LICHT NA DUISTERNIS
Predikant-dichter Jaap Zijlstra dichtte over de Vorst des levens
Op 22 december 2015 overleed op 82-jarige leeftijd de predikant-dichter Jaap Zijlstra. Hij speelde met taal, ‘werkte’ in de taal.
Dr. J. de Gier uit Ede is neerlandicus.
Niet onverwacht: hij verkeerde reeds jarenlang in een proces van verzwakking en aftakeling ? diverse tia's, herseninfarct, maagoperaties ? en had elf dagen daarvoor op Facebook al afscheid genomen. Zijn lezers- en vriendenkring gaf hij als afscheid het gedicht ‘Verwachting’ door, een gedicht dat hij al achttien jaar eerder had gepubliceerd en waaraan hij zeer gehecht was.
VERWACHTING
Als de dag begint te doven en de zon mij niet meer ziet, als de schemering gaat komen en ik stil word van verdriet, als de nacht valt en mijn vogel niet meer opdaagt met een lied – na mijn duisternis Uw licht, na mijn zwijgen Uw gedicht.
Een mooi en beeldrijk gedicht dat een schets geeft van de menselijke levensloop: dag, schemering, nacht. Tegelijkertijd een gedicht met ‘verwachting’, zoals de titel uitdrukt: het perspectief van Gods ‘licht’ na de duisternis, God neemt als het ware het spreken van de dichter over. Vandaar ‘Uw gedicht’.
JEZUS, DE VORST VAN HET LICHT
Pasen is bij uitstek het feest van het Licht. Na de duisternis van het graf het licht van de paasmorgen: Christus is opgestaan, Hij is de levende Heiland die leven in diepe zin wil geven.
Dat ‘spel’ met licht en duisternis, zoals in ‘Verwachting’, komen we in Zijlstra's poëzie meer tegen. De taal biedt zoveel mogelijkheden en daar wilde deze dichter gebruik van maken, daar was hij steeds naar op zoek. Dichten was voor hem iets anders dan zorgen dat de versregels rijmen. Hij schreef eens over derderangsdichters: ‘Ze moeten eens stoppen met ‘hart’ op ‘smart’ te laten rijmen!’
Licht en duisternis staan ook centraal in zijn gedicht ‘De lichtvorst, de ontluisterde’.
DE LICHTVORST, DE ONTLUISTERDE
De lichtvorst, de ontluisterde, verheft zijn aangezicht, de zon die wij verduisterden. breekt uit in stralend licht.
De glorie van de dageraad verleent een hof zijn pracht, geweken is het rouwgewaad, de smartelijke nacht.
Nu ons een licht is opgegaan, gewenteld onze steen, komen wij oog in oog te staan, niet langer dood-alleen.
O teken dat zijn handpalm siert, zijn hartstreek en zijn voet, zijn onmacht heeft gezegevierd, de onschuld van zijn bloed.
De liefde toont zijn aangezicht, een zonnelied breekt aan, vandaag zien wij het levenslicht, de Heer is opgestaan.
De vorm van dit gedicht is in zekere zin traditioneel: keurige strofebouw en keurig rijm. Maar als we goed kijken, zien we dat de dichter – tegelijk ernstig en speels – de taalmogelijkheden uitbuit. Zowel een spel met taal als het doorgeven van een indringende boodschap, uitlopend op de slotregel: ‘de Heer is opgestaan.’
Misschien zijn er lezers die zeggen: ik mis in dit gedicht ‘zonde’ en ‘schuld’. Die woorden staan er inderdaad niet in, maar het begrip ‘zonde’ wel, namelijk in regel drie: ‘de zon die wij verduisterden’. Wij zijn duistere mensen en leven van nature in het duister. Illustratief voor Zijlstra's taalgebruik zijn de derde en vijfde strofe. Alledaagse uitdrukkingen gebruikt hij op een nieuwe, originele manier, met een diepere zin. Bekende gezegdes als ‘mij gaat een licht op’ (=nu begrijp ik het) en ‘het levenslicht zien’ (=geboren worden) krijgen hier een andere, diepere lading: de dichter verbindt die met het ‘licht’ van Christus, van Pasen, met het Leven in en uit Hem. Ook ‘zonnelied’ in de laatste strofe is een woord met diepte: het kan verwijzen zowel naar het bijbelse ‘Zon der gerechtigheid’, als ook naar het beroemde ‘Zonnelied’ van Franciscus van Assisi. Dit is ‘werken’ in de taal. In zijn beste gedichten bereikt Zijlstra daardoor een niveau dat we literair noemen.
PAASLIED
Ook ‘Paaslied’ is een opstandingsgedicht.
Dat het een opstandingsgedicht is, blijkt direct al uit bepaalde kernwoorden: tweemaal het woord ‘opstaat’ – in de eerste en laatste strofe – en daarnaast ‘verrijzenis’ en ‘opstanding’ in de eerste twee strofen.
Christus, die het Leven is, wil leven in diepe zin schenken aan zondaren. Uit liefde, blijkens de slotregel: ‘opstaat tot een lieve lust’. Jezus is de graankorrel die ‘sterft’ in de aarde en vervolgens ‘veel vrucht’ draagt (Joh. 12:24). Op knappe wijze werkt de dichter dat beeld uit. In elke strofe staan woorden die met het graan te verbinden zijn, zoals ‘korrel’, ‘garve’ en ‘zaad’.
GRATIE
In de eerste regel van ‘Paaslied’ staat het woord ‘gratie’:
Wij zingen bij de gratie van het graan dat opstaat als een man,
Dit is geen toevallige inzet van het gedicht. Gratie is een vorstelijk woord voor ‘genade’: een vorst kan of kon gratie verlenen. Christus is de Vorst des levens. Zijlstra noemt Hem de Lichtvorst. Ons behoud is niet onze verdienste, maar is genade. Onze redding is alleen gelegen in Zijn dood, Zijn lijden, Zijn opstanding.
Door Zijn genade kan de dichter ook ‘zingen’, dat wil zeggen: dichten. Zo wordt de dichter een zanger ‘bij de gratie Gods’.
PAASLIED
Wij zingen bij de gratie van het graan dat opstaat als een man, de korrel die ontbonden is en uitbreekt in verrijzenis.
Van harte brengen wij U lof, o Heer, die opdaagt uit het stof, van alle oogst de eersteling, de garve van de opstanding.
Gij die gevallen zijt als zaad en vorstelijk te velde staat, de smalle vore van het graf werpt honderdvoud zijn vruchten af.
Heilige Geest, zo ver Gij waait, hebt Gij de akker ingezaaid met graan dat niet in vrede rust maar opstaat tot een lieve lust.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's