GLOBAAL BEKEKEN
Dezer dagen krijgen alle predikanten die in het Adresboekjevan de Gereformeerde Bond staan een uitnodiging voor de predikantencontio begin januari. Op 21 december 1974 reageerde ds J.J. Poort (1928-1997) als volgt op de uitnodiging:
Zeer geachte heer Van der Graaf,
Bijzonder sympathiek van u om ook mij uit te nodigen voor de predikantenconferentie van de Geref. Bond!
Want ik ben geen lid, heb dus nergens recht op – zelfs geen recht op verwàchting tot nódiging!
Maar (dat is ook mogelijk!) misschien schrikt u nu bij uzelf en mompelt: dat is waar ook, Poort is geen lid (trouwens: nèrgens lid van) en hij had helemaal geen uitnodiging moeten krijgen – een foutje van de administratie…
Zelfs echter, indien het zó zou zijn, wens ik u van harte gezegende kerstdagen en Gods zegen over uw persoonlijk leven (ga ‘er niet onder door’!!) en over uw, voor héél de kerk, zo bijzonder belangrijk werk!
Dat wens ik – u toe, als lid tot lid, als leden van dat ene Lichaam, waartoe u (vermoed ik) eerder behoort dan ik (maar ik ken ook iets meer mijn eigen ‘tegenheden’ – uiteraard…).
Een hartelijke groet (o, ja, ik kan helaas niet, 8 en 9 januari – om mijn kazernewerk…).
***
De Oogst, uitgave van de stichting Tot Heil des Volks, biedt een verhaal over ‘ome Dolf’, geput uit een vergeeld boekje van ‘het Heil’ uit 1940, geschreven door Frans Stroethoff. Ome Dolf behoorde tot ‘het uitgestorven gilde der schoenpoetsers’.
‘Dat-ie de ganselijke dag op zijn knieën lag’ was een aardigheid die hij overal rondbazuinde. En dat ‘terwijl je toch de vromigheid niet van me gezicht ken afezen’, vulde ome Dolf dan aan.
Iedere voorbijganger kon constateren dat ome Dolf niet voor de ‘afschaffng’ was. Hij was ’t wel, maar van ‘lege glaasjes’. Zijn dikke opgezette neus was tamelijk blauw dooraderd, zodat, zonder nu bepaald te roddelen, het voor de hand lag dat de mensen deze gevolgtrekking maakten. (…)
Ome Dolf kon op godsdienstig gebied nogal zwaar op de hand zijn. Zulks in weerwil de oorsprong van zijn blauwe neus. Hij had een afkeer van de ‘vlugge wijzen’ van Johannes de Heer; hij kon zich meer vinden bij de ‘Psalmen Davids’ die, naar het oordeel van ome Dolf, veel te weinig in de samenkomsten werden aangeheven. Hij was niet zo’n vlotte lezer, vandaar zijn bijzondere voorliefde voor het boek der Psalmen. Er kwam een dag – en nog vrij onverwacht – dat Ome Dolf niet meer op de Dam stond. Toen hij ’s morgens de riemen van zijn schoenpoetskist om zijn schouders zwaaide, zakte hij plotseling door zijn knieën, sloeg tegen de grond en was niet meer. Het was een gemengd gezelschap dat een paar dagen later op de begraafplaats de baar volgde. De logementhouder met gasten, te weten een paar orgeldraaiers, marskramers en losse werkers van de aardappelschuiten in de buurt. Zijn collega-schoenpoetsers van de Dam en een deputatie van de samenkomsten van het Heil. Aan het graf zongen we … een psalm: ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven.’
Toen de plechtigheid achter de rug was, zaten ze met het hele stelletje in de tram nog wat na te praten. ‘Hier moeten we d’r uit jongens’, zei een voorman van het gilde der schoenpoetsers, toen de tram op het Haarlemmerplein stilhield. Even later verdwenen de collega’s van wijlen ome Dolf achter de deur en het schutgordijn van een kroegje op de hoek van het plein.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's