IN DE MINDERHEID
Hoe je als christen tussen andersdenkenden leeft
Als christenen leven we tegenwoordig als minderheid te midden van een andersdenkende gemeenschap die de meerderheid vormt. Hoe kan men in deze situatie trouw zijn aan God? Welke risico’s kleven er aan het dienen van Hem in een minderheidssituatie?
Het gaat in dit artikel niet zozeer om de wijze van (over)leven, maar in het bijzonder om het godsdienstige leven: het dienen van de Heere God in de gegeven situatie.
Waar wordt men als gelovige mee geconfronteerd, omringd door een – vaak ook vijandige – meerderheid die areligieus is of een andere godsdienst aanhangt en hierin in meerdere of mindere mate intolerant kan zijn ten opzichte van de minderheid? Welke onmogelijkheden of ook mogelijkheden heeft men als godsdienstige minderheid levend onder een totaal andersdenkende meerderheid?
MINDERHEID
Wanneer we in dit verband spreken over ‘minderheid’ en dit bezien vanuit de Bijbel, dan ontdekken we dat voornoemde minderheidssituatie één of enkele personen, een kleine groep kan betreffen. Het kan ook gaan om een grote(re) groep mensen die een godsdienstige minderheid in haar omgeving vormt. Wanneer men de bijbelse verslagen over een minderheid levend buiten het thuisland bestudeert, blijkt de Schriftuurlijke informatie in veel gevallen beperkt te zijn.
Vanuit de bijbelse gegevens die we ontdekken, proberen we de lijnen door te trekken naar de praktijk van de christenen vandaag; hierbij kijken we niet alleen naar dat deel van Christus’ gemeente in het (verre) buitenland, maar ook dichtbij in ons eigen land.
OUDE TESTAMENT
In het Oude Testament betreft de minderheidspositie met name mensen die zich niet binnen de bescherming van de eigen godsdienstige omgeving (met name in het land Israël) bevinden. Wat we in het Oude Testament tegenkomen in de verslagen over personen of groepen zoals Abraham, Jozef, Daniël en zijn vrienden, Ezra en Nehemia, Esther, Mordechai en de Joden uit hun omgeving in het Perzische Rijk, kunnen we aanduiden als minderheidsliteratuur.
Bij het bezien van deze personen en groepen maken we in grote lijnen onderscheid tussen de situatie voor en na de ballingschap. In de tijd voor de ballingschap was immers, na de verbondssluiting, vooral de theocratie in het land Israël bepalend voor de levenswijze, met name voor het godsdienstige leven.
Hoewel men zeker niet altijd trouw aan de verbondsrelatie met de HEERE was, kon men het leven binnen de grenzen van de theocratische staat Israël beschouwen als een meerderheidspositie.
Daarbuiten was men onherroepelijk een minderheid. Dat gold in het bijzonder in de tijd na de ballingschap.
Ten aanzien van de periode voor de ballingschap is er verschil in de situatie van de mensen die leefden voor de verbondssluiting, in het bijzonder de aartsvaders en het volk Israël in Egypte, en allen die later leefden behorend tot Gods verbondsvolk.
ABRAHAM
Als er iemand is geweest die een duidelijke minderheidspositie had, dan was het Abraham, de ‘vader van het geloof ’. In zijn geboorteplaats Ur kreeg hij van godswege de opdracht om deze plaats te verlaten en te trekken naar de plek die God hem zou wijzen (Gen.12:1-3; vgl. Hand.7: 2-4).
Nadat Abraham Haran verliet, trok hij door Kanaän: van Sichem naar een plek tussen Betel en Ai, vandaar zuidwaarts richting Negev. Later trok hij vanwege honger Egypte in (Gen.12:8-10) om daarna in de omgeving van Hebron terecht te komen. Uiteindelijk vestigde hij zich tussen Kades en Sur in het gebied van Gerar (Gen.20:1).
