De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

RIJKDOM VAN HET VERBOND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RIJKDOM VAN HET VERBOND

In gesprek rond de Heidelbergse Catechismus [2, slot]

10 minuten leestijd

Een goede luisterhouding en onderling respect brengen meer zegen dan kritiek en harde woorden. Met een goed gesprek over de juiste interpretatie van de Heidelbergse Catechismus zou er veel gewonnen zijn binnen de gereformeerde gezindte.

Uiteraard staat de ontmoeting rondom de geopende Bijbel voorop, maar vervolgens is het nuttig om het gesprek toe te spitsen op een geschrift dat door alle gesprekspartners hoog wordt geacht als een verantwoorde weergave van hoofdlijnen uit het bijbelse getuigenis. In zijn boek Kostbaar en breekbaar zoekt dr. W. Verboom dit gesprek.

Dr. J. Hoek uit Veenendaal is emeritus hoogleraar gereformeerde spiritualiteit.

In mijn vorige artikel gaf ik aan dat de artikelenreeks geschreven door ds. De Heer in De Saambinder in dit opzicht niet verder helpt. Verbooms intenties worden daarin miskend en zijn positie wordt onzuiver getekend. Dat is zeer te betreuren, maar toch geen reden om de moed op te geven. Daarom probeer ik aan de hand van genoemde artikelenserie aan te geven waarover zo'n gesprek zou kunnen gaan.

INTERPRETATIES VERHELDEREN

Het is verhelderend om de verschillende interpretaties van de Heidelberger zo scherp mogelijk op het netvlies te hebben. Verbooms boek en De Heers artikelenserie zijn daartoe zeker behulpzaam. In zijn eerste artikel geeft ds. De Heer de hoofdstelling van Verbooms boek correct weer: de Heidelberger denkt vanuit Gods verbond met de hele gemeente.

De kerk bestaat weliswaar niet alleen uit bekeerde mensen, maar wel uit verbondskinderen aan wie God, hoofd voor hoofd, Zijn genade belooft. Wanneer we de kinderen de antwoorden van de Heidelberger aanleren, dan doen we dat in het vertrouwen dat de Heilige Geest hen die antwoorden persoonlijk leert.

De drie stukken uit antwoord 2 van de Heidelbergse Catechismus zijn drie ingrediënten die binnen het kader van de enige troost worden beleden. De ‘enige troost’ van vraag en antwoord 1 is niet een eindpunt waar vervolgens in de Zondagen 2 tot 52 naar toe wordt gewerkt, maar laat direct de rijkdom van het geloof zien als een prachtig boeket. Vervolgens worden per zondag de verschillende bloemen uit dat boeket nader bekeken.

ONRECHT

Ds. De Heer stelt hiertegenover dat Zondag 1 het doel van het zaligmakend geloof formuleert, om vervolgens de weg tot dat doel te tekenen. De drie stukken laten zien hoe de Heere plaatsmaakt voor de verlossing in Christus en vervolgens uit die verlossing doet leven.

De volgorde ellende - verlossing - dankbaarheid is volgens hem wel degelijk een chronologische volgorde, niet in de zin van opeenvolgende stationnetjes die men vervolgens voorgoed achter zich laat, maar wél zo dat het onmogelijk is tot kennis van de verlossing (dus van Christus als Verlosser) te komen als de bevindelijke kennis van de ellende daaraan niet is voorafgegaan.

De geloofsvereniging met Christus volgt op de ontdekking van schuld en verlorenheid. Iedereen mag wel vrij tot Christus komen, maar niemand zal tot Hem komen dan die vermoeid en belast is vanwege de zonde. Verboom doet volgens hem onvoldoende recht aan de orde van wet en evangelie.

INTERPRETATIES TOETSEN

Voor een goed gesprek is het van doorslaggevende betekenis dat alle deelnemers van harte bereid zijn hun interpretaties te toetsen aan een gemeenschappelijk erkende autoriteit. In de eerste plaats is dat de Heilige Schrift. Is het beroep op bepaalde teksten wel exegetisch verantwoord? Ik zou er bijvoorbeeld grondig over door willen spreken of ‘de Heilandsroep’ in Mattheüs 11:28 inderdaad beperkend bedoeld is (alléén wie zichzelf vermoeid en belast weet, mag komen) of dat Jezus nu juist ook mensen die zichzelf helemaal niet zo zien als ‘vermoeid en belast’ kwalificeert en onvoorwaardelijk tot Zich roept.

