1945, kerk in Duitsland
Erkennen schuld voor Evangelische Kirche moeilijk
In hoeverre heeft de Duitse samenleving, en in het bijzonder de kerk, erkend schuld te dragen voor het leed dat tallozen is aangedaan en in het bijzonder de Joden? In De onverwerkte Holocaust. Spiegel voor de kerk van nu, dat volgende week verschijnt, gaat dr. A.A.A. Prosman in op deze vraag. Een voorpublicatie.
De vraag was niet alleen hoe de samenleving, maar ook hoe de Evangelische Kerk in Duitsland − de EDK, voor de oorlog DEK − na de oorlog is omgegaan met de schuldvraag. Wat heeft zij daarover gezegd en beleden? In de Verklaring van Stuttgart zou de Duitse kerkleiding zich daar uiteindelijk over uitspreken. Om die uitspraak te begrijpen en te beoordelen is meer achtergrondinformatie nodig. Vandaar onderstaande toelichting.
NA DE OORLOG
Meteen na de capitulatie van Duitsland was de vraag aan de orde wie de leiding op zich zou nemen van de EKD. Dat zou bisschop Wurm worden, die gezien werd als een aanvaardbaar persoon zowel voor de Bekennende Kirche als voor de oecumene. Er waren uiteraard ook tal van inhoudelijke kwesties die dringend besproken moeten worden. Hoe moest de naoorlogse kerk eruitzien? Moesten de lijnen van Barmen doorgetrokken worden of wilde men liever terugkeren tot de vertrouwde kaders van de luthersen? Dus: meer gereformeerd of meer luthers? Daardoorheen speelde ook de vraag hoe groot de zelfstandigheid van de landskerken mocht zijn en hoever men moest gaan in het streven naar landelijke eenheid.
TREYSA
Om deze problemen te bespreken werd in augustus 1945 de Conventie van Treysa bijeengeroepen. De conventie kende vanaf het begin allerlei problemen. De naoorlogse kerk ontstond (...) als een Konfliktgemeinschaft. Men werd het bijvoorbeeld niet eens over een Wort an die Pfarrer. Het struikelblok was het spreken over een schuldbelijdenis van de kerk. Een zinsnede waarover men struikelde was: ‘Wij belijden onze schuld en buigen ons onder de last van haar gevolgen.’ De conservatieve lutheranen, onder leiding van bisschop Meiser van Beieren, waren niet bereid dit voor hun rekening te nemen. De tekst werd uiteindelijk wel gepubliceerd, maar niet als een belijdenis van de gehele conferentie.
Een ander compromis was dat men een weg wilde bewandelen tussen ‘de kerk van traditie en instituut’ én ‘de kerk van beweging en vernieuwing’. Ter vergadering merkte Martin Niemöller op dat hij vreesde dat de nieuwe verenigde kerk de Belijdenis van Barmen op een zijspoor zou manoeuvreren, precies zoals dat tijdens de naziperiode was gegaan.
SCHULD
Het ‘schuldprobleem’ keerde steeds weer terug. In de discussie over het erkennen van schuld speelde Adolf Freudenberg een belangrijke rol. Hij was secretaris van de Oecumenische Raad van Kerken voor niet-Arische vluchtelingen (...). Freudenberg drong erop aan dat kerkelijk leiders die samengewerkt hadden met de nazi’s gedwongen zouden worden om terug te treden en hun ambt moesten neerleggen. August Marahrens (bisschop van Hannover) werd met name genoemd. Met deze bisschop wilde de oecumene niet meer samenwerken. De oecumenische leiders maakten heel duidelijk dat de Duitse kerk ernst moest maken met ‘Selbstreinigung’.
In juli 1945 noemde Visser ’t Hooft [Nederlands theoloog, eerste secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken, 1948-1966, red.] in een brief aan de anglicaanse bisschop Bell de situatie in de Evangelische Kerk van Duitsland allesbehalve duidelijk. Op grond van informatie die onder andere verstrekt werd door de Amerikaanse predikant Stewart Herman was men op de hoogte van de situatie in Duitsland. Om de vinger aan de pols te houden verzamelde Stewart Herman preken die in Duitsland werden gehouden, waaronder preken van Paul Althaus. Althaus hield de gemeenten voor dat Duitsland het recht had zich van de boeien van Versailles te bevrijden en om de hereniging van alle Duitsers na te streven. Hij zag de situatie van het Duitse volk als een lot dat vergeleken kon worden met het lot van de Joden.
ONBOETVAARDIGHEID
De oecumene zag daarin een uiting van onboetvaardigheid. Een andere vooraanstaande figuur die moeite had met het erkennen van schuld was bisschop Wurm. Wurm stond zeer ambivalent tegenover de bezettingsmachten. Daarin stond hij bepaald niet alleen. De Duitsers waren getuigen van de verdrijving van hun landgenoten uit de oostelijke gebieden (Bohemen, Silezië, Oost-Pruisen, Pommeren) en zij zagen de hongersnood in hun land. Door het hele land trokken miljoenen vluchtelingen. Zij wezen ook op de tegenstelling tussen de propaganda van de geallieerden en wat hun praktijken waren.
Heinrich Grüber – van ‘Buro Grüber’, dat tot aan 1940 de emigratie van meer dan duizend Joden mogelijk had gemaakt – schreef aan bisschop Bell over de dreigende hongerdood van twintig miljoen Duitsers. Hij erkende de grote schuld van het Duitse volk, maar voegde eraan toe: ‘Maar ik weet van een grotere schuld die nu de kerken van de hele wereld op zich nemen.’
Al met al is het duidelijk dat de Duitse kerkleiding schoorvoetend de bereidheid toonde om over het erkennen en belijden van schuld te praten. De communicatie verliep stroef. Moeten we het als een normale gang van zaken zien dat Visser ’t Hooft zichzelf moest uitnodigen voor een ontmoeting met de Duitse kerkleiders? In ieder geval is het zo gegaan. Uiteindelijk was het zover dat er een bijeenkomst gehouden kon worden om over de ‘schuldkwestie’ te spreken. De vergadering begon met een kerkdienst op 17 oktober 1945 in de Markuskerk te Stuttgart. Hoeveel onduidelijkheid er was over de werkelijke bedoeling van de bijeenkomst bleek uit het feit dat Karl Hartenstein, predikant en missioloog, meende dat het zou gaan om een wederzijdse schuldverklaring: van de Duitsers en van de andere kerken. Als uitgangspunt voor de discussie over de tekst van de Verklaring dienden twee conceptteksten: één van Asmussen en één van Dibelius, waarbij vooral die van Dibelius richtinggevend was.
VERKLARING VAN STUTTGART
Het resultaat van de besprekingen was de Verklaring van Stuttgart van 18 en 19 oktober 1945. Van lieverlede is men gaan spreken van een schuldverklaring of een schuldbelijdenis, maar dat is niet juist. Het officiële document heeft geen titel. Men was er juist huiverig voor om van schuldbelijdenis te spreken, laat staan deze term in de titel te gebruiken. In het vervolg zal ik dan ook kortweg van de ‘Verklaring’ spreken.
Deze Verklaring is opgesteld op verzoek van de Oecumenische Raad van Kerken, maar uiteraard niet door de Oecumenische Raad geschreven. Dat was de taak van de Duitse kerk. Tot de ondertekenaars van de Verklaring behoorden de bisschoppen Wurm, Meiser, Lilje, Dibelius en de predikanten Martin Niemöller en Hans Asmussen. Ook stond de naam van Gustav Heinemann, de latere bondspresident van Duitsland, eronder.
De Verklaring, die slechts driehonderd woorden telde, kent enkele zinsneden die vaak geciteerd zijn en die het hart vormen van het document: ‘Door ons is oneindig veel leed over vele volkeren en landen gebracht… Wel hebben wij gedurende lange jaren in de Naam van Jezus Christus tegen de geest gestreden die in het nationaalsocialistische geweldsregime zijn vreselijke uitdrukking gevonden heeft, maar wij klagen onszelf aan dat wij niet moediger beleden hebben, niet trouwer gebeden, niet vrolijker geloofd en niet vuriger hebben liefgehad…’ Drie keer wordt gesproken over een nieuw begin. Het nieuwe begin dat de kerk nodig heeft, houdt in dat zij zich ontdoet (zuivert) van ‘geloofsvreemde invloeden’.
INVLOEDEN
Let op het bleke woord ‘invloeden’ (Einflüsse). Het ging toch om meer dan ‘invloeden’? Onduidelijk is wat bedoeld wordt met dat door de dienst van de kerken de geest van geweld en vergelding (‘Geist der Gewalt und der Vergeltung’), die nu opnieuw sterk wordt (‘der heute von neuem mächtig werden will’), in de hele wereld beteugeld zal worden. Wat wordt hier met ‘geweld en vergelding’ bedoeld? Is men bang dat de bezettingsmachten wraak willen nemen op het Duitse volk of heeft men het oog op de bezetting van het oosten van Duitsland of wil men zich verweren tegen de denazificatie? Het was ongetwijfeld een turbulente tijd voor de Duitsers. Uit Bohemen, Silezië en andere gebieden stroomden honderdduizenden vluchtelingen naar het grotendeels verwoeste Duitsland.
SCHULD
Aan bovenstaande opmerkingen voeg ik nog enkele zaken toe. 1. De Verklaring was niet het eigen initiatief van de Duitse kerk. De voormannen van de oecumene (W.A. Visser ’t Hooft e.a.) hadden hierop aangedrongen. 2. Het is de opstellers later terecht aangerekend dat er met geen woord gesproken wordt over de vernietiging van de Joden. 3. De opstellers hebben geen enkele moeite gedaan de Verklaring onder de aandacht van de plaatselijke gemeenten te brengen. Per ongeluk kwam zij in de openbaarheid terecht. 4. Ook was de Verklaring niet voorzien van aanwijzingen hoe dit gevoelige onderwerp in de plaatselijke gemeenten bespreekbaar gemaakt kon worden. 5. De Verklaring werd niet gepubliceerd als een schuldbelijdenis. De officiële tekst heeft geen titel. Op de website van de EKD wordt de tekst ten onrechte aangeduid als Schulderklärung.
In de tekst zelf komt het woord ‘schuld’ één keer aan de orde. Dankbaarheid wordt uitgesproken voor het feit dat ‘wij en het Duitse volk’ mogen weten van de ‘solidariteit van de schuld’ (‘Solidarität der Schuld’). Er staat niet bij jegens wie en daarom is het ook geen schuldbelijdenis. Wie in het algemeen zegt schuld te hebben heeft geen schuld.
PERS
De ‘schuld’ die in de Verklaring van Stuttgart werd uitgesproken, betekende overigens niet het einde van de discussie, maar juist het begin. Na de vaststelling van de tekst werd aan het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken bericht dat de Verklaring vrijgegeven werd op voorwaarde dat die alleen in de buitenlandse pers gepubliceerd mocht worden en dus niet in de Duitse pers. Men was namelijk heel bang dat de schuldbelijdenis politiek gebruikt zou worden en dat in de onderhandelingen met de geallieerden over de verdere opbouw van Duitsland en zijn politieke toekomst de erkenning van schuld tegen hen gebruikt zou worden. Maar Britse kranten in Duitsland publiceerden de complete tekst. Het gevolg was grote ophef.
Dr. A.A.A. Prosman uit Nijkerk is emeritus predikant. Op deze pagina’s een voorpublicatie van een deel van hoofdstuk 8, ‘Schuld en schaamte’ (121-126).
N.a.v. Ad Prosman, De onverwerkte Holocaust. Spiegel voor de kerk van nu.
Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 280 blz.; € 22,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 2015
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's