Op al deze plaatsen is hij vreemdeling, alleen geleid door Gods woorden en gehoorzaam aan Hem. Verschillende keren bouwt hij een altaar voor de Heere, Die hem verschijnt (Gen.12:8; 13:18).
Ondanks zijn minderheidspositie is Abraham wel in staat om met Gods hulp zijn neef Lot, die zich in Sodom had gevestigd, te bevrijden (Gen.14:1-17). Hij houdt vast aan Gods verbondsbeloften (Gen. 15; 17:1-8; vgl. Hebr.6:13-14) en leeft zo overal waar hij met de zijnen komt als vreemdeling in een minderheidheidspositie.
Door het geloof is hij ‘inwoner in het land van de belofte’ en belijdt hij dat zij ‘vreemdelingen en bijwoners op de aarde’ zijn (Hebr.11: 9-13).
JOZEF
Abrahams achterkleinzoon Jozef komt door toedoen van zijn afgunstige broers als slaaf in Egypte terecht. Daar heeft hij altijd en onder alle omstandigheden, bij de vernedering in de gevangenis en bij zijn verhoging aan het hof, een minderheidspositie bekleed. Vanuit die positie is hij toch in staat om op geestelijk en moreel gebied verleidingen te weerstaan en niet te zondigen tegen God (Gen.39:9) en ook loyaal te zijn aan zijn werkgevers.
In bepaalde opzichten was hij cultureel en sociaal geassimileerd. Hij trouwde met een Egyptische prinses, kreeg een Egyptische naam (Gen.41:45) en zijn uiterlijk was geheel aangepast aan de Egyptische gebruiken. Hierdoor was hij later voor al zijn broers volledig onherkenbaar (Gen.42:8).
Toch behoudt hij ondanks zijn uiteindelijk zeer hoge positie bij farao altijd een minderheidspositie in Egypte wat betreft afkomst en godsdienst. Tegenover zijn broers belijdt hij zeer nadrukkelijk zijn vaste geloof in de hulp en leiding van de God van zijn vaderen (Gen.45:5-9).
Vanuit zijn aanvankelijk kwetsbare minderheidspositie klimt hij op en gebruikt God hem om de zijnen en vele anderen in leven te behouden.
MOZES
Als kind van Israëlitische ouders groeide Mozes op als prins aan het Egyptische hof, terwijl zijn volk in een minderheidspositie zwoegde onder de slavernij. Toen hij echter de keuze maakte om (helaas in eigen kracht) op te komen voor zijn volk, moest hij vluchten en kwam ook hij in de kwetsbare minderheidspositie van zijn volksgenoten (Ex.2:11- 25). Maar in die positie wordt Mozes door de Heere geroepen en geleid om Israël te verlossen uit hun lijden als zeer grote groep in toestand van verdrukking.
ELIMELECH
In het boekje Ruth lezen we hoe Elimelech in de richterentijd vanwege hongersnood met zijn gezin Bethlehem verlaat om in Moab te gaan wonen. Deze beslissing houdt in dat hij – in plaats van zich af te vragen waarom de HEERE honger in het ‘broodhuis’ toelaat (vgl. Deut.28) – zich met de zijnen bewust als minderheid in het land van Kamos vestigt (vgl. Deut.23:3-6).
Hoe het hun in de praktijk van het dagelijkse leven in Moab als minderheid verging, wordt niet vermeld. We vernemen wel dat er vermenging plaatsvond, omdat beide zonen met Moabitische meisjes trouwen. Ook vond er kennelijk een vorm van gewenning of aanpassing plaats, aangezien men nog zo’n tien jaar in Moab bleef.
Toch valt hier een uiterst belangrijke opmerking te plaatsen: in haar minderheidspositie moet Naomi duidelijk hebben gesproken over het leven met de HEERE, de God van Israël. Hiervan getuigt de latere geloofsbelijdenis van haar schoondochter Ruth ‘Uw God is mijn God’ (Ruth1:16).
