De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EISEN AAN KWALITEIT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EISEN AAN KWALITEIT

Christelijk onderwijs [1a]

8 minuten leestijd

In de huidige maatschappij vinden we prestaties bijzonder belangrijk. Daarom stellen we hoge eisen aan de kwaliteit van het onderwijs. Dit kan gevolgen hebben voor de identiteit. Waar ligt het juiste evenwicht?

Er zijn doorgaans twee opvattingen over de verhouding tussen identiteit en kwaliteit. In de eerste opvatting zijn identiteit en kwaliteit aanvullend. De kwaliteit is te zien in de onderwijsprestaties en in de didactische kwaliteiten van de docent. De identiteit wordt bepaald door de godsdienstles, het gebed en de liederen.

Dr. A. de Muynck is lector christelijk leraarschap bij Driestar Hogeschool te Gouda.

Volgende week schrijft dr. De Muynck over de rol van de ouders.

De bijbelvertelling kan mooi of minder mooi zijn, de liederen kunnen op verschillende manieren gezongen worden, maar dat heeft geen directe relatie met de kwaliteit van de school. Als die dingen gebeuren, is de identiteit gewaarborgd.

De andere opvatting is dat een christelijke school in alle opzichten een goede school moet zijn. De kwaliteit hoort aan alle kanten gevoed te worden door de levensbeschouwelijke identiteit. In deze opvatting is er geen sprake van aanvulling maar van integratie. Sommigen zeggen daarom dat christelijke scholen de beste scholen van Nederland moeten zijn.

DRIE DOELEN

We kunnen de verhouding identiteit en kwaliteit ook benaderen vanuit de vraag waarvoor scholen er eigenlijk zijn. Volgens de onderwijspedagoog Biesta dient goed onderwijs zich altijd rekenschap te geven van haar taak in drie onderscheiden doeldomeinen. Hij onderscheidt kwalificering, socialisering en subjectivering. Met kwalificering wordt bedoeld dat kinderen toegerust moeten worden voor een volgende stap in hun schoolloopbaan. Socialisering betekent dat kinderen goede burgers moeten worden die zich gedragen overeenkomstig de normen van de samenleving. Subjectivering wordt meestal vertaald met persoonswording. Een kind moet zijn eigen unieke gaven ontplooien en een eigen identiteit ontwikkelen. Deze drie doeldomeinen worden getekend als cirkels, die elkaar gedeeltelijk overlappen.


Niet alles wat belangrijk is, moet gemeten worden


NADRUK OP PRESTATIES

Een belangrijk inzicht uit het werk van Biesta is dat accentuering van het ene domein altijd doorwerkt in minder aandacht voor de andere domeinen. Wanneer er veel nadruk ligt op de persoonswording en zelfontplooiing van het kind, is er automatisch minder aandacht voor de kwalificatie.

In onze huidige maatschappij heeft kwalificatie juist de hoogste prioriteit waardoor het belang van socialisering en personificatie minder sterk de nadruk krijgt. Prestaties worden bijzonder belangrijk gevonden.

Niet alleen legt onze overheid hier heel veel nadruk op en wil ze dat Nederland internationaal tot de best presterende landen behoort. Ook ouders vinden hoge prestaties belangrijk, zoals blijkt uit de casus (zie kader). Streven naar prestaties is onderdeel van de tijdgeest. Vaak hoor je dat hier eigenlijk niet veel mis mee is. Er gaat veel gemeenschapsgeld naar het onderwijs en we mogen best streven naar hoge opbrengsten. Dat kan niet ontkend worden.

Een belangrijke constatering is evenwel dat de nadruk op kwalificatie ongemerkt ook het belang van de godsdienstige opvoeding wegdrukt. Wat we hierin nastreven, bevindt zich voornamelijk in de domeinen van socialisatie en subjectivering. Vanuit deze optiek is de grote nadruk op prestaties een sluimerende ‘killer’ van het christelijk onderwijs.

MEETBAARHEID

Onderdeel van de nadruk op prestaties is de neiging om zoveel mogelijk te willen meten. Onderwijs wordt als een economisch verschijnsel gezien. Als je ergens in investeert, wil je de uitkomst meten. Als de uitkomsten onbevredigend zijn, kun je doelgericht streven naar meer efficiëntie.

Deze bedrijfsmatige manier van kijken heeft gevolgen. Redeneren in termen van investeren en opbrengsten leidt ertoe dat de kleine meettraditie die er sinds de negentiende eeuw in ons schoolsysteem is (schriften nakijken, cijfers geven, rapporten uitdelen), enorm gegroeid is. We toetsen de prestaties van kinderen op allerlei manieren, we evalueren handelingsplannen en meten ook de oudertevredenheid.

Bestuursleden uit het bedrijfsleven vinden instrumenteel denken heel gewoon. Waarom zou je het meten niet gebruiken om het onderwijs te verbeteren? Zij hebben daarin voor een deel gelijk. Sommige dingen kun je gewoon verbeteren door goed de stand van zaken in kaart te brengen en op grond hiervan te handelen.

GEVAAR

Maar er is ook een gevaar. De behoefte om zo veel mogelijk te meten, nestelt zich zo in onze gedachten dat we denken dat we alles wat belangrijk is moeten meten. Zo hoor ik directeuren klagen dat de inspectie verengd over onderwijs denkt, omdat ze zich concentreert op rekenen, taal en begrijpend lezen.

Er zijn toch veel belangrijker dingen in het onderwijs? Laat de inspectie niet denken dat we dat niet kunnen laten zien. Als reflex wil men graag bewijzen dat er belangrijker dingen zijn. En als je iets wilt bewijzen, moet je ook een meetinstrument hebben. Zo ontstaat er bij scholen een behoefte aan meetinstrumenten voor bijvoorbeeld de sociaal-emotionele ontwikkeling, de morele ontwikkeling of zelfs de godsdienstige ontwikkeling.

En dan beseffen we dat er iets mis gaat. Willen we de resultaten van de godsdienstles meten of het effect van het bidden op de beleving van kinderen? We vinden de bijbelvertelling en het gebed in het christelijk onderwijs van hoge waarde, en toch voelt iedereen aan dat je hier geen toetsen op moet ontwikkelen. Niet alles wat belangrijk is, moet gemeten worden.

OPPASSEN GEBLAZEN

De drang om te meten is een eigen leven gaan leiden. We zijn gewend houvast te zoeken in meetgegevens. Cijfers van een kind worden vergeleken met het klassengemiddelde. Het geeft ouders een veilig gevoel als hun kind op het gemiddelde zit of net erboven. Dan gaat het tenminste goed.

Prestatiescores doen ook iets met bestuur en directie. Als de gemiddelde Cito-score maar tenminste vergelijkbaar is met die van andere scholen in het dorp, loopt je reputatie geen gevaar. Dat we ons aan dit soort gegevens vastklampen, onthult welke beelden over kwaliteit zich ongemerkt aan ons hebben opgedrongen.

Het is oppassen geblazen. Het belang hechten aan meetgegevens kan zich tegen ons keren. Voor je het weet geef je de boodschap af dat alleen wat gemeten kan worden kwaliteit heeft.

CHRISTELIJK KWALITEITSDENKEN

Is hieraan te ontkomen? Ik noemde al twee manieren van denken over de verhouding kwaliteit en identiteit. Bij de eerste vult het een het ander aan. Bij de tweede zijn kwaliteit en identiteit geïntegreerd. De tweede optie heeft mijn voorkeur omdat het christelijke karakter door de hele school zichtbaar moet worden.

Deze optie behoeft gezien de huidige context echter verdieping. Er moet vooral gedacht worden in termen van ‘kwaliteit vanuit identiteit’. Augustinus heeft benadrukt dat christelijk onderwijs draait om de liefde. Onderwijs in christelijke geest heeft tot doel dat kinderen God leren liefhebben en hun naaste als zichzelf. Het doel van onderwijs staat dicht bij het liefdesgebod. Ook de kwaliteit van het onderwijs kan daaruit begrepen worden.

LIEFDE

Doordenkend op Augustinus kunnen we zeggen dat de liefde naast het doel van het onderwijs ook de vorm van het onderwijs bepaalt. De lespraktijk moet doortrokken zijn van liefde. Dit kwaliteitskenmerk moet je niet willen vatten in meetgegevens. De liefde geeft en is niet uit op gewin.

De taal van de liefde is een andere dan die van prestatie en efficiëntie. Tegen de geest van ‘de wereld’ valt niet te concurreren. Daarom moeten we in het christelijk onderwijs de meest kernachtige vragen centraal blijven stellen. Hebben we als christelijke leraren zelf God lief, met de wereld die Hij heeft geschapen en onderhoudt? Merken de leerlingen dat op, door de manier waarop je over je vak praat? Ben je een verwijzer naar God? Is het je als leerkracht een vreugde dagelijks met je kinderen op weg te gaan?

TOEWIJDING

De christelijke school in de Biblebelt moet haar werk niet op dezelfde manier beter doen dan de openbare school, maar op een andere manier investeren in haar werfkracht. Daarmee heeft ze overigens geen vrijbrief om een loopje te nemen met haar prestaties.

Liefde betekent inspanning en toewijding. Leraren in het christelijk onderwijs moeten vanuit de liefde gedreven zijn om in alle opzichten kwaliteit te leveren.


SCHOOLKEUZE

In een dorp op de Biblebelt zijn er al generaties lang twee scholen: een christelijke en een openbare. De christelijke school wordt voornamelijk bezocht door kinderen uit hervormde gezinnen. Sinds enkele jaren loopt het leerlingenaantal terug. Dit komt niet doordat er minder kinderen geboren worden. Ook de kerkelijke betrokkenheid vermindert niet. Wat is er gebeurd?

De reden is dat de openbare school zich sinds enkele jaren sterk profileert op onderwijskwaliteit. Ze streeft hoge prestaties van kinderen na, zonder daarbij afbreuk te doen aan de aandacht voor het individuele kind. Er is een vriendelijke, gedreven directeur die iedereen respectvol behandelt en op school is er ook aandacht voor waarden en normen.

De christelijke basisschool is geen uitblinker. De Cito-scores zijn niet geweldig, er wordt traditioneel onderwijs gegeven en het gebouw ziet er niet aantrekkelijk uit. Christelijke ouders blijken gevoelig voor de goede prestaties van de openbare school. Steeds vaker melden ze hun kind aan bij deze school in plaats van bij de christelijke school.

Wat moeten we hiervan vinden? Hechten de ouders te veel waarde aan de Cito-scores? Of laat de christelijke school identiteit en kwaliteit te weinig hand in hand gaan? In deze casus komt de verhouding tussen identiteit en kwaliteit onder spanning te staan. Wat valt er te zeggen over het evenwicht tussen identiteit en kwaliteit van onderwijs?


METEN

Christelijke schooldirecteuren en besturen kunnen in het debat met inspectie en onderwijsdeskundigen het volgende motto verdedigen: ‘niet alles wat belangrijk is, moet gemeten worden’. Toch is het soms behulpzaam om dingen te meten. Een paar regels:

• Meet alleen die dingen waar het onderwijs beter van wordt. Dit is aan de inspectie goed uit te leggen.

• Als er verplicht opbrengstgericht gewerkt moet worden, organiseer dit dan niet top-down, maar maak er een uitdaging van voor een (deel)team.

• Beperk administratieve ballast. Meet alleen op hoogstnoodzakelijke momenten en dan zo sober mogelijk. Liever een vragenlijst met vijf vragen dan met twintig vragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

EISEN AAN KWALITEIT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's