Of, om een ander voorbeeld te noemen, het vaak aangehaalde Mattheüs 9:12 over de zieken die in tegenstelling tot de gezonden de dokter (medicijnmeester) nodig hebben, zegt mijns inziens niets over de innerlijke beleving van de tollenaars en zondaars, maar over hoe Jezus hen ziet. En als de Heiland dan verrassend en onvoorwaardelijk deze tollenaars Zijn vriendschap biedt, komen ze er in het licht van Zijn liefde achter hoe ellendig ze er aan toe zijn.

URSINUS

Na de Schrift is de theologie van de Reformatie, waarvan Ursinus een representant was, een goed toetscriterium. Hier liggen wel wat voetangels en klemmen. Zo zijn er in Ursinus' eigen theologische ontwikkeling verschuivingen aan te wijzen. Is een beroep op de oudere Ursinus altijd doorslaggevend voor de interpretatie van wat de jongere Ursinus in de Heidelberger heeft bedoeld? En moeten we bij een beroep op Ursinus' Schatboek niet voor ogen houden dat deze uitgave lang niet altijd de zuivere Ursinus weergeeft, maar meer dan eens de interpretatie van latere bewerkers, zoals Pareus die in toenemende mate nadruk heeft gelegd op ellendekennis, als ontbindende voorwaarde voor en fase voorafgaand aan de verlossing? (zie T. Voorwinden-Hofman en H. van den Belt, Theologia Reformata, 56 -3, 2013).

INTENTIES PROEVEN

Onmisbaar voor een goed gesprek is het echt proeven van elkaars intenties. Wanneer ik dat bij ds. De Heer probeer te doen, zie ik dat het hem gaat om de rechte prediking. In zijn vijfde artikel noemt hij onopgeefbare zaken in de prediking: ‘Maar wel de vraag of onze ogen ontdekt zijn voor onze diepe verlorenheid in Adam en dit ons als een veroordeelde zondaar heeft uitgedreven tot Christus. En ook de vraag of we niet heimelijk boven onze val in Adam uitgegroeid zijn en rijk en verrijkt werden.’

In zijn slotartikel citeert hij ds. L. Vroegindeweij vanuit De Waarheidsvriend (1960): ‘Ik zie de tijd aanbreken dat onze jeugd in steden en dorpen niet meer weet dat er tweeërlei volk is op aarde: bekeerden en onbekeerden, dat er een eeuwigheid is en dat sterven God ontmoeten is. Waarom weten wij het niet meer? Omdat vele predikanten zo vaag en algemeen preken dat het gaat lijken op een algemene verzoening en op een algemeen geloof.’

REMEDIE

Naar mijn overtuiging komt dit geheel overeen met de intenties van dr. Verboom. Er is alle reden beducht te zijn voor oppervlakkige prediking, een gevaar dat ook binnen de Gereformeerde Bond niet ondenkbeeldig is. Juist een fris bad in de Heidelberger is een prima remedie daartegen.

Wat mij betreft volgen alle hervormd- gereformeerde dominees en gemeenten hierin het goede voorbeeld van de Gereformeerde Gemeenten door de catechismusprediking in ere te herstellen en de zondagmiddag of -avonddiensten weer trouw te bezoeken.

ANDERS

Maar, dan blijft toch nog wel de vraag staan hoe de catechismusprediking plaatsvindt? Ds. De Heer benadrukt sterk dat dit anders mag zijn dan in de tijd van en vlak na de Reformatie. In de zeventiende eeuw is immers het remonstrantisme opgekomen, een dwaling waarmee de reformatoren nog niet geconfronteerd werden. Nieuwe fronten vragen om een nieuwe toepassing van hetzelfde Woord van God en dezelfde reformatorische theologie. Daarom werd gaandeweg in de catechismusprediking de ‘wedergeboorte in engere zin’, de levendmaking van de geestelijk dode zondaar door de onwederstandelijke werking van de Geest, meer dan vroeger beklemtoond. Dat is geen versmalling of verarming, maar een door de situatie vereiste toepassing.

VRIJMOEDIGHEID

Dit is een interessante gedachtegang die openheid biedt voor een kontekstuele en dynamische gereformeerde theologie en spiritualiteit. Er is wel op af te dingen: de reformatoren mogen dan het remonstrantisme nog niet hebben ontmoet op hun weg, ze kenden wél allerlei vormen van semi-pelagianisme waarin de vrije wil van de mens ruimte kreeg bij het verwerven van de zaligheid. Daartegenover hebben ze met volle vrijmoedigheid het sola gratia, door genade alleen, gepredikt en zonder terughoudendheid de rijkdom van Gods verbond en beloften aangewezen. Doordenkend over die verschuivende fronten zou ik aan ds. De Heer de vraag willen voorleggen of de onvoorwaardelijkheid van Gods beloften en de rijkdom van Gods verbond niet des te krachtiger gepreekt moeten worden in een omgeving waar groot gebrek aan geloofszekerheid heerst en waar vele meelevende kerkgangers, tot ambtsdragers toe, niet de vrijmoedigheid vinden om deel te nemen aan het heilig avondmaal.

HAND EN VOET

Laten we elkaar helpen bij de bezinning op de vraag wat het vandaag betekent dat de kerk gereformeerd is om gereformeerd te worden, en elkaar zo binnen de gereformeerde gezindte tot een hand en een voet willen zijn.

Een uitgangspunt voor een goed gesprek vind ik in wat een andere predikant van de Gereformeerde Gemeenten, ds. W. Visscher uit Amersfoort, onder de aandacht brengt in de Gezinsgids van 12 november 2015.

Hij schrijft: ‘De constatering dat wij terughoudender spreken over het genadeverbond en onze gedoopte kinderen is juist. Wie bijvoorbeeld de catechismuspreek van ds. Th. van der Groe leest over zondag 27 komt daar gedachten tegen die wij vandaag de dag in onze kerken niet meer zo horen.’ Zo neemt hij de formulering van Van der Groe niet over dat godvruchtige ouders hun kinderen voor ware bondelingen Gods moeten achten en houden, en dat dus de kinderen ook ‘als ware bondgenoten Gods’ moeten worden opgevoed en we alle ‘middelen tot hun bekering en geloof ’ moeten aanwenden.

VERSCHUIVING

Dat is een eerlijke observatie die overeenkomt met de waarnemingen van dr. Verboom. Ds. Visscher noemt vervolgens verschillende zaken die bij deze verschuivingen een rol spelen, zoals bijvoorbeeld de reactie op Abrahams Kuypers idee van de ‘veronderstelde wedergeboorte’, waardoor extra voorzichtigheid werd betracht.

In een goed gesprek zouden we ons kunnen bezinnen op de vraag waarom we vandaag terughoudender zouden moeten spreken dan Van der Groe, die toch heus niet licht tilde aan de geesteloosheid van zijn eigen tijd.


JEREMIAS BASTINGUS

Jeremias Bastingus (1551-1595), de eerste uitlegger van de Catechismus waarvan een commentaar in het Nederlands verscheen, n.a.v HC vraag en antwoord 74 over het grote voorrecht van de gedoopte kinderen: ‘Want in de eerste plaats getuigt dit voor de ouders van de onuitsprekelijke genade van God jegens hen, waardoor Hij zich verwaardigd heeft niet alleen de ouders, maar ook hun kinderen (hoewel gezamenlijk kinderen des toorns) aan te nemen tot Zijn kinderen, en hun alle goederen en weldaden van Christus ten goede te laten komen. Dat verzegelt Hij met de doop (als met een zegel) tot troost van de ouders ook aan de kinderen. Dat ze namelijk in één Geest tot één lichaam gedoopt zijn, waarvan Christus het Hoofd is. Dit motiveert en beweegt de ouders (die inzien dat hun kinderen in de genade van God staan, en dat ze in de doop aan God tot Zijn eigendom opgeofferd en door Hem aangenomen zijn), om op hun kinderen (als Gods eigendom) des te nauwkeuriger acht te geven, en hen voor de Heere te bewaren, te onderwijzen en op te voeden in het geloof, en in de vreze des Heeren. In de tweede plaats is het voor de kinderen een groot houvast en troost dat zij mede door de doop van de genade van God verzekerd, en in Zijn Kerk ingelijfd zijn. Dat zij ook weten dat daarom de andere lidmaten zorg voor hen dragen en gedragen hebben. En dat ze daarom, zo spoedig als ze beginnen op te groeien, door hun doop vermaand en verder gestimuleerd worden tot voortdurende dankbaarheid voor deze genade. Alsook tot het ernstig dienen van God, hun hemelse Vader, die zich verwaardigd heeft hen tot Zijn kinderen aan te nemen, en met zulke tekenen hen in hun onmondige dagen daarvan te verzekeren, voordat ze Hem ook maar enigszins konden kennen, nog veel minder dat zij dat in enig opzicht verdiend zouden hebben.’(hertaling, zie voor de oorspronkelijke tekst J. Hoek, Tedere Majesteit, 56,57).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

RIJKDOM VAN HET VERBOND

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's