EEN BELANGRIJKE STUDIE
Kerkgeschiedenis als academisch vak [2, slot]
Onder theologen is de wetenschappelijke belangstelling voor de geschiedenis van het christendom tanende. Dat komt door het vertekende beeld dat zij van het vak hebben en door de postmoderne tendens om de waarheid te relativeren. Ook focussen ze te veel op de directe relevantie van hun studie voor de praktijk.
Dr. H. van den Belt uit Woudenberg is bijzonder hoogleraar Gereformeerde Godgeleerdheid vanwege de Gereformeerde Bond aan de Rijksuniuersiteit Groningen.
Van mijn eigen potentiële promovendi – op dit moment acht in totaal – komen er drie uit het buitenland en drie uit de Gereformeerde Gemeenten. Dat betekent dat er naast Mirjam Hofman, een promovendus die door de Gereformeerde is Bond benoemd, nog één hervormde promovendus is. De belangstelling voor de geschiedenis van de gereformeerde theologie uit andere continenten en andere kerken is natuurlijk prachtig, maar het geeft wel te denken als er in eigen kring haast niemand warm voor loopt.
ONDER DRUK
De professionele beoefening van de kerkgeschiedenis aan de academische instellingen staat sterk onder druk. Vijfentwintig jaar geleden werd het vak ‘kerkgeschiedenis’ gedoceerd aan dertien verschillende academische instellingen. Er waren aan elke instelling experts – vaak leerstoelhouders – per tijdvak: patristiek, Middeleeuwen, Reformatie, moderne tijd.
Nu zijn er nog maar drie universiteiten met onderwijs en onderzoek in theologie en religiewetenschappen (de Rijksuniversiteit Groningen, Radboud Universiteit in Nijmegen en Vrije Universiteit in Amsterdam), en vier academische instellingen voor confessionele theologie (de Protestantse Theologische Universiteit, de rooms-katholieke theologie-opleiding in Tilburg en Utrecht, en Kampen en Apeldoorn, die een fusietraject zijn ingegaan). Aan de andere universiteiten (Utrecht, Leiden en de Universiteit van Amsterdam) is alleen nog maar religiewetenschap overgebleven. Daar is de geschiedenis van de kerk en de theologie een onderdeel van de bredere bestudering van religies. Erger is echter dat aan elke instelling nog maar één of hoogstens twee leerstoelen verbonden zijn en dat kerkgeschiedenis steeds meer verschuift naar bijzondere leerstoelen.
RELIGIEGESCHIEDENIS
De afgelopen decennia woedde daarnaast ook een discussie over de termen ‘religiegeschiedenis’ en ‘kerkgeschiedenis’. Deze kreeg soms een ideologische lading en staat natuurlijk ook niet los van de vervanging van godgeleerdheid door religiewetenschap aan verschillende universiteiten. Als de naamsverandering betekent dat we het niet meer over de theologische inhoud hebben, maar alleen religieuze praktijken beschrijven, dan is die verandering verwerpelijk. Toch moeten we ook nuchter vaststellen dat we gelukkig niet alleen het instituut kerk bestuderen maar ook het geloof en leven van de christenen in hun context. Misschien kunnen we de discussie overstijgen door gewoon te spreken over de bestudering van de geschiedenis van het christendom, want daar gaat het uiteindelijk allemaal over.
NACHTMERRIE
Als de ontwikkeling echt doorzet, is het de vraag of het academische vak kerkgeschiedenis over 25 jaar nog bestaat. De nachtmerrie – en er is helaas geen garantie dat het slechts om een droom gaat – is het volledig verdwijnen van een specifeke academische discipline.
Bij bezuinigingen is de kerkgeschiedenis een gemakkelijke prooi, omdat wij ons tussen de wal van de empirische godsdienstwetenschap en het schip van de theologie bevinden. Aan alle instellingen is in de afgelopen jaren meer bezuinigd op de bestudering van de geschiedenis van het christendom dan op enige andere discipline.
Als dat doorzet, zullen de vele de enthousiaste amateurs het moeten stellen zonder de vruchtbare wisselwerking met de expertise van de academici. Er zullen geen promoties meer zijn, omdat er niemand is om bij te promoveren. De geschiedenis van kerk en religie in de Nederlanden zal alleen nog door belangstellenden uit het buitenland op academisch niveau bestudeerd worden, maar geen gastheer of -vrouw zal hen kunnen ontvangen.
VERSCHUIVINGEN
Er zijn intussen ook dingen verschoven in de praktijk van de bestudering van de kerk- en theologiegeschiedenis. Door het internet is er een bijna onbeperkte beschikbaarheid van bronteksten, terwijl er vroeger een beperkte hoeveelheid bronnen beschikbaar was waar alleen de experts overzicht over en toegang tot hadden. Tegelijk zijn er steeds minder studenten in staat de inhoud te duiden (vanuit een algemeen kader van kennis van het christendom) of de teksten in de oude gotische druk te lezen, om maar te zwijgen over het Latijn.
De digitale revolutie beïnvloedt ook de methodiek van onderzoek, omdat het mogelijk is om specifek woordgebruik in grote databestanden te onderzoeken.
NIEUWE GLANS
De kernvraag is vooral wat er gedaan kan worden om het tij te keren. Een analyse van de ziekte is één ding, maar herstel van de patiënt is nog iets anders. Wat is er aan te doen om aan het prachtige vak weer nieuwe glans te geven? Waarom zou elke predikant geïnteresseerd moeten zijn in de geschiedenis van de kerk? Waarom zouden sommigen zich geroepen moeten weten om een groot deel van hun kostbare tijd te besteden aan een promotieonderzoek in de kerkgeschiedenis?
Vaak begint het gewoon bij belangstelling voor de bronnen die gelovigen uit andere tijden hebben nagelaten, voor de overtuigingen waar zij soms heel veel voor over gehad hebben. Er moet een vonk zijn die overslaat, er moet enthousiasme zijn voor het voorwerp van de studie.
Ik doe mijn uiterste best om mijn eigen bevlogenheid op de nieuwe generatie studenten over te dragen en hoop vurig dat predikanten, godsdienstdocenten, geschiedenisdocenten en ouders dat ook zullen doen. Het is gaaf om intensief met de geschiedenis van kerk en theologie bezig te zijn.
EIGEN POSITIE
Daarnaast is de bestudering van de kerkgeschiedenis belangrijk om zelf positie te kunnen bepalen. Het is niet alleen spannend om te zoeken naar de verbinding tussen de theologische opvattingen en de toenmalige context, maar ook om de vraag te stellen welke lessen we daar vandaag uit kunnen trekken.
Alleen zo kun je begrijpen waarom bijvoorbeeld Guido de Bres zegt dat je om in de hemel te komen maar één keer gedoopt moet wezen. Dat staat zo in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, maar vandaag zou geen enkele antievangelische ketterjager dat zo strak formuleren. De opvattingen over en formulering van de essentie van het christelijke geloof kunnen in verschillende contexten nogal wisselen. Dat is nu juist wat kerkgeschiedenis zo’n boeiend vak maakt.
PRAKTIJK
Soms werpen religieuze praktijken nieuw licht op de geloofsleer. Zo besprak ik onlangs met een groep predikanten bronteksten van doperse en gereformeerde christenen uit de zestiende eeuw, onder de titel ‘De doop als twistappel’. Verschillende argumenten uit de zestiendeeeuwse discussies keren terug in huidige debatten over de kinderdoop.
Toch bleken juist de veranderingen in de rituele praktijk in de tijd van de Reformatie nieuw licht te werpen op de verschillen in de theologie. Werd het kind in de Middeleeuwen letterlijk getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het koninkrijk van God, in de gereformeerde doopliturgie is de doop een bevestiging van de verbondsrelatie die het kind van gelovige ouders al met God heeft.
De doperse liturgie van de volwassendoop lag dichter bij de middeleeuwse praktijk dan de gereformeerde kinderdoop. Deze praktische verschillen zetten ons weer aan het denken over ons verstaan van de doop.
LIEFDE
Het belangrijkste motief voor de bestudering van de geschiedenis van de kerk en van de theologie is echter de liefde. Zonder de intrinsieke motivatie, zonder het enthousiasme voor het vak zijn alle externe motieven krachteloos. Liefde voor de kerk is niet in de eerste plaats liefde voor onze kerk, maar liefde voor de kerk van alle tijden en plaatsen, voor de bruid van Christus, het lichaam van Christus en dus ook voor de geschiedenis van kerk en christendom.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 2015
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 2015
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's