DIENSTMEISJE
In de Elisageschiedenis lezen we het verslag van de genezing van de hooggeplaatste Syrische militair Naäman (1 Kon.5:1-19). De vrouw van deze man die aan lepra lijdt, heeft een meisje in dienst dat als gevangene uit haar land Israël is weggevoerd. Zij bevindt zich duidelijk in alle opzichten in een minderheidspositie. Toch spreekt zij in de gegeven situatie vrijmoedig en met zekerheid over de profeet Elisa die de lepra zou kunnen wegnemen (v.3).
DANIëL
Daniël en zijn vrienden behoorden tot de vroege ballingen die uit Juda werden weggevoerd. Zij komen aan het hof van de koning om opgeleid te worden om in zijn dienst te komen. Ze krijgen daar andere namen en worden onderwezen. Ondanks zijn minderheidspositie neemt Daniël zich vast voor zich niet te verontreinigen met voor hem verboden voedsel en drank van de koning (Dan. 1:8).
Gedurende zijn hele leven bekleedt hij hoge posities aan het hof, maar op geestelijk gebied blijft hij altijd een minderheid en is van hem bekend dat hij niet tot de afgoden bidt. Juist op dit kwetsbare punt vallen afgunstige mannen hem als zeer hooggeplaatste met een listig plan aan (Dan.6). Ondanks het verbod gedurende dertig dagen tot enige god te bidden en met gevaar voor zijn leven blijft hij trouw in het dienen van zijn God en bidt hij zoals hij altijd heeft gedaan (v.11). In zijn minderheidspositie is hij bereid de gevolgen van zijn trouw aan God te dragen.
EZRA EN NEHEMIA
Ezra en Nehemia werkten als leiders van het Joodse volk als minderheid in de kleine provincie Jehud in het grote Perzische Rijk. Als leiders van een etnische min derheid moeten zij het vertrouwen van de koning winnen en opereren zij binnen het geheel van een andersdenkende, tegenwerkende en vaak ook vijandige meerderheid. Zij houden echter vast aan hun opdracht als leiders bij de herbouw van Jeruzalem, de tempel en de bescherming van de stad en blijven trouw aan Gods Woord en geboden.
ESTHER EN MORDECHAI
Geheel anders dan de situatie van de teruggekeerde ballingen ten tijde van Ezra en Nehemia is die van de Joden die besloten hadden niet terug te keren, maar in het land van ballingschap te blijven.
Binnen het immense Perzische rijk vormt de Joodse diasporagemeenschap een overduidelijke minderheid in etnisch en godsdienstig opzicht. De geschiedenis van het weesmeisje Esther toont ons dat er sprake is van vergaande assimilatie of aanpassing. Zij heeft een Hebreeuwse naam Hadassa (mirte), maar wordt alleen genoemd met haar Perzische naam Esther. Ook de naam van haar (achter)neef Mordechai, die haar als pleegdochter aannam, verraadt een vorm van assimilatie.
Zijn naam is een afleiding van Marduk, de belangrijkste Babylonische god en is een aanpassing van de naam Marduka, ‘man van Marduk’. Wanneer Esther in de koninklijke harem belandt, gebiedt Mordechai haar aanvankelijk haar Joodse afkomst te verzwijgen. Dat wijst erop dat het behoren tot deze minderheid gevaren kan opleveren. Tijdens de beginperiode van haar verblijf in de harem en aan het hof (Esther 2-3) past Esther zich geheel aan de situatie aan waarin zij zich bevindt, dit in tegenstelling tot Daniël en zijn vrienden.
Pas wanneer zij beseft dat ook zij levensgevaar loopt vanwege het optreden van de jodenhater Haman, besluit zij uit te komen voor haar Jood-zijn en op te komen voor haar volk (Esther 4:15-16).
