HET KIND KOMT JE BEVRIJDEN
Op mijn beeldscherm zie ik dat zij het is. Ik had kunnen weten dat ze contact zou opnemen. Na een korte aarzeling maak ik verbinding.
‘Hallo Jarno, met mij, hoe gaat het met je?’
Ik loop naar het raam boven het aanrecht en kijk naar buiten, waar alles grauw is.
‘Ik leef en daar is alles mee gezegd.’
Even blijft het stil. Ik voel alle pijn weer terug komen, wat overigens een onzinnige waarneming is.
Alsof die ooit is weggeweest. We weten het van elkaar, Noëlle en ik, we leven verder met dezelfde dode.
Afgelopen zomer was ze erover begonnen, dat het leven verder gaat, nee, móet.
Maar in mij woedt een eeuwige oorlog. Nog steeds voel ik me schuldig aan de dood van mijn maat, haar man. Daar, op Terschelling, op de begraafplaats aan de Longway, ligt Brian. Vredig tussen de bomen, veilig onder miljoenen bladeren. Bij haar in de kamer hangt een levensgroot schilderij van hem. Gestoken in voltenue kijkt hij haar aan. Elke dag. Ieder uur.
‘Ik hou het niet meer uit op Terschelling. Ik stik er nog eens in en het kind lijdt onder mijn lijden. Ook ik moet stoppen met overleven en opnieuw leren leven. Léven Jarno. Kom je naar me toe met Kerst?’
‘Dat kan niet. Het gaat slecht met pake.’
‘Ik begrijp het,’ zegt ze, ook kortaf.
‘Het lukt pake en mij maar net elkaar op de been te houden. Ha, ha, op de been houden, hoor je wat ik zeg?’
Ik kijk naar mijn stompen, het cadeau van de Taliban voor mijn vredesmissie in Afghanistan en wrijf over mijn koude natte hals. Beelden en geluiden van toen gaan door me heen.
De spanning in mijn lijf helpt me het gesprek kort te houden, gewoon af te breken. Onder deze omstandigheden is dat net zo gemakkelijk als het overhalen van de trekker in een vuurgevecht.
‘We zien wel.’
‘We zien nog wel,’ hoor ik haar in de verte.
Pake en ik, twee veteranen. Ik Afghanistan, hij Indië.
Brian, ik mis je. Nog zie ik je hand waar ik niet bij kon. Ik kon je niet vasthouden die laatste minuten van je leven. Konden we nog maar kiten op de golven voor de kust van Schylge, desnoods drijven op een houten vlot. Ik haat mezelf. In mijn gedachten kijk je me aan, jouw laatste momenten duren mij een eeuwigheid. Ik werd de heli in gesjouwd, jij bleef achter tussen de doden. Wanneer zal de wereld weer schoon worden Brian, witter nog dan de witte wereld om me heen? Weet je nog, hoe blij en trots we waren toen we op vredesmissie mochten? Dáár hadden we voor getraind, dát was onze roeping, dat wisten we zeker. We bleven geloven in een goede afoop, weet je nog? Weet je ook nog die zondag, dat we avondmaal vierden op Kamp Holland? Dat we in ons gevechtstenue de vrede van Christus deelden? En nu Brian, nu ik weet het niet meer. Ik weet niets meer. Wat moet ik? En wat moet ik met Noëlle? Zij is toch niet van mij?
‘Luit! m’n buik! Snel!’
Dat roept de oude veteraan elke dag een keer of twee. Dat komt door zijn medicatie.
Van kinds af hoorde ik zijn verhalen over Indië. Mijn hele jeugd woonde ik bij pake en beppe, mijn ouders ken ik niet. Ze kwamen om tijdens een autorit van Leeuwarden naar Franeker. Een dronken tegenligger. Een straal bezopen en vastgelopen veteraan, denk ik nu, want er lopen er tientallen, misschien wel honderden rond, even kapot als ik.
