De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VOGELS ALS THEOLOGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VOGELS ALS THEOLOGEN

8 minuten leestijd

Ds. G. van Meijeren is hoofd mobiliteitsbureau Predikanten & Kerkelijk Werkers van de Protestantse Kerk.

Het tijdschriftOnderwegheeft een fraai themanummer uitgebracht over geloof, gevoel en ervaring. Daarin staan verschillende persoonlijke geloofsverhalen, zoals die van uitgever Beppie de Rooy die twee jaar geleden getroffen werd door een burn-out. In een interview door Heleen Sytsmavan Loo verwoordt zij wat dat voor haar geloof betekent. De rationele benadering verdween en er kwam nieuwe aandacht voor de schepping als vindplaats van God.

ONDERWEG

Wat deed je burn-out met je geloof ? ‘Tijdens de diepe crisis merkte ik niets van God en kon ik niet geloven. Ik kon niet goed bidden, ik wist niet wat ik vragen moest. De kracht van mijn angst was groter dan de ontvankelijkheid voor Gods nabijheid. Ik had niet zo veel aan standaard Bijbelteksten en kaartjes. Wat me wel raakte, was als mensen tegen me zeiden dat ik misschien niets van God merkte, maar dat God mij wel opmerkte. Dat ontroerde me. Je zou kunnen zeggen dat in de periode van mijn burn-out anderen voor mij geloofden. Zij waren fakkeldragers van God.

Wel was er ook toen nog steeds de natuur, die ik beschouw als Gods etalage. De merel die op z’n vaste plek elke avond en morgen z’n lied zong: dat gaf hoop en houvast. God zorgt ervoor dat die merel daar zit, dat kan ik niet regelen of bedenken. En zelfs als het die merel zelf is die bedenkt om op die tak te gaan zitten, dan nog: ik ervoer het als een wonder. Als alles op z’n kop staat, dan is die blijvende aanwezigheid van bomen en vogels echt je houvast. (…)’

Beppie de Rooy groeide op met het catechisatieboekje van ds. Hellenbroek en juist daarin krijgt–tot haar eigen verrassing - de vraag: ‘Waaruit kent gij God?’ het antwoord: ‘Uit de natuur, en uit de heilige Schrift.’

Op welke manier is je geloof door de burn-out veranderd? ‘Ik ben nu veel minder met allerlei vragen bezig, vragen die me eerst belemmerden in mijn geloof: over schepping en evolutie, over de oudheid van de aarde, het godsbestaan, Golgota, Pasen, de opstanding. Voorheen kreeg ik dat niet kloppend en dat belemmerde me in mijn geloof. Nu boeit het me niet meer of het klopt. De route tot geloven loopt nu veeleer via poëzie, kunst, muziek en ontmoetingen; de dingen die niet in een systeem zijn te vatten. Eigenlijk heb ik een ontzettende hekel aan systemen. Geloven is geen constante, het gaat over een God die steeds weer op je weg komt. Hij is sowieso oneindig veel groter dan wat er in ons hoofd past. Hij is daardoor het onverwachte waar je ontvankelijk voor mag zijn.’

LITER

In 2014 vroeg de schrijver Willem Jan Otten aandacht voor het werk van Christian Wiman (1966). Wiman is een bekende naam in literair Amerika met name door zijn essays over poëzie en zijn eigen gedichten. Op 39-jarige leeftijd kwam bij hem een ongeneeslijke ziekte openbaar en bleek hij die met God gebroken dacht te hebben in zijn adolescentie – in de woorden van Otten – ‘een al even ongeneeslijke godzoeker’. In het prachtig vormgegeven tijdschriftLiterstaat Wimans essay (vertaald door Menno van der Beek) over wat hem overkwam en hoe hij God door God gevonden werd. Na een passage waarin Wiman beschrijft hoe het nieuws van zijn ziek-zijn aankwam en de rouw die daarop volgde - ‘om de dood van het leven dat we ons samen hadden voorgesteld’ -, volgt er een witregel. En dan:

En toen vonden we op een ochtend onszelf opeens samen terug in een kerk. We vonden ons, dat was precies hoe het voelde, in beide betekenissen, alsof een drang in ons eindelijk omgezet was in een daad, zodat we de zondagskrant aan de kant legden en richting de deur liepen, bijna zonder een woord erover te wisselen. Alsof we ook, toen we uiteindelijk in de kerk zaten, precies ontdekten wie we waren en wie we moesten zijn. Die eerste dienst was pijnlijk, omdat het leek alsof alle wonden opengelegd werden, en bijzonder troostrijk, omdat het de enige mogelijke genezing leek te bieden. Maar wat ik me vooral van die zondagen, en de zondagen direct daarna herinner zijn niet zozeer de diensten, maar de wandelingen die we daarna maakten, en niet zozeer de gesprekken over God, altijd over God, maar meer de momenten van stilte, en de heilige aandacht die volgde op onze gesprekken. Een stalen hemel, en het meer zo kalm, dat het wel gestold leek; de trein die voorbijraasde in een regen van vonken, met vluchtige, gelijk weer verdwenen gezichten; de brede bladeren en de witte bloesems van de trompetboom in onze straat, Grace Street, en onder die boom een spartelend vogeltje, vol leven.

Het zal duidelijk zijn dat dit indrukwekkende stuk van Wiman erom vraagt in zijn geheel gelezen te worden, net als zijn boekMy bright abyss(Mijn heldere afgrond). Nu zou de vraag boven kunnen komen of al die nadruk op beleving niet ver afstaat van wat in de traditie van de Reformatie over geloof wordt gezegd. Wordt daar nu juist niet afstand genomen van ‘ervaringstheologie’? In hetzelfde nummer vanOnderweggaat ds. W.M. Dekker uit Waddinxveen op dit punt in de leer bij Maarten Luther.

ONDERWEG

Het rationalisme van de protestantse traditie wordt vaak verbonden met de drie sola’s en de theologie van Luther. De ervaring is bij Luther wel belangrijk, zegt men, maar natúúrlijk is er geen sprake van ‘ervaringstheologie’. Ik denk dat dit klopt als bedoeld wordt dat bij Luther het heil niet afhankelijk is van onze ervaring. Het heil wordt ons toegezegd in het evangelie en het sacrament (de zichtbare belofte). Het heil ligt dus buiten ons. Het komt tot ons en negeert daarin als het ware onze gemoedstoestanden en ervaringen. Alleen daarom bestaat er geloofszekerheid. ‘God heeft mijn zaligheid buiten mijn wil geplaatst in de Zijne’, schrijft Luther aan Erasmus. Op dit punt pakt hij de humanist Erasmus, evenals de geestdrijvers, hard aan. Doordat zij de zekerheid in zichzelf (hun eigen keuze of ervaring) zoeken, zetten zij Christus aan de kant en zullen zij het heil nooit vinden.

Als het echter niet gaat om het heil, maar om de kennis van God en de aard van het geloof, dan onderstreept Luther juist het belang van de ervaring. In die zin kunnen we bij Luther wél spreken van ervaringstheologie: zijn spreken over God (theologie) komt voort uit specifeke ervaringen en roept bij de hoorder/lezer specifeke ervaringen wakker, hem leidend naar eigen ervaringen met God. Alleen door eigen ervaring kan men werkelijk God kennen. Ervaringen gaan in zekere zin zelfs aan de Schrift vooraf, meent Luther, omdat de Schrift voor ons gesloten blijft als we de inhoud niet in onze eigen ervaring herkennen. We kunnen de Schrift in dat geval ook niet uitleggen en prediken. (…)

Het objectiveren van de Bijbel tot een waarheid die altijd geldig is, ook zónder onze ervaringen, is voor Luther onbestaanbaar. Dr. Dekker wijst hiervoor op Luthers omgang met de Psalmen, de apostel Paulus én zijn aandacht voor Maria.

Luthers prachtige uitleg van de lofzang van Maria begint zo: ‘Om deze heilige lofzang goed te verstaan, moeten we eraan denken dat de hooggeprezen maagd Maria uit haar eigen ervaring spreekt en dat ze daarin door de heilige Geest is verlicht en onderwezen. Want niemand kan God of Gods Woord op de juiste manier verstaan wanneer hij het niet direct van de heilige Geest ontvangt. Maar niemand kan het van de heilige Geest ontvangen, wanneer hij het niet zelf ondervindt, beproeft en gewaarwordt. En in deze ervaring leert de heilige Geest ons als in zijn eigen school en daarbuiten wordt niets geleerd dan slechts holle woorden en leeg gepraat.

Dekker citeert dan een bekend citaat uit een tafelgesprek van Luther: ‘Alleen de ervaring maakt de theoloog.’

Bij het woord ‘theoloog’ moeten we hier niet exclusief aan de professionele Schriftgeleerde denken. Theoloog betekent bij Luther ook: iemand die God kent. Daarom kan hij ook ergens schrijven dat vogels betere theologen zijn dan mensen. Door middel van hun lofzang laten zij blijken God te kennen. Daar kunnen mensen nog wat van leren. (…)

Geloof en ervaring vormen geen tegenstelling. En in die ervaring – zo leer ik uit de verschillende bijdragen – doet de schepping mee. Jan Wit – zelf blind – dichtte (LvdK 479):

Gij hebt de bloemen op de velden met koninklijke pracht bekleed. De zorgeloze vogels melden dat Gij Uw schepping niet vergeet. ’t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

VOGELS ALS THEOLOGEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's