De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JODEN IN HET WESTLAND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JODEN IN HET WESTLAND

Christelijke preek voor kleine gemeenschap verplicht

5 minuten leestijd

Aan het begin van de twintigste eeuw wordt de Joodse gemeente in Naaldwijk opgeheven. De Joodse gemeenschap in het Westland is vrijwel verdwenen. De oorlog moet nog komen.

Dr.ir. J. van der Graaf uit Huizen is oud-algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond.

Halverwege de achttiende eeuw komen de eerste Hoogduitse Joden naar het Westland. Ze houden hun bijeenkomsten bij iemand thuis. In 1806 krijgt de gegroeide gemeenschap de beschikking over een in verval geraakte kapel op het Heilige Geest Hofje in Naaldwijk, dat in 1641 is gebouwd in opdracht van prins Frederik Hendrik. In de kapel preekten tot 1760 hervormde predikanten.

De weinige Joden voelen zich thuis in het Westland. Er is wederzijdse tolerantie en openheid. Een Joodse slager bijvoorbeeld houdt zijn winkel op zaterdag, zijn sabbat, open.

In De Lier komt het een keer wel tot een venijnige ruzie tussen een Jodin en een zakenman, die haar voor bedriegster heeft uitgemaakt. Als de zakenman de daaropvolgende rechtszaak verliest, verzoekt hij een plaatsgenoot om haar in te wrijven met ‘een stuk spek in haar smoele en dan is ze onrein’, wat aan de rabbijn wordt gemeld.

VERRASSEND DOCUMENT

Ik ontleen deze gegevens aan het fraaie boek Joods leven in het Westland, uitgegeven door het Genootschap Oud-Westland. Joods leven is er al voor de achttiende eeuw. In de archieven van hervormd Naaldwijk is een ongedateerd document opgedoken. In zijn bijdrage aan het boek onder de titel ‘De zeventiende-eeuwse discussie in het Westland over de Joden’ dateert dr. M. van Campen, emeritus predikant te Ede, het in de zeventiende eeuw.

In 1666, het jaar van de ontmaskering van de pseudomessias Sabbatai Zwi, voltrekt zich in ons land volgens dr. Van Campen ‘een verrassende wending’ in het zicht op het Joodse volk. Niet langer overheerst een negatief sentiment ten opzichte van de Joden, maar staat hun bekering bovenaan de agenda. Dr. Van Campen ontleedt het document. Het gaat over ‘redenen die ons moeten bewegen om de bekering der Joden met alle ernst te bevorderen, alsook een voorstel van enige middelen die daartoe dienen’. We moeten de Joden liefhebben ‘omdat ze zo getrouw de Schriften hebben bewaard’. ‘Lang voordat wij als gelovige heidenen tot het verbond waren toegetreden, baden de Joden al voor onze bekering.’ In Romeinen 11:25 wordt ‘het toekomstige heil’ voor de Joden toegezegd. ’Ze hebben zich niet vermengd met de heidenen en dat zou de christenen toch opmerkzaam moeten maken.’

PREEK

De politiek legt Joden echter beperkingen op. Op zondag wordt het hen verboden handel te drijven. Ze worden ook van tijd tot tijd verplicht een christelijke preek aan te horen. De preek moet dan betrekking hebben op de Joden ‘en moet gehouden worden in alle wijsheid en voorzichtigheid’. Men moet hen ook ‘be-hoorlijcke lof’ geven, want ze zijn beminden ‘omwille van de vaderen’. Ze zijn nu Lo-Ruchama (niet ontfermd) maar naar de belofte worden ze weer eens Ruchama (ontfermd).

In plaatsen waar veel Joden zijn moet bij de magistraat worden bepleit dat er een school wordt gesticht waar de Hebreeuwse taal wordt geleerd.

