De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CALVIJN IN DICHTVORM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CALVIJN IN DICHTVORM

Willem de Mérode doet niet mee aan heldenverering

5 minuten leestijd

De reformator van Genève staat centraal in een gedicht van Willem de Mérode (1887-1939). Hij blijkt niet de held te zijn zoals gereformeerde schoolboekjes en calvinistische kerkgeschiedenisverhalen hem tekenden.

Dr. M.A. van den Berg is predikant van de hervormde gemeente te Zoetermeer.

Willem de Mérode was een toonaangevende christelijke dichter in de periode tussen de twee wereld-oorlogen. Hij maakte deel uit van de gereformeerde cultuur, die, in de geest van Abraham Kuyper, zich emancipeerde tot het zelfbewuste volksdeel van de ‘kleine luyden’. Op alle terreinen van het leven zouden de zonen en dochters van de Reformatie zich laten gelden.

Een grootse carrière binnen de gereformeerde wereld was voor de veelbelovende onderwijzer uit Uithuizermeeden helaas niet weggelegd. De persoonlijke levenstragiek - een periode van gevangenschap in verband met zijn veroordeling wegens ongeoorloofde ‘jongensliefde’ - dreef hem in een isolement. Hoewel hij oprecht schuld had beleden, voelde hij zich in zijn kerk niet meer geaccepteerd. Deze nood heeft hij intens verwoord in een van zijn kwatrijnen in De Rozenhof, een dichtbundel ontstaan in de gevangenis.

Zij zeggen: ‘wij vergeven, maar ga heen!

Wij hebben met de zondaars niets gemeen.

Wie God verliet, wordt van Zijn volk verstooten.’

Maar de verlaat’nen vinden God alleen.

ORTHODOX-GEREFORMEERD

Toch heeft De Mérode nooit afscheid genomen van het geestelijke klimaat waarbinnen hij is opgegroeid. Theologisch bleef hij orthodox-gereformeerd, zeker ook in zijn niet malse kritiek op allerlei vage christelijke literaire vrienden, die in een algemeen religieus vaarwater terechtkwamen. De dichter was altijd ook wel breder geweest, en voelde veel affniteit met de Roomse mystici uit verleden en eigen tijd.

Zijn biograaf Hans Werkman noemt hem een ‘gereformeerde mysticus’ en stelt vast dat De Mé-rode in zijn laatste jaren eigenlijk alleen nog maar meer calvinist is geworden, overigens zonder zijn liefde voor de katholieke mystiek te verlaten. Tegenover de zogenaamde jongprotestanten nam hij het echter vrijmoedig op voor de kracht en de troost van de gereformeerde leer. Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus en het avondmaalsformulier waren hem op het hart geschreven. Wie zijn nog steeds vaak geciteerde avond-maalsgedichten leest, herkent dit zeer zeker.

KALEIDOSCOOP

In het licht van deze hartelijke verdediging van de calvinistische heilsleer, die volgens De Mérode door en door bijbels was, worden we nieuwsgierig naar het beeld dat hij van de grote ‘stichter’ van het calvinisme – zo zag de kerk van Kuyper de Geneefse reformator Johannes Calvijn – heeft gehad.

In zijn late bundel Kaleidoscoopvinden we in een zeer diverse verzameling poëtisch-expressionistische portretten uit het jaar 1936 (het vierhonderdste gedenkjaar van Calvijns Institutieen de reformatie van Genève) ook een portret van de reformator van Genève. De Mérode heeft voor deze bundel, die in 1938 verscheen, in brede literaire kring veel lof ontvangen.

De bundel opent met een portret van de dichter zelf. Dichten is gestalten tot leven brengen die in hem sluimeren, die hij zelf niet wakker kan roepen. Hij moet wachten tot ze zelf ontwaken, zo begint hij de bundel.

Er leven velen in hem, maar zij sluimren.

Hij mag hen niet ontwekken, en hij wacht

Of geen zich wakker woelen zal, en zacht,

Een duif, tot ’t leven kringlen zal en tuimlen.

REFORMATOREN

Opmerkelijk dat dan de eerste vier portretten uit de kerkhistorie zijn. Luther en Calvijn worden wakker, De ‘Zeventiendeeeuwsche predikanten’ en de ‘Afgescheidenen’. Met dit bijzondere viertal gedichten geeft de zoon van de Afscheiding een visitekaartje van zijn geestelijke traditie.

Hoe schildert hij in het dubbel-portret de twee belangrijkste reformatoren? Niet zozeer als de helden die ze in veel gereformeerde schoolboekjes en calvinistische kerkgeschiedenis waren, maar meer als de gekwelde geloofsgetuigen, die hun kerk- en wereldvernieuwende dienst niet zelfbewust hebben gezocht. Ze waren er letterlijk van Godswege toe ingewonnen. Als oudtestamentische profeten, die naar de buitenkant zo onverzettelijk konden zijn als een ‘keisteen’, maar die innerlijk de last nauwelijks konden dragen.

GEDICHT

We laten hier volgen hoe De Mérode Calvijn heeft gezien. In een brief aan zijn pastor, de hervormde ds. H.C. Touw uit Eerbeek, vertelt de dichter hoe zijn gedicht tot stand kwam: ‘Calvijn stootte mij met zijn magere knoken bont en blauw en kriebelde mij met zijn lange baard. Als hij eens met goed is ingemaakt, is ’t zijn eigen schuld.’ Het gedicht gaat als volgt.

CALVIJN

Hij met de doodskop en fanatisch boos
Van baard en ogen, kon geluk ontberen.
Waarom de Souvereiniteit des Heeren
Juist hem tot feilloos treffend wapen koos?

Hij wierp zich ziende in het grondeloos
Diep van Zijn eeuwige genaverbonden;
Verheffend bovenal en voor altoos
Gods Eer, Wiens heiligheid hem had verslonden.

Hij werd het hoofd der ijzren hierarchie.
Zijn grondwet van het koninkrijk der heemlen
Beheerste onwrikbaar streng geloof en leven.

Tyran, bestreed hij elke tyrannie,
En dwong, wanneer vijanden rondom weemlen,
De Heer ten strijd, en liet de wereld beven.

Het is met een zekere ironie duidelijk geen vrucht van calvinistische heldenverering geworden. Het is echter ook niet het tegendeel.

De derde en vierde strofe doen overigens wel denken aan het gitzwarte beeld dat de Joodse schrijver Stefan Zweig in 1936 heeft gegeven in zijn boek over Calvijn en Castellio, waarin Calvijn als de grote tiran van Genève met zijn komst alle vreugde uit de stad verdreef. Je vraagt je bij dit gedicht soms af of De Mérode het boek van Zweig zou hebben gelezen. We weten het niet. De Mérode heeft echter zoveel innerlijke affniteit met de gestalte van Calvijn die in zijn gedicht ontwaakt, dat we van een dergelijke afkeer absoluut niet kunnen spreken.

Het ‘grondeloos diep van Zijn eeuwige genadeverbon-den’ (we zouden verwachten dat hij ‘Zijn eeuwige raadsbesluiten zou noemen) uit de tweede strofe vind ik zo verrassend, dat we de conclusie wel mogen trekken dat De Mérode in zijn opkomen voor de eer van God en Zijn eeuwige verkiezende liefde zich con amore leerling en zelfs zoon van Calvijn heeft geweten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

CALVIJN IN DICHTVORM

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's