De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RICHTINGENKERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RICHTINGENKERK

De Protestantse Kerk op weg naar 2025 [2, afrekening met 1816]

6 minuten leestijd

Het Algemeen Reglement van Bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk kwam tweehonderd jaar geleden niet uit de lucht vallen, bleek in het eerste artikel van dit drieluik. Het hield 135 jaar stand, maar vraag niet hoe. Zeker de Gereformeerde Bond wilde er van af. Of uiteindelijk niet?

Dr. F.A. van Lieburg is hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Na twee eeuwen tobben met een samenstel van provinciale kerkverbandjes functioneerde vanaf 1816 een centraal geleide ‘Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden’. Het Algemeen Reglement werd in de beginjaren uitgewerkt in allerlei deelregelingen, zoals inzake liturgie, godsdienstonderwijs en kerkelijke tucht. Zo ontstond de befaamde ‘reglementenbundel’ die de Benthuizense predikant ds. L.G.C. Ledeboer in 1840 in hevige verontwaardiging van de preekstoel wierp en in zijn tuin begroef. Theatraler dan deze bekeerling uit een typisch verlicht- hervormd milieu – zijn vader floreerde in de zendings- en bijbelgenootschapswereld – heeft niemand ‘1816’ kunnen demoniseren.

KLIEKJES

Het is waar dat al kort na het Koninklijk Besluit kritische stemmen opgingen onder predikanten en kerkbestuurders. Met name de classis Amsterdam protesteerde bij het Departement voor Hervormde Eredienst tegen de eigenmachtige invoering van het nieuwe stelsel. Dat de soevereine vorst, zelfs met de nieuwe grondwet in zijn hand, hiertoe het recht had, werd niet betwist. Maar hadden de kerkelijke vergaderingen zelf niet geraadpleegd moeten worden? En, belangrijker voor de toekomst, kon het wel goed gaan nu kleine, niet vanuit het grondvlak gekozen besturen - elitaire kliekjes - het in de kerk voor het zeggen kregen?

De bezwaarden vreesden ook de invoering van allerlei vernieuwingen in het kerkelijk leven, die vast niet beperkt zouden blijven tot de viering van Oud en Nieuw, Goede Vrijdag en Hervormingsdag, om enkele nog altijd gekoesterde initiatieven uit die jaren te noemen. De critici zagen de gevaren van tweedracht en scheuring vanwege theologische meningsverschillen al opdoemen. Wie zou dan leiding geven? In het Reglement werden de belijdenisgeschriften als richtsnoer van de beloofde handhaving der hervormde leer niet genoemd. Ze werden allerminst ontkracht, maar evenmin herbevestigd.

ADDER

De Haagse predikant ds. D. Molenaar waagde in 1827 openlijk te wijzen op een dubbelzinnigheid in het ondertekeningsformulier voor proponenten. Aankomende predikanten beloofden hierin trouw aan ‘de leer, welke, overeenkomstig Gods heilig Woord, in de aangenomen formulieren van enigheid der Nederlandse Hervormde Kerk is vervat’. Mooi gezegd, maar theologen waren geoefende latinisten en wisten dat ‘overeenkomstig’ de vertaling kon zijn van quia (omdat) of van quatenus (voor zover). Stemden de predikanten nu in ‘omdat’ de hervormde leer bijbels was of ‘voor zover’ die als bijbels werd beschouwd?

Boze tongen beweerden dat ambtenaar J.D. Janssen bij het ontwerpen van het formulier bewust had gekozen voor deze adder onder het gras. Hij wilde natuurlijk stilzwijgend de quatenus-uitleg alle ruimte geven en de strikte quialijn laten doodlopen. De sluwe vos zou ook over ‘aangenomen formulieren’ hebben gerept omdat hij drommels goed wist dat het historisch-juridisch moeilijk hard te maken viel dat de Dordtse Leerregels en de Dordtse Kerkorde ten tijde van de Republiek (overal) waren ingevoerd.

Over de intenties van Janssen, laat staan over die van alle kerkbestuurders die zijn voorstellen overnamen, valt niet te oordelen. Zeker is dat op de hervormde synode van 1835 de oude Utrechtse hoogleraar dr. J. Heringa, die het kon weten, verzekerde dat men in 1816 uitging van een gematigd quia, overeenkomstig de geest van verlichting en vooruitgang waarin de hele Dordtse erfenis herijkt werd in de nieuwe tijd.

MIDDENMOOT

Het leerstellige optimisme van 1816 was in 1835 hopeloos achterhaald. De gevreesde Afscheiding was gekomen nadat de Ulrumse predikant ds. Hendrik de Cock door de ‘besturenkerk’ was afgezet - niet omdat hij onrechtzinnig zou zijn, maar omdat hij zo oncollegiaal bezig was. De koning reageerde getergd. Begrijpelijk omdat door de Belgische opstand zijn politieke ideaal was doorkruist en nu met de ‘revolte der fijnen’ ook de eenheid van de natiekerk was doorbroken. Hij besefte te weinig dat ook zonder deze onverkwikkelijke scheuring de ontkoppeling van staat en kerk(en) onafwendbaar was. De nieuwe grondwet van 1848 bezegelde de consequente vrijheid van godsdienst tot op de huidige dag. In 1852 werd een gewijzigde versie van het Algemeen Reglement van kracht, waarin de staatsinvloed was beperkt tot de financiën. Er kwam zelfs ruimte voor invloed van gemeenteleden op de verkiezing van ambtsdragers, al zou het tot 1867 duren voordat plaatselijke ‘kiescolleges’ hun werk konden doen. Toen het zover was, kregen orthodoxe kerkenraden hun kans. Maar dat was niet genoeg om bij de Doleantie van 1886 een tweede uittocht van rechtzinnigen te voorkomen, om nog maar te zwijgen van de ‘linkse doleantie’ van vrijzinnigen en van de secularisatie binnen en buiten de volkskerk. De brede hervormde middenmoot werd gemakshalve ingedeeld in vier richtingen: modernen, ethischen, confessionelen en gereformeerden, ieder met eigen voormannen, verenigingen, bladen en uitgevers.

REFORMATIE

Honderd jaar na dato stond het Algemeen Reglement symbool voor een machteloze richtingenkerk. Boegbeeld was de algemene synode, die uit maar negentien leden bestond. Aangezien ze over identiteit of theologie niet kon of wilde handelen, bleef ze steken in een moeras van bestuurlijke regeltjes. Gezamenlijk beraad over een nieuwe kerkorde leidde altijd tot een patstelling. Hoe zouden bevlogen predikanten en meelevende kerkleden zich ooit van die kaasstolp kunnen bevrijden? Hoe zou de kerk der vaderen kunnen komen tot vrijmaking of reformatie, zoals de Gereformeerde Bond het noemde?

Bondsoprichter dr. Hugo Visscher droomde ervan dat de gehate ‘staatscreatuur’ door kabinet of parlement zelf zou worden opgeheven. Intussen ontwikkelde hij plannen (in 1916 met collegahoogleraren, in 1923 met een ‘convent van kerkenraden’ uit eigen kring) voor een modus vivendi (vrij vertaald: leven en laten leven) van de diverse richtingen. Plaatselijke gemeenten zouden zich dan opsplitsen naar richting. Dr. Visscher en de zijnen geloofden dat de gereformeerde beweging, functionerend volgens de historische belijdenis, vanzelf haar kracht en bloei zou tonen in kerk en samenleving.

REORGANISATIE

Andere hervormd-gereformeerden - gesteund door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond - hoopten iets te bereiken binnen het bestaande stelsel, door gezamenlijke stappen te zetten met confessionelen en desnoods met ethischen en modernen. Daarvoor accepteerden zij een zeker onderscheid tussen de kerk als belijdenisgemeenschap en de kerk als organisatie. In die visie tastte het Algemeen Reglement alleen het ‘welwezen’ van de kerk aan, niet het ‘wezen’, dat in 1816 immers niet expliciet ontkend was.

Eerst reorganisatie, dan reformatie, was de leus van degenen die in 1929 en 1937 concrete voorstellen tot aanpassing of geleidelijke vervanging van het Algemeen Reglement indienden. Ze haalden het in de algemene synode niet. Wel werd duidelijk dat dit gezamenlijke streven ook een zekere relativering vereiste van het statische karakter van de belijdenis. De toekomst leek gebaat bij het spreken over een dynamisch belijden of een ‘Christusbelijdende’ (volks)kerk. Dat actuele belijden vond uiteindelijk zijn uitdrukkingsvorm in de Kerkorde van 1951. Daarmee werd de voor 1816 typerende scheiding tussen het inwendige leven van de kerk en haar uitwendige bestuursvorm opgeheven.

LIEVER 1816?

De Nederlandse Hervormde Kerk wilde officieel gaan functioneren ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’. De Gereformeerde Bond las dit als ‘in overeenstemming met de belijdenis der kerk’. Niet alleen de eenheid van de kerk, ook die van de hervormdgereformeerde beweging bleef verstoord. Bondsvoorzitter dr. J. Severijn had het concept van de kerkorde ondertekend, maar wees het eindresultaat af. Op persoonlijke titel deed hij zelfs mee aan een rechtszaak tegen de invoering. In de beslissende synodevergadering stemden sommige bonders vóór, anderen tégen. Voor doormodderen met het Algemeen Reglement was sowieso geen meerderheid meer, maar suggereerden tegenstanders van de Nieuwe Kerkorde niet dat zij feitelijk 1816 verkozen boven 1951? Of viel zo'n praktische keuze in het niet bij de idealisering van 1618? De tijd zou het leren.


Volgende week deel 3 (slot): de netwerkkerk?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

DE RICHTINGENKERK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's