De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKINGEN

6 minuten leestijd

Vragen naar het Woord, deel 5 Brieven van Paulus & Openbaring. ‘Ik ben de Alfa en de Omega’ Uitg. De Groot, Goudriaan; 110 blz.; 12,50.

De werkgroep Gouds Leerhuis organiseerde voor de vijfde keer een serie lezingen. In het winterseizoen 2014- 2015 betroffen deze inleidingen de brieven van Paulus en Openbaring. Dit boekje is hier de schriftelijke neerslag van, opnieuw (zoals we inmiddels gewend zijn) prachtig vormgegeven en rijk geïllustreerd met foto's van de gebrandschilderde ramen van de Sint Jan in Gouda. Niet alleen de uiterlijke vormgeving is rijk, de inhoud is dat ook.

Ds. P.L. de Jong bijt de spits af met een heldere bijdrage over de brief aan de Romeinen. Betekenisvol is zijn uitleg van het begrip evangelie. Dat is namelijk niet alleen de boodschap die zegt dat ík in mijn kleine hoekje een kind van God kan worden, heel individualistisch opgevat dus, maar evangelie is (vooral) Gods wereldwijde plan. Vanaf de schepping, vanaf Abraham.

Dr. W.M. Dekker betoogt in zijn inleiding op de brieven van Paulus aan Korinthe dat er meer samenhang in de brieven zit dan we aanvankelijk zouden vermoeden. De grondgedachte in beide brieven (of zijn er in werkelijkheid meer dan twee brieven geweest?) is volgens de Waddinxveense predikant de prediking van het kruis, tegenover het principe van zelfverwerkelijking. In 1 Korinthe 1:25 vinden we de sleutel om de beide Korinthebrieven te verstaan. Inzichtgevend is de uitleg dat ‘het dwaze van God wijzer is dan de mensen’ ook voor de eerste lezers en hoorders geen vanzelfsprekende gedachte was. De kruistheologie van de Korinthebrieven heeft in de geschiedenis diepe sporen getrokken, waarbij Dekker terecht signaleert dat in de twintigste-eeuwse doorwerking (en uitwerking) daarvan, de paradox van Paulus (en later ook Luther) nogal eens verdween. Behartigenswaardig ten slotte is de opmerking dat de notie van het kruis het tegenwoordig in kerk en gemeente moet afleggen tegen de thematiek van discipelschap, navolging en missie. De heiliging bekoort ons meer dan de rechtvaardiging. Waarvan acte!

De voormalige legerpredikant dr. J. van Eck schrijft een prachtige inleiding over de brieven aan de Kolossenzen en Filemon. Men merkt direct: hier is een vakman aan het woord. Weldadig is de wijze waarop hij resultaten van de historisch-kritische exegese beargumenteerd nuanceert en (haast terloops) de vermeende pseudepigrafie naar de prullenbak verwijst. Een heel interessante kwestie is die van de slavernij. Onder ons heeft de gedachte zich postgevat dat Paulus het instituut van slavernij onveranderd liet, er niets aan kon veranderen. Maar is dat nu wel zo? Dr. Van Eck voert een pleidooi om middels een scherpere, meer letterlijke vertaling van Kolossenzen 4:1 tot een andere visie te komen.

De brief aan de Galaten wordt ingeleid door dr. S. Janse. Zijn stelling dat de heilsordelijke interpretatie van de wet die ons uitdrijft naar Christus zich niet op de Galatenbrief kan beroepen, kan ik in het licht van zijn betoog wel begrijpen, maar niet helemaal delen. Mijns inziens geeft Janse ook iets te veel eer aan het nieuwe perspectief op Paulus. Prof.dr. H. van den Belt gaat in zijn bijdrage over de Pastorale brieven in op de deugden van het christenleven, die, opvallend genoeg, niet volkomen haaks staan op, maar een zekere parallellie vertonen met de klassieke deugden. Dat is een waardevolle opmerking. Paulus werpt het antieke ideaal niet overboord, sterker nog, laat het ideaal van de heiliging aansluiten bij de waarden uit de antieke cultuur. Mag je het niet andersom zeggen? Door Woord en Geest worden we weer echt mens, zoals door God oorspronkelijk bedoeld.

Het laatste hoofdstuk bevat de inleiding van ds. G. van Meijeren over het boek Openbaring. Hij vestigt onze aandacht op de cyclische structuur van Openbaring. Dat is van groot belang in de uitleg. Het gaat niet om een puur lineair verhaal, al zit er voortgang in het boek, maar het cirkelt steeds om God en het Lam en dat zij die Hem toebehoren, in goede handen zijn. Een waardevol punt is ten slotte dat ds. Van Meijeren er in navolging van het synoderapport Brandpunten in de verkondiging (Van den Brink/Van der Kooi) de vinger bij legt dat we het kwaad in de prediking meer moeten thematiseren. Het kwaad valt niet te ontlopen. Echter, het heeft Gode zij dank niet het laatste woord. Het citaat van Miskotte uit 1944 (over de christen die zo moeilijk kan praten met optimisten, terwijl hij zelf de grootste optimist is) vormt een prachtige afsluiting van dit hoofdstuk, en van het hele boekwerkje.

C.H. HOGENDOORN, KATWIJK AAN ZEE


Margriet van der Kooi Het kleine meisje van de hoop. Nieuwe gesprekken over God en ons. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 160 blz.; 14,90.

Mw. Van der Kooi toont zich in het Woerdense ziekenhuis een echte pastor: ze luistert, duidt vragen en opmerkingen en verbindt mensenlevens met het Verhaