De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ph.J. Hoedemaker

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ph.J. Hoedemaker

8 minuten leestijd

Discussies onderweg naar de voltooiing van het SoW-proces maakten wellicht dat we Hoedemaker kennen als de man van heel de kerk en heel het volk. Maar wat weten we verder van hem? Veel van Hoedemakers gedachtegoed verdient voortdurend doordenking en blijkt telkens weer actueel te zijn.

Philippus Jacobus Hoedemaker wordt geboren te Utrecht in 1839. Het gezin Hoedemaker behoort tot de afgescheidenen; in 1834 komt het immers tot een eerste exit van velen uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Maar in moeder Hoedemaker, Evertje Beukers uit Bunschoten, gloeit het stille vuur van de Nadere Reformatie nog altijd. Is het daarom dat zij niet van harte met de Afscheiding meegaat? Veel meer heeft zij de houding van ds. L.G.C. Ledeboer van Benthuizen, die de Hervormde Kerk in haar verval niet wil loslaten maar herstel afwachten. Zij is het die haar kind al voor zijn geboorte wijdt aan de vaderlandse kerk, omdat zij van God de belofte heeft ontvangen dat haar kind tot zegen voor deze kerk zou zijn.

KARAKTERISTIEK
In 1851 emigreert de familie naar Amerika, waar ze huisvesting vindt in Kalamazoo, in Michigan. De jonge Philippus gaat theologie studeren aan het Theological Seminary van de Reformed Church of America in New Brunswick, bij New York. Die studie breekt hij na innerlijke vertwijfeling en strijd af. Later vat hij haar weer op, nu aan een seminarie van de congregationalisten in Chicago. Maar deze studie komt evenmin klaar. Het lijkt wel een beetje bij Hoedemaker te horen: ongedurigheid, sterke wisselingen, de boeg wenden. Treffend is dat hij, terug in het vaderland, als student in Amsterdam op een zondagmorgen preekt voor de hervormde ds. J.P. Hasebroek en evengoed ’s avonds een beurt vervult bij de afgescheidenen.
Hoe dan ook, om predikant in Nederland te kunnen worden, moet hij zijn studie theologie overdoen. Hij wordt predikant in Veenendaal (1868), Rotterdam (1873) en ten slotte Amsterdam (1876), waar de grote Abraham Kuyper hem naartoe haalt. Niemand kan dan nog bevroeden dat deze twee elkaars gedreven opponenten zouden worden.

TREUREN
De ontwikkeling die zich voltrekt in de Doleantie van 1886 heeft de letterlijke betekenis van het ‘Grote Treuren’. Kuyper treurt over het afwijken van de rechte sporen in de Hervormde Kerk. Maar naast treuren − en misschien meer dan dat – ijvert, werkt en bouwt hij, nooit aflatend, aan het herstel van de kerk, wat echter onder zijn drijven leidt tot een uittocht uit de kerk in de Doleantie. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Kuyper van jaren her naar deze daad toe werkt.
Geruime tijd staat Hoedemaker in dat treuren aan Kuypers zijde. Daarbij gaat het om ‘de bevrijding van de Kerk van de onschriftuurlijke en verderfelijke organisatie van 1816’. In dat jaar immers heeft de koning de Hervormde Kerk onder een algemeen bestuur gebracht, met afschaffing van de ambtelijke vergaderingen en daarmee ook van de synode als ‘meerdere’ vergadering waarin de ambten bijeenkomen.

BREUK
Toch staat Kuyper in deze kwestie anders dan Hoedemaker. De laatste kan zich absoluut niet vinden in het partijbewustzijn en de uitgekiende strategie waarmee Kuyper opereert: het moet gaan om de uitleiding van het ware volk Gods uit het gevang van het ‘Genootschap’, zoals Kuyper de Hervormde Kerk gaat aanduiden. Dat wekt steeds meer de toorn van Hoedemaker op. Hij beschuldigt Kuyper van eigenmachtig tucht oefenen. Je moet ‘geen zieke delen van een lichaam afsnijden maar werken aan de genezing van het geheel’.
De Doleantie brengt de breuk tussen Kuyper en Hoedemaker, die inmiddels hoogleraar is aan Kuypers Vrije Universiteit maar zijn ambt neerlegt. Hij wordt gewoon dorpsdominee in het Friese Nijland. Na twee jaar keert hij terug naar de hervormde gemeente in Amsterdam, zogezegd in het hol van de ‘klokkenist der kleine luyden’, Abraham de Geweldige. Philippus blijft daar tot aan zijn emeritaat in 1909.
Voor zijn rust hoeft Hoedemaker het niet te doen. Dan nog hangen de bladeren soms diep naar de grond en houden de gebeden de Verbi divini minister in leven.

BEVRIJDING
‘Héél de Kerk en héél het volk’ is in de loop der jaren een gevleugeld woord geworden, overigens vaak gemaltraiteerd en boosaardig misverstaan. Na de Doleantie zet Hoedemaker zich met hart en ziel in voor de reorganisatie van de kerk, omdat hij daarin de genezing van de kerk ziet. Het gaat hierbij dus om de bevrijding van de kerk uit de haar opgelegde bestuursvorm en om herstel van haar belijdende karakter. Veel geschriften en brochures vloeien hem uit de pen. Hij heeft de kerk in haar diep verval lief als de planting van God in de Lage Landen.
Het gaat niet aan om, zoals tegenwoordig bijna bon ton is, daarover badinerend te spreken als over een romantisch kerk- (en staats(!)-)begrip. Wie zo spreekt, heeft van de strijd van toen en nu weinig begrepen.

WEER EEN BREUK
Een tijd lang is Hoedemaker voorzitter van de in 1866 opgerichte Confessionele Vereniging. Maar ook die verlaat hij in 1897. Weer een breuk. Het is gevolg van de diepe overtuiging van Hoedemaker dat partijschap funest is voor de kerk. In zijn ogen wordt ook de Confessionele Vereniging dat onontkoombaar.
Dan vinden twee grote gestalten uit het laatste decennia van de negentiende eeuw elkaar: Hoedemaker en J.H. Gunning. Laatstgenoemde is overtuigd geraakt van de onmisbaarheid van de belijdenisgeschriften als leidraad en voedingsbron bij de pogingen om de kerk als belijdende kerk te herstellen. Over deze move moet Gunning heel wat horen van zijn eigen kring, die hem de verschuiving niet in dank afneemt.

OPEN BRIEF
Uit dit samengaan − ook de confessionele predikanten J.C. Kromsigt, Chr. Hunningher en B. van Meer voegen zich erbij − resulteert de Open Brief die het vijftal in 1904 aan het kerkbestuur zendt. Belangrijk is ook – en juist bij de pogingen tot reorganisatie van de kerk – dat Hoedemaker niets wil weten van de neutrale staat die Kuyper voorstaat. Hoedemaker kan zich maar één staat denken: de christelijke. Die staat en de kerk, ieder op eigen terrein, zouden gezamenlijk de samenleving moeten gronden op christelijke beginselen, in feite op de genezende en heilbrengende wet van God. Hoedemaker is overduidelijk theocraat. Voor hem zal de dag in 1905 waarop de synode van de Gereformeerde Kerken de bekende passage uit artikel 36 van de NGB (‘om te weren en uit te roeien…’ enzovoort) schrapt, diep droevig zijn geweest.

HEEL DE KERK...
Wat staat Hoedemaker voor ogen bij de woorden ‘héél de Kerk en héél het volk’? Ze benoemen het verlangen dat hem drijft in zijn arbeid voor de reorganisatie van de kerk om haar weer belijdende kerk te doen zijn. Maar dan wel de gehele en eendrachtige kerk, niet langer opgedeeld in partijen en richtingen die haar monddood en machteloos maken. Zo alleen kan zij er ook zijn voor het volk en zijn wezenlijke heil. Want de kerk is ‘datgene in ons volksleven wat het hart is voor het lichaam’. De kerk is als zodanig volkskerk of zij is geen kerk (W. Balke).
Nog altijd kun je de misvatting horen opduiken dat zo’n kerk een onmogelijke is, omdat de kerk toch nooit heel het volk heeft omvat en dat ook niet zal kunnen. Zij trekt dan een te wijde mantel aan, zij pretendeert te veel. Maar was het dat wat Hoedemaker bedoelde? Nee.
Wat dan wel? Het ging hem om het Evangelie van Jezus Christus. In zekere zin zou je het Evangelie ‘imperialistisch’ kunnen noemen, in de zin dat het als zodanig naar ieder en alles reikt. Doordringend en omzettend, heilbrengend, hoe tweesnijdend het Woord Gods ook is. En waartoe zou dat moeten dienen? Met het oog op een wedergeboorte tot het Koninkrijk Gods.

VRAGEN
Er zijn vragen te stellen, juist ook voor de tijd waarin wij nu leven. Veronderstelt de visie van Hoedemaker niet een levende, invloedrijke, getalsmatig grote kerk? Nee. Al zou de kerk teruggebracht worden tot een rompgestalte of een armelijk overschot, dan nog blijft zij hopen en bidden om doorwerking van het Woord op de schare die het niet (meer) kent. Dat betekent dat wij ook een gereduceerde kerk uit volle overtuiging hartstochtelijk liefhebben en aanvaarden (W. Balke). Maar dan ook haar schuld innerlijk meedragen, het oordeel onderkennen waarin zij betrokken is en biddend hopen op een ingrijpen van God.
Tenslotte weet alleen de kerk van het mysterie van deze wereld en van Gods bedoeling, van het heilgeheim dat haar is geopenbaard en dat zij dient te bewaren én uit te dragen. Zij moet zich daarbij niet laten terugdringen en door de libertaire en seculiere dienders in haar eigen hok opsluiten.
Er bestaat geen neutraliteit. Dat was één van Hoedemakers essentiële grondgedachten. Zo heeft hij gestaan in de kerk en in de staat, in weerwil van Kuyperiaanse strategieën en trompetgeschal, in het geloof dat het door Abraham de Geweldige afgeschreven ‘genootschap’ door God niet was losgelaten.


Ds. A. Beens uit Barneveld is emeritus predikant.


Dit is het laatste deel van een reeks waarin opvallende figuren uit de kerkgeschiedenis naar voren kwamen, telkens aan de hand van een gebeurtenis of publicatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Ph.J. Hoedemaker

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's