Pake vond het geweldig toen ik hem vertelde dat ik soldaat wilde worden en waarschijnlijk op vredesmissie zou gaan. Hij was trots op me toen hij me uitzwaaide op Eindhoven airport. Voortijdig, zonder benen en in een rolstoel werd ik bij hem afgeleverd. Over de oorzaak hebben we nooit gesproken. Daar praat je niet over als veteranen onder elkaar. Trouwens, het is overduidelijk zichtbaar hoe de bermbom heeft huisgehouden.
‘Luit, m’n buik! Snel, snel!’
‘Hee, rustig soldaat, anders roep ik de kapitein erbij!’
‘Nee, nee, niet de kapitein erbij, het gaat al.’
Als ik de kamer binnenloop weet ik dat ik te laat ben. Geknield, zijn onderarmen rustend op het handvat van de eikenhouten krantenbak, wacht hij mijn hulp af. In het rommelhok pak ik schone spullen en loop terug naar de kamer. Gedwee, met zijn hoofd licht gebogen, ogenschijnlijk in gebed verzonken, ondergaat hij. Hij, die eerst de oorlog en direct daarna Indië moest meemaken. Later verloor hij een kind en ook zijn vrouw. En nu leeft hij met mij, een held op stompen.
Ik probeer mijn protheses langszij te brengen, aan elke kant van zijn lijf een. Met mijn linker, die niet goed tussen de stoel en zijn been past, geef ik hem een schop. Hij gromt en gaat opzij, zodat ik goed boven hem kan staan en hem overeind kan helpen.
‘Plaats Rust!’
Met moeite draait zijn hoofd naar me toe.
‘Alles in orde Luit?’ ‘Hij is voor z’n roodkopere soldaat.’
‘Ja, Luit, voor z’n roodkopere.’ Ik sjor zijn bovenbroek omhoog, breng de bretels over zijn schouders en trek de rits dicht. ‘Auw!’
Hij zegt altijd ‘auw’als ik dat doe, terwijl dat helemaal geen pijn kan doen.
Bij mij had het wel pijn gedaan. Scherven waren daar binnengedrongen, waardoor volgens de doktoren alles onmogelijk was geworden. Tot aan afgelopen zomer berustte ik daarin. Maar toen was er de avond dat we de verjaardag van Brian vierden, zoals altijd. Jaar in jaar uit. Tegen zonsondergang waren we naar de Longway gegaan. Brian junior was er ook bij, hij was er altijd bij en van lieverlee gaat hij begrijpen waarom wij daar keer op keer staan te huilen. We troostten elkaar en het kind keek toe. Thuis gekomen keken we foto’s. Daarna bracht zij het kind naar bed en dronken we de hele avond wijn. Die avond gebeurde er iets wat ik niet voor mogelijk had gehouden. Ik weet het zeker dat het gebeurde en ik kon wel dansen van geluk. Maar toen ik weer thuis was, of als ze belt, weet ik niet wat ik moet doen.
Ik zet pake op zijn stoel en bind hem vast. Niet te strak, maar toch, anders gaat het helemaal mis. Getimmer op de Friese staartklok van zijn overleden vrouw, achter de bank kruipen, weglopen terwijl ik hem nauwelijks kan terug halen, het hele circus was ondertussen langs gekomen.
‘Ik hou het niet meer uit op Terschelling. Ook ik moet stoppen met overleven en opnieuw leren leven. Léven Jarno. Kom je naar me toe met Kerst?’
‘Komop soldaat, even meewerken.’
‘Het komt goed,’ had ik gezegd tegen de thuishulp, die vanmorgen belde en vroeg of ze vanwege het weer een keer mocht overslaan.
Als ik hem onder zijn oksel grijp en rechtop zet, draait hij zijn hoofd naar me toe en kijkt me aan. Dat aankijken doet hij vaker de laatste tijd. Die blik in zijn ogen, wat is het? Verwijt? Ontreddering? De naderende dood? Voor mij lijkt het op de laatste blik van Brian die me, liggend aan de rand van een witte bloemenzee van een veld vol bloeiende papavers, zó aankeek. Als Noëlle mijn pake zó zou zien, zou ik haar wel deelgenoot móeten maken van die blik: ‘Kijk Noëlle, dát zag ik, dát kan ik maar niet vergeten.’
