De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

LITERAIR MOTIEF

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERAIR MOTIEF

Pastorieën [6, slot, in de literatuur]

9 minuten leestijd

In ons land kennen wij een lange traditie van schrijvende en dichtende predikanten. Predikanten hebben echter niet alleen zelf geschreven, er is ook óver hen geschreven.

Dr. O.W. Dubois uit Berkenwoude is historicus.

Predikanten hebben een belangrijke bijdrage aan de letterkunde geleverd. We kennen ze van de zeventiende-eeuwse Jacob Revius tot de twintigste-eeuwse Willem Barnard. Het fenomeen is bekend geworden door negentiende-eeuwse domineedichters als Beets en Ten Kate.

Predikanten hebben echter niet alleen zelf geschreven, maar hun leven en persoon vormen ook een literair motief. In zijn boeiende artikel ‘De dominees van Theodor Fontane’ in het Reformatorisch Dagblad van 27 maart 1998 merkt Hans Ester op dat dit motief al te vinden is in de roman The Vicar of Wakefield (1776) van de Engelse schrijver Oliver Goldsmith.

Het predikantsleven in deze roman is aanvankelijk zeker geen rozengeur en maneschijn. Door te eindigen met een happy end heeft dit boek, zo schrijft Hans Ester, echter veel bijgedragen aan de stereotiepe literaire voorstelling van de predikantswoning en de pastorietuin van de plattelandsdominee als idylle.

Naast een traditie van schrijvende predikanten vinden we dus het predikantsleven als een literair thema. Ik sta stil bij een drietal romans uit respectievelijk de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw, met de vraag hoe hieraan is vormgegeven. We beginnen met De Stechlin (1898) van de Duitse schrijver Theodor Fontane (1819-1898), vervolgen daarna onze literaire reis aan de overkant van de Atlantische Oceaan met De pastorie van Maybury (1951) van de Amerikaanse schrijfster Mildred Lee en besluiten met Gilead (2005) van de eveneens Amerikaanse schrijfster Marylinn Robinson.

‘DE STECHLIN’

De Stechlin is een roman waarin vooral aan de hand van gesprekken een boeiend beeld wordt gegeven van de laat negentiende-eeuwse Duitse samenleving. Die bevindt zich dan in een overgang van de oude standenmaatschappij naar de moderne democratie. Ds. Lorenzen is een van de vele sympathieke en bezielde karakters die dit boek bevolken en het lezen ervan tot een genoegen maken. Ds. Lorenzen is de geestelijke en morele opvoeder van Woldemar, zoon van de adellijke slotheer van De Stechlin. In een gesprek met gravin Melusine, één van de bekoorlijkste vrouwengestalten van de Nederlandse en Europese literatuur, zegt Woldemar erg veel van Lorenzen te houden. Dit komt, omdat hij alles wat hij is aan hem te danken heeft en hij een edel gemoed heeft. Een edel gemoed is veel, antwoordt Melusine, die zelf ook een zuiver hart en een ruime geest heeft.

EDEL GEMOED

Dit edel gemoed, dit zuivere idealisme, dat ons veelal zo vreemd is geworden en we in de moderne seculiere literatuur ternauwernood meer aantreffen, komt heel duidelijk tot uiting in de grote bewondering van Lorenzen voor de Portugese dichter Joäo Ramos de Deus (1830-1896). Deze dichter is nu vergeten, maar men vereerde hem destijds in Portugal en heel Europa. Hij werd geroemd als de grootste lyricus van de Portugese letterkunde. Deze dichter was zich ook bewust van zijn sociale roeping en heeft zich jarenlang ingezet om de volksmassa te leren lezen en schrijven.

Een mooi beeld van deze dichter en volkshervormer krijgen we uit de aantekeningen in een klein cahier van Lorenzen. Hij leest er Woldemar uit voor en deze vertelt dit op zijn beurt verder aan gravin Melusine. Naar voren komt dat er bij de dood van Joäo de Deus rouw heerst in het hele land: alle scholen in Lissabon zijn gesloten, de ministers, de mensen van het hof, de geleerden en de handwerkers volgen allen in dichte drommen de kist en de fabrieksarbeidsters tillen snikkend hun kinderen op, wijzen naar de kist en zeggen: ‘een heilige, een heilige’. Dit doen ze, omdat hij voor de armen heeft geleefd.

LIEFDE

Deze mens was een mens wiens heroïek niet die van het slagveld, maar van de geest was. Ds. Lorenzen had zelf graag zo willen zijn. ‘Hij was’, zo zegt hij tegen Woldemar, ‘precies wat ik graag zou willen zijn, waarnaar ik op zoek ben, sinds ik begonnen ben te leven, wérkelijk te leven, en waarvan de buitenwereld voortdurend zegt dat zoiets niet meer bestaat. Maar het bestaat nog wel, het moet bestaan of toch weer bestaan.

Onze hele maatschappij (en al helemaal wat zich speciaal zo noemt,) steunt op het Ik. Dat is haar vloek en daaraan moet ze te gronde gaan. De Tien Geboden, dat was het Oude Verbond, maar het Nieuwe Verbond heeft een ander, één enkel Gebod, en dat eindigt met de woorden: en al hadt gij de liefde niet….’ Een kernachtige samenvatting van het Evangelie.

Lorenzen heeft veel waardering voor de oude adellijke Pruisische families. Met de conservatief gezinde slotheer Dubslav von Stechlin verbinden hem sterke persoonlijke banden van sympathie. Toch hebben de adellijke families hun beste tijd gehad, betoogt hij tegenover gravin Melusine, die geheel eensgeestes met hem is. Zijn tijd - het gaat hier over het laatste decennium van de negentiende eeuw - staat voor hem in het teken van een democratische wereldbeschouwing en een nieuwe, betere en voorspoedigere tijd breekt aan.

BETERE SAMENLEVING

De bezielde en idealistische ds. Lorenzen behoort niet, zo schrijft Ester, tot de ook bij Fontane veel voorkomende dominees die het als hun hoofdtaak in het leven beschouwen bijen te houden, rozen te kweken of een archeologische verzameling op te bouwen.

Hij droomt van een andere en betere mens en samenleving. In dit opzicht doet hij wel denken aan de van vooruitgangsgeloof bezielde humanist Settembrini uit Thomas Manns Der Zauberberg (1924).

JOHN PAUL GREGORY

Een gevoelig en sympathiek mens is ook de baptistenpredikant John Paul Gregory in De pastorie van Maybury (1951) van Mildred Lee. Dit boek verscheen in de destijds bekende Spiegelserie, die zijn honderdduizenden heeft verslagen, en van mijn moeders boekenkast naar de mijne is overgegaan. Zo is ook in dezen continuïteit der geslachten. Weinigen zullen dit boek meer kennen, maar lezing of herlezing is beslist de moeite waard.

In de jaren 1942-1945 is Gregory predikant in het plaatsje Maybury in de zuidelijke staat Georgia. Ds. Gregory wordt gedreven door de liefde tot zijn Meester en de mens. Hij gelooft vast dat ‘elk mens, die naar Gods beeld geschapen is, nog iets kan vertonen van de goedheid van zijn Schepper. Wanneer de mensen maar waarlijk tot de ontdekking komen dat Christus macht heeft mensenlevens te vernieuwen.’

ONTFERMING

Naar het voorbeeld van zijn Heiland is hij met innerlijke ontferming bewogen over de geestelijke en sociale nood van zijn medemensen. Ontroerend en overtuigend zijn de beschrijvingen van bijvoorbeeld zijn inzet voor en betrokkenheid bij de door een diep verdriet geplaagde burgemeester die zich regelmatig een roes drinkt. Hij is, zo kan men zeggen, hem een broeder in het lijden, neemt de nood van deze ongelukkige op zich. In dezen doet hij denken aan veel domineesgestalten en andere figuren in het werk van Wilma, die als Gods vrijwilligers eveneens de nood van hun naaste op het eigen hart dragen.

Fijnzinnig pastoraal-psychologisch inzicht toont ds. Gregory in zijn omgang met een al te gewetensvol gemeentelid. Behoedzaam en tactvol zijn de gesprekken met zijn bejaarde voorganger die in de gemeente is blijven wonen en het zijn opvolger wel eens moeilijk maakt. Altijd weer treft de zuiverheid en oprechtheid van Gregory, die ook de diepten van het eigen hart kent.

