De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKINGEN

6 minuten leestijd

Thomáš Halík Geduld met God. Twijfel als brug tussen geloven en niet-geloven. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 192 blz.; € 19,50.

Het zou niet moeilijk zijn deze bespreking van Halíks boek Geduld met God volledig te vullen met prikkelende, inspirerende, tot nadenken stemmende, soms ook irriterende zinnen. Neem bijvoorbeeld deze: ‘Er bestaat voor ons maar één manier om het hartstochtelijke protestatheïsme te overwinnen, namelijk door het te omarmen. Laten we het omarmen met de hartstochtelijkheid van ons geloof en het zegenen; en zijn existentiële ervaring een deel van de onze maken’ (105). Of deze: ‘Er zijn veel mensen die lange tijd een kinderlijke voorstelling hebben gehouden van een magische god, een god van goedkope troost en oppervlakkig optimisme: een beschermengel tot onze dienst, een steevaste trooster die zegt dat alles goed komt (…). Het is logisch dat zo’n roze godje ineenzakt bij de eerste serieuzere crisis van ons leven’ (96).

Hoe komt het dat het boek van Halík al van zoveel recensenten de aandacht getrokken heeft? En wat zorgt ervoor dat een auteur over een zeer brede linie op (overwegende) instemming kan rekenen? Misschien dat het met een zin als deze te maken heeft: ‘Wanneer ik de kerk in verval zie – in welke betekenis dan ook – wanhoop ik niet. Ik heb tenslotte zelf al veel beleefd en christenen hebben in de loop van de twintigste eeuw veel meer gezien en doorgemaakt’ (56). De insteek van het boek is namelijk sterk autobiografsch. Vanaf de achterfap kijkt een kalende zestiger je scherpzinnig tegemoet en al lezend kom je over zijn leven het nodige te weten. Halík is een Tsjechische intellectueel, die tijdens de hoogtijdagen van het communistischatheïstische regime in Tsjechië in het diepste geheim tot priester is gewijd. Zelfs zijn moeder mocht dat uit veiligheidsoverwegingen niet weten. Het is begrijpelijk dat deze ervaringen zijn leven diep gestempeld hebben. Aan den lijve heeft Halík meegemaakt hoe een totalitair regime een land en een kerk kapot kunnen maken.

Toch maakt hem dat niet wanhopig en die sfeer ademt het boek dan ook bepaald niet. Het is een gepassioneerd en hoopvol boek, want Halík wil vooruit. Hij wil voorbij aan de leegte van een door het atheïsme gestempelde cultuur, maar ook voorbij aan hen die (nu dat na de val van het regime weer mocht) die leegte op een te goedkope manier proberen op te vullen. Het kan in de optiek van Halík niet zo zijn dat de kerk, nu zij weer mag zeggen dat Jezus het antwoord is, de grote vragen niet meer serieus neemt. Daarin zit zonder meer de grootste kracht en aantrekkelijkheid van dit boek.

Het is een poging om een derde weg te bewandelen. Een weg tussen het geharnaste atheïsme en het even geharnaste christelijke fundamentalisme in. Opmerkelijk genoeg is het Halík daarbij vooral te doen om de groep mensen daar tussenin, die hij ‘zacheüssen’ noemt. Hij doelt op diegenen die hij in zijn pastorale praktijk veelvuldig tegenkomt en die tussen beide fronten vermalen dreigen te raken. Het zijn mensen die, net als Zacheüs, zich verschansen, maar die ondertussen een geweldige geestelijke honger en dorst lijden. Het zijn mensen wiens ‘roze godje’ ineengezakt is, of mensen die hun atheïsme gebruiken om hun existentiële pijn en leegte mee te lijf te gaan (de ‘protestatheïsten’). Halík is ervan overtuigd dat Jezus hen vandaag aan kan spreken, zoals Hij ooit Zacheüs tevoorschijn riep.

Het is niet verwonderlijk dat hij voor dat gesprek de grote systeembouwers (Thomas van Aquino valt daar bijvoorbeeld onder, maar ook Anselmus’ poging om de verzoening te doordenken wordt als veel te juridisch en systematisch afgeserveerd) niet erg behulpzaam vindt. Het zijn veelmeer de dwarse, paradoxale denkers zoals Paulus, Luther, Pascal, Kierkegaard, Bonhoeffer en de negentiende-eeuwse mystica Thérèse van Lisieux die Halíks aandacht hebben. Er is bij Halík volop ruimte voor God als mysterie, voor de ‘God van de paradoxen’.

Dat het een helder en geprofleerd boek is en blijft, zal ook een verklaring zijn voor de brede instemming die het boek heeft opgeroepen. Halík is niet gepokt en gemazeld in het gereformeerde protestantisme. Wie het boek met die verwachting of meetlat leest, zal teleurgesteld raken. Dat zou overigens jammer zijn, want we hebben hier te maken met een gepassioneerde vriend van de waarheid. Iemand met wie je over veel van mening kunt verschillen, maar in wie je zonder meer een hartstochtelijk Christusliefhebber treft. Een boek dus, dat uitstekend geschikt is om het eigen denken mee te scherpen, of om als gezamenlijk studieboek te lezen. Bij voorkeur in een zo divers mogelijk gezelschap. Daar komt het boek het beste tot zijn recht.

W.P. VERMEULEN, UTRECHT

Cees Pols De Hef ziet alles. Uitg. Mozaïek, Zoetermeer; 312 blz.; € 19,50.

Cees Pols, ik heb hem als romanschrijver ontdekt, pas vijf jaar nadat hij het christelijke actieboek schreef. Na zijn roman De Hef ziet alles wil ik hem blijven volgen, dit verhaal waarin de Rotterdamse Koningshavenbrug (koosnaam: de Hef) een centrale plaats heeft.

Rotterdam, die stad heeft wat, de oude wijken, de bevolking die van aanpakken houdt, de vooruitgang, de twintigste-eeuwse geschiedenis. Een roman die in Rotterdam speelt, de stad van mijn middelbare school in Kralingen en in Zuid, is al snel aan mij besteed. Ook daarom pakte De Hef ziet alles me direct, maar niet alleen daarom. Een beeldende schrijfstijl, een vertelling met vaart, een levensverhaal dat zich steeds meer ontrolt, een aangrijpende plot, een subtiel christelijk getuigenis – ze doen alle mee.

Toen de tweeling Frans en Ruurd den Broeder tien jaar was (1959), denderden de zwaarste goederentreinen over de Hef; de brug droeg de naoorlogse welvaart de Maasstad in. Ruurd stikte echter in het denken van zijn vader en broer, die zich totaal gaven voor de opbouw van Rotterdam. Na zijn studie in Delft moet hij weg, om anderen ervan te overtuigen dat de wereld groter is dan het havengebied. Als hij decennia later uit Australië terugkeert, is Katendrecht niet meer de wijk waar arbeiders een achterkamertje verhuren aan hoeren en hebben zeelui er niets meer te zoeken. Wat havengebied was, is nu woonbeleving aan de Maas, voor welgestelden. Ruurd wil schoon schip maken, maar blijkt te laf om de naasten uit zijn jeugd om vergeving te vragen. Omdat hijzelf geen onvoorwaardelijke liefde kreeg, kan hijzelf slechts betaalde aandacht organiseren.

In deze roman ontwikkelt zich een aangrijpend levensverhaal, komen relaties binnen de familie steeds in een ander licht te staan en is de christelijke hoop – onder andere in de Antilliaanse werkster, Maria – subtiel aanwezig.

P.J. VERGUNST

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's