Vanuit haar hoge positie aan het hof handelt zij geheel overeenkomstig de gebruiken van het Perzische rijk. Tegelijk gebruikt God haar als middel tot uitredding van Zijn volk, dat als kwetsbare minderheid met uitroeiing wordt bedreigd.
NIEUWE TESTAMENT
De gemeente die in de eerste eeuw is ontstaan uit Jezus’ arbeid, bestond aanvankelijk uit Joodse christenen, later uit Joden en niet- Joden en ontwikkelde zich uiteindelijk tot een gemeente die voornamelijk uit niet-Joden bestond.
Dat het heil van God voor alle volken is, wordt al duidelijk aangekondigd in veel oudtestamentische passages en Jezus heeft dit als Messias zo verkondigd met betrekking tot Zichzelf.
MESSIAANSE GEMEENSCHAPPEN
Door geloof in Hem ontstonden de messiaanse gemeenschappen. Vanuit het Nieuwe Testament weten we niet zo veel over deze vroeg-christelijke gemeenschappen. In Handelingen zien we enkele aspecten van hun levensstijl (Hand.2:41-45; 4:32-35) naar voren komen.
Wel is duidelijk dat er organisatorisch parallellen aanwijsbaar zijn tussen de eerste messiaanse gemeente(n) en de Joodse gemeenschapshuizen. Dit betreft onder meer de sobere levensstijl, gezamenlijke maaltijden en vooral ook thorastudie. Deze huisgemeenschappen vormen de basis van de messiaanse gemeente. Zij zijn sociaal en missionair gedreven: hun evangelieverkondiging gaat samen met het voorzien in de nood van de behoeftigen. De heilsboodschap wordt zo verspreid vanuit de huizen van de gelovigen, zij vormen de ekklesia (eruit geroepenen).
Ook buiten Jeruzalem, in Troas, Efeze, Korinthe en Rome, blijkt het huis van de gelovigen de plaats te zijn waar de ekklesia bijeenkomt. Deze huisgemeenten, alsook de individuele gelovigen, bevinden zich altijd in een minderheidspositie ten aanzien van hun omgeving, met alle gevolgen vandien. In deze situatie worden ze voortdurend geconfronteerd met de tegenstand, verleidingen of aanvallen van de ongelovige meerderheid die hen omringde. Te midden van dit alles heeft men de permanente opdracht zich afgezonderd te houden van zonde, trouw te zijn aan de Heere en te volharden in het dienen van Hem.
VANDAAG
De meerderheidspositie die de christelijke kerk eeuwenlang innam in West-Europa, is (grotendeels) voorbij. Christelijke normen en waarden komen steeds minder tot uitdrukking. Tegelijkertijd groeit de tegenstand tegen het christendom in allerlei opzichten en op veel terreinen van ons leven. Dit dwingt ons tot ernstig nadenken over de vraag hoe christenen in deze situatie – individueel en als gemeenschap – God kunnen dienen en trouw blijven aan de bijbelse normen. ‘In de wereld, maar niet van de wereld’ is een bekende uitspraak. Gelovigen worden opgeroepen om onberispelijk te leven te midden van een vijandige wereld (Fil.2:15; Jak.1:27). Wanneer men hieraan concreet en praktisch gehoor wil geven, zal dit zeker offers met zich meebrengen. Dit leren de verschillende personen die we ontmoeten in de bijbelse minderheidsliteratuur ons.
Als minderheid, ook in ons land, is het onze blijvende opdracht om een ‘zoutend zout’ te zijn en ‘als licht te stralen’ te midden van een andersdenkende meerderheid (Matt.5:13,14-16).
Dr. A.E.M.A. van Veen-Vrolijk is docent Oude Testament en Hebreeuws aan onder meer de Evangelische Theologische Academie en is medeauteur van de studiebijbel Oude Testament, uitgegeven door het Centrum voor Bijbelonderzoek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's