Ik buk, gooi de vuile rommel in een emmer en breng het naar de gang. Eerst ontbijten nu. Van ontbijt met veel chocola wordt hij rustig. Ik bind hem een schone theedoek voor en schuif zijn stoel aan.
‘Soldaat, ik zet de riemen strak, zo dadelijk gaan we eten.’
‘Daar gaan we Luit, we moeten naar Poentjak. Kijk uit bij dat ravijn, ze schieten je zo voor je kop.’
‘Blijf scherp soldaat, als je verslapt, ben je er geweest in deze vuile vredesoorlog.’
‘Ik wil hagelslag en karnemelk.’
De aangebouwde douche bestaat uit een eensteensmuur, die zoveel kou doorlaat dat het er bijna vriest. Ik ben vergeten de elektrische radiator aan te zetten en de ruimte op temperatuur te brengen. Maar met warm water uit de douchekop zal de kleine ruimte snel behaaglijk aanvoelen. Ik ontbloot mijn bovenlijf en trek een regenbroek aan, zodat de techniek van mijn protheses droog blijft. Dan neem ik pake aan de arm en samen lopen we de gang in. Halverwege begint hij tegen te werken en kijkt me aan.
‘Waar zijn ze?’ vraagt hij en hij trilt als een riet.
‘Wie bedoel je, soldaat?’
‘Die ploppers natuurlijk, kijk uit, daar, daar achter die muur zitten ze.’
‘Nee, soldaat, vandaag zijn ze er niet. Vandaag gaan we lekker badderen.’
Ik doe de deur van de douche open en hetestoom komt ons tegemoet. ‘Een rookgranaat, kijk uit,’ schreeuwt hij.
Hij wil dekking zoeken. Met geweld trek ik hem overeind en zet hem in de stoel die al onder de waterstraal staat.
‘Kom soldaat, lekker badderen in de kali, kom maar, ga maar zitten.’
Weer gilt hij het uit.
‘Hou je kop en krijs niet zo,’ schreeuw ik.
Het krijsen klinkt klagelijk. Hij grijpt me bij het metalen deel van mijn been en weer kijkt hij me aan. Nu zie ik het, rode plekken verschijnen op zijn rug en de gerimpelde huid in zijn hals.
‘Stil maar, stil maar, het was te warm, hè, mijn schuld. Straks zal ik er crème op smeren.’
Ik zet de douche uit en sla een badlaken om hem heen. Hij snikt als een kind en ik zie dat zijn magere nek vuurrood is geworden. Even houd ik zijn gezicht tegen mijn borst. Zacht aai ik hem over zijn kale hoofd.
‘Kom maar, dan gaan we naar de kamer, daar is het lekker warm.’ Hij pakt me bij mijn onderarm en samen lopen we door de koude gang in de richting van de kamer. Ik zet hem bij de tafel en pak schoon ondergoed. Het trillen is minder geworden.
‘Ik ga je insmeren soldaat, daar krijg je weer een lekker zachte huid van.’
‘Lekker, lekker zacht Luit, jij mag het doen, de baboe mag het ook doen hoor, lekker.’
‘De baboe wast alleen je kleren, dat weet je toch wel?’
‘Geef ze een pakje Kreteksigaretten Luit, één pakje maar.’
‘Draai je om, soldaat.’
Voorzichtig schuifelt hij om zijn as. Ik neem een flinke lik uiercrème en wrijf het op zijn billen. Zijn huid is teer en een beetje kapot.
‘Hoe voelt dat? Is alles goed nu?’
‘Ja, nu gaan we nasi eten.’
‘Nasi ja, vandaag eten we nasi. Uit blik. Maar, eerst drinken we koffe.’
Voorzichtig leid ik hem naar zijn stoel bij het raam. Het is gaan sneeuwen. De boerderij van Wellinga is nauwelijks meer te zien. De bomen rondom de stee tekenen zich vaag af tegen het witte landschap.
Ik pak twee grote mokken. Pake heeft een oranje mok met daarop de beeltenissen van Wilhelmina en Juliana. Mijn mok is wit met op de zijkant een foto van een kitesurfer. Het is Brian. Noëlle had hem mij voor mijn verjaardag gegeven, zodat ik Brian nog elke dag zie.
Ik schenk zijn mok tot iets over de helft vol. Ik pak de fes Franse cognac die binnen handbereik op het aanrecht staat en ik doe een finke scheut in pake’s mok. Dan snijd ik twee plakken ontbijtkoek, waarop ik dik roomboter smeer. Ik leg ze daarna op een schoteltje. Direct pakt hij een plak en doopt die in de koffe. Snel en behendig brengt hij de lekkernij naar zijn mond en begint te soppen.
Straks, als de koek op is, zal hij de koffie in één keer achterover slaan en een boer laten. Daarna valt hij meestal in slaap en kan ik gaan douchen.
Het weer wordt grimmiger en er staat een venijnige wind. Ik probeer de buitendeur te openen, waar een halve meter sneeuw voor is gewaaid. Een deel sluipt langs de deurpost de gang in.
Ik wil een aantal houtblokken pakken om straks de kachel flink te laten loeien. Tegen de buitenkant van het rommelhok ligt hout opgestapeld, genoeg om de strengste winter mee door te komen. Oppassen nu waar ik mijn protheses plaats. Ik pak een rieten mand die naast de muur staat en sla de sneeuw eraf. Steun zoekend pak ik een houtblok, maar die lijkt vastgevroren. Ineens wankelt het opgestapelde hout mijn kant op. Ik val achterover en lig tot aan mijn middel onder de houtblokken.
Ik zit klem. Ik ben met mijn rug ergens op gevallen en hang achterover. Grote sneeuwvlokken vallen op mijn ogen en gezicht. Ik knipper en kijk om me heen naar de witte gepolijste wereld. De hemel is niet meer te onderscheiden van de aarde en de sneeuw lijkt van beneden naar boven te vallen. Er loopt iets warms langs mijn wang. Ik til mijn hoofd op en zie dat mijn protheses zijn bedolven onder de houtblokken. Met mijn vrije hand pak ik een blok en gooi het van me af. Ik heb het koud. Binnen is de ouwe veteraan, hij weet van niets.
Ergens klinkt een kinderstem. Hoe lang lig ik hier? Ik trek mijn hoofd verder naar achter. Twee bewegende figuren komen mijn kant op. De grootste van de twee maakt zich los van de kleine en rent naar me toe. Pijn negerend strek ik mijn hoofd nóg verder en ik voel warmte door me heen stromen.
De rode minirok die ze deze zomer droeg, heeft ze verwisseld voor een zwarte jeans. Als ze bij me is, buigt ze zich over me heen en zie ik haar ogen en haar mond. Ze hijgt. Uit haar mond ontsnappen wolkjes adem.
‘Je bent net op tijd’, zeg ik.
Ze strekt haar hand uit, streelt mijn haar en buigt zich voorover. Ik voel de warmte van haar zachte lippen op de mijne, de koude sneeuw daartussen smelt. Druppels lopen uit de hoeken van mijn ogen.
Achter Noëlle zie ik de vage omtrek van het kind. De jongen komt dichterbij, kijkt me aan en knielt bij me neer. Hij strekt zijn armen uit en pakt een houtblok dat tegen mijn hals ligt. Voorzichtig haalt hij het weg. Daarna staat hij op en drukt het hout tegen zijn lichaam. Achter hem is licht, ander licht dan daarstraks. Bloedrood daalt de zon achter de horizon van het witte Friese land.
Mijn blik verplaatst zich naar Noëlle en haar zoon, die naar me lacht en het hout nog steeds stevig tegen zijn borst drukt.
‘Brian junior’, zeg ik, ‘helpt me.’
‘Het kind komt je bevrijden,’ zegt ze.
‘Ik denk dat zijn vader er achter zit,’ zeg ik met schorre stem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 2015
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's