wordt de sterfplaats vermeld: Sobibor, Auschwitz, Bergen-Belsen. Huiveringwekkend als de schrijver telkens dat ene gruwelijke woord bezigt: ‘vergast’. Heintje van Hamberg: op 86-jarige leeftijd vergast in Sobibor. Vlak voor haar deportatie gaf ze haar plantjes nog even water!
Dan volgt een hoofdstuk met de namen en de wederwaardigheden van de onderduikkinderen, met de namen van de gezinnen waar ze werden ondergebracht: Westerink, Deetman, Zoet. Renate Rosenblatt was een van hen. Haar levensverhaal is door haarzelf geschreven. Prof. Heertje legt echter de vinger bij de antisemitische ervaringen die ze opdeed in het naoorlogse Elburg. Op de mulo waren woorden als ‘rotjodin’ niet ongewoon. Ze ging in Elburg naar catechisatie en zei dat ze later haar haren blond zou laten verven, zodat niemand nog aan haar zou kunnen zien dat ze Joods was.
RECHTVAARDIGEN
Met ere worden in het boek echter ook de ‘rechtvaardigen’ genoemd. Een apart hoofdstuk gaat over Yad Vashem in Jeruzalem, omdat ook enkele mensen uit Elburg daar een onderscheiding kregen. Dit instituut heeft onder andere ‘het eer betonen aan en het gedenken van de Rechtvaardigen onder de volkeren’ als taak.
OLDEBROEK
Curieus is een verhaal uit Oldebroek, verbonden met Elburg. Daar was ds. Otto Veening (1916- 1964) geboren. Als hulpprediker in Utrecht kwam hij in contact met ds. F. Slomp (Frits de Zwerver). Utrecht was geen geschikte plek voor onderduikers. Hij moest maar eens in Oldebroek gaan preken. De kerkenraad was niet enthousiast, maar ds. G.J. Koolhaas, die in de oorlogsjaren voor de tweede keer in Oldebroek hervormd predikant was, zorgde ervoor dat Veening ‘eenmaal’ mocht voorgaan.
De kerk liep ‘boordevol’. Veening preekte over de tekst: ‘Wat gij aan de minste van mijn broeders doet, doet gij aan mij.’ In plaats van de tussenzang op te geven, las hij het gezang:
God roept ons broeders tot de daad,
zijn werk wacht, treedt dan aan.
En weest gereed om elke weg die Hij u wijst te gaan.
Wij weten dat wat komen mag toch hij slechts wint die waagt.
En wie zichzelve geven wil, door ’t donker vlammen draagt.
Wie het niet begrepen had, kon contact met hem opnemen. Het eindresultaat was: meer dan honderd Joodse onderduikers in Oldebroek. Ook ds. H. Boswijk, gereformeerd predikant in Elburg van 1943 tot 1947, had onderduikers. Willy Meijers de Kadt deed bij hem belijdenis, maar keerde later terug naar het Joodse geloof. Dat kwam meer voor bij onderduikers in protestantse gezinnen.
BLOEDRODE LIJN
Het boek sluit af met de stambomen van negen Joodse families uit Elburg. De honderden foto’s en de talrijke herinneringen van lotgenoten of meelevenden geven aan het boek een extra waarde. De schrijver heeft het gezegde van Herzberg geheel tot gelding gebracht: elke overleden en elke overlevende Jood was er één. Hij bracht Joods leven in Elburg tot leven. Maar de Joodse dood is de bloedrode lijn van het boek. Het motto dat de schrijver aan het boek meegaf is treffend: ‘Vertel het aan uw kinderen en laat het uw kinderen vertellen en derzelve kinderen aan een volgende generatie’ (naar: Joël 1:3).
TOESPRAAK DS. ABELSMA
Ds. K.A. Abelsma hield op 9 november 1983 een toespraak ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Elburg.
‘Dominee Abelsma stond stil bij drie punten: dank, schaamte en hoop. Hij sprak dank uit omdat de gezamenlijke kerken op deze manier in vrijheid konden samenzijn. Maar met schaamte merkte hij op dat er jammer genoeg ook onder christenen intolerantie bestond. En terugkijkend op het verleden stelde hij met verdriet en schaamte vast wat er in de donkere jaren van de bezetting was gebeurd met het Joodse volk. Een onvergetelijke passage uit zijn toespraak luidde: ‘Schaamte, omdat blijkt dat er na zoveel eeuwen nog steeds intolerantie bestaat; omdat blijkt – waaraan tot nu toe nog niemand in dit jubileumjaar aandacht heeft geschonken – dat niet alle geledingen van de burgerij het feest kunnen meevieren.
Toen ik namelijk dezer dagen door het versierde stadje liep, passeerde ik de synagoge, dicht bij de Grote Kerk. En ik realiseerde mij op zeer pijnlijke wijze dat onze vroegere Joodse medeburgers het jubileum niet meer mee konden vieren.
De synagoge wordt nu voor andere doeleinden gebruikt. En de kinderen van Abraham, waar zijn ze gebleven? Zijn ze niet uit het straatbeeld verdwenen als gevolg van diezelfde intolerantie?
Straks zullen we zingen: Lof zij de Heer met de heerlijkste naam van Zijn namen, christenen looft hem met Abrahams kinderen samen.
Zullen we dat niet zingen met schaamte in het hart?’ Het waren vooral deze zinnen die diverse mensen die avond aan het denken zetten.’
N.a.v. Willem van Norel Joods leven in Elburg. Gedenkboek Uitg. oudheidkundige vereniging Arent thoe Boecop, Elburg; 431 blz.; € 29,50.
Dr.ir. J. van der Graaf uit Huizen is oud-algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 2015
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's