RASSENPROBLEEM

Een hoogtepunt van de roman zijn de bladzijden waarin dominee Gregory een uitzinnige menigte die een neger wil lynchen, tot stilstand weet te brengen. Staande voor de troep houdt hij hen voor dat zij de smet van een moord op hun ziel laden: ‘Als je het zelf nog niet rustig kunt bedenken, moet je het van mij aannemen: jullie plan betekent geen eerlijke rechtspleging om de begane misdaad te vergelden, maar een grote schande voor jullie allemaal. Voor jezelf en voor jullie vrouwen en kinderen, en voor onze Zuidelijke staten die het toch al zo moeilijk hebben met het rassenprobleem. Als jullie dit doet, is dat een aanklacht tegen ons hele volk. Wordt er al geen bloed genoeg vergoten in de wereld?’ Hier vertoont zich de kracht van het Evangelie en haar dienaren.

JOHN AMES

Ds. Ames in Gilead, een van die romans die de ziel verheffen, is een gevoelig en ontvankelijk mens. Hij is vervuld van bewondering voor dit door God gegeven geweldige tijdelijke en sterfelijke leven, deze schitterende droom van geboren worden en sterven. Soms is het hem alsof hij een kind is dat op een keer zijn ogen opendoet en wonderbaarlijke dingen ziet die het niet kan benoemen en dan zijn ogen weer dicht moet doen. Hij weet dat dit alles nog slechts een afspiegeling is van de eeuwigheid, maar des te liefelijker is het hem; hierin schuilt menselijke schoonheid. Dit is een gevoel dat we ook verwoord vinden in de dichtregels van Jan Wit: ‘t Is alles een gelijkenis/ van meer dan aards geheimenis (Liedboek voor de kerken, lied 479).

LICHT

Buitengewoon gevoelig is ds. Ames ook voor licht. Hem treft de schoonheid van de maan in het warme avondlicht dat lijkt op een prachtige kaarsvlam in het morgenlicht. Het licht schept verwondering en dankbaarheid. Elke keer als hij de dageraad ziet aanbreken, het licht over het land ziet opkomen en alles in één keer stralend helder ziet worden, is hem het woord ‘goed’ ‘zo diep in mijn ziel gegrift, dat ik verbaasd ben dat het me gegund was van zoiets getuige te zijn. Mogelijk is er een nog schitterender eerste ogenblik geweest, terwijl de morgensterren samen jubelden en Gods zonen juichten van vreugde. Maar ondanks alles wat daar naar mijn ervaring tegen spreekt, zullen ze nog steeds zingen en juichen, dat zal zeker zo zijn.’ Schoonheidsgevoel en dankbaarheid voor Gods goede gaven, voor de heilige schoonheid van de schepping, vloeien hier ineen.

DANKBAARHEID

Dankbaarheid is een constante in het leven van Ames. Zijn grootste dankbaarheid echter richt zich op zijn vrouw. Zij wordt getekend als een verschijning van grote goedheid en eenvoud die zijn leven met haar glans overstraalt. Mooi is de verwantschap die hij voelt tussen huwelijksliefde en Gods liefde.

De onuitsprekelijke blijdschap die we vinden in een bepaald gelaat leert ons, zo bepeinst hij, iets over de aard van de allerhoogste liefde. Het is van een diepe betekenis dat het christendom over de band tussen Christus en Zijn kerk altijd in termen van het huwelijk heeft gesproken.

De bewondering en dankbaarheid van ds. Ames, zijn levensaanvaarding en ingetogen levensvreugde, geven aan Gilead een grote bekoring en brengen de lezer in een andere, betere wereld.

POSITIEF BEELD

Deze drie naar tijd en land uiteenlopende romans geven elk een eigen beeld van een predikant. In elk van de drie is dit beeld echter uitgesproken positief. De lezer kennis maakt kennis met persoonlijkheden die zich een waardig dienaar van Christus tonen. Het is een verkwikking deze romans te lezen en zich te laven aan menselijkheid en schoonheid en goedheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

LITERAIR MOTIEF

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's