Dr. Van Campen plaatst het document in bredere verbanden. Hij geeft aandacht aan twee Utrechtse hoogleraren die in dit verband grote invloed hebben gehad op studenten, te weten Gisbertus Voetius en Johannes Hoornbeeck. Theologen zouden volgens Hoornbeeck goed op de hoogte moeten zijn van de Joodse taal en godsdienst. Hoornbeeck refereert aan de landgravin van Hessen, die enkele christelijke geleerden aanstelde voor het werk onder de Joden, waarnaar ook het Westlandse document verwijst.

Verder laten documenten uit die tijd ook vermaningen aan de christenen zien om niet door een losbandig leven belemmeringen voor de Joden op te werpen, maar door hun levenswandel Joden tot jaloersheid te wekken.

TIENDUIZEND KINDEREN

Het boek geeft een heldere doorkijk in het Joodse godsdienstige leven in het Westland, met aandacht voor hun synagoge en rituelen, de begraafplaats, de verhouding tot de Haagse hoofdsynagoge, Joodse families, met slagers en schilders.

Het tweede en laatste deel van het boek, ‘Teloorgang (1900-1945)’, bevat het hoofdstuk ‘Hoe 10.000 Joodse kinderen werden gered.’ Geertruida (Truus) Wijsmuller-Meijer zet zich in 1938 en 1939, als het net om de Joden in Duitsland steeds strakker wordt gespannen, in om Joodse kinderen uit Duitsland in veiligheid te brengen. Ze komt terecht bij de beruchte Adolf Eichmann, dan hoofd van de emigratieafdeling in Wenen. Ze moet haar handschoenen en schoenen uittrekken en haar rok tot boven de knieën optrekken om ‘wetenschappelijk’ vast te stellen of ze wel arisch is. Zijn commentaar: ‘Ongelofelijk, zo zuiver arisch en dan zo gestoord.’ Eichmann wil een grap met haar uithalen en geeft haar toestemming om vijf dagen later 600 kinderen bijeen te krijgen en op transport te stellen naar Hoek van Holland om de oversteek naar Engeland te maken. Hij gaat ervan uit dat ze dit niet voor elkaar zal kunnen krijgen, maar het lukt haar. Door Wijsmullers inspanningen worden het er in totaal 10.000. Hoek van Holland wordt springplank naar de vrijheid. Alleen, de kinderen zien hun ouders nooit meer terug.

BEZETTING

Eén hoofdstuk is gewijd aan de oorlogsjaren. In 1940 wordt de beruchte ariërverklaring ingevoerd. Mensen in overheidsdienst krijgen de vraag te ontkennen dat ze Joods zijn. ‘Alle betrokkenen, de burgemeesters en de vertegenwoordigers van de politieke partijen, de wethouders, bleven in het Westland zonder uitzondering muisstil.’ ‘Zonder enige vorm van kritiek of protest’ wordt deze administratieve handeling goedgekeurd, met de vermelding ‘ter kennisgeving aangenomen’ of ‘tot uitvoering als verzocht’. De burgemeester van Monster spreekt van ‘berusting’.

Pas in het najaar van 1941 wordt voor een enkeling duidelijk dat de grens wordt overschreden bij anti-Joodse maatregelen. Na de oorlog, zegt de schrijver overigens, is de grens tussen ‘goed’ en ‘fout’ niet zo goed te trekken als Loe de Jong in zijn geschiedschrijving suggereert.

Het merendeel van de burgemeesters kan op hun oude post terugkeren. In Monster is na de oorlog nog slechts één Jood overgebleven. In De Lier heeft één Joodse vrouw de bezetting overleefd, terwijl ze is blijven wonen op haar eigen adres.

Er zijn ook de onderduikverhalen, bijvoorbeeld over de ‘polderpastoor’ Hendrikus J.A. Theissen uit Schipluiden, aan wie in 2014 postuum de Yad Vashem onderscheiding wordt toegekend vanwege zijn hulp aan een Joods gezin in de jaren 1940 tot 1945.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

JODEN IN HET WESTLAND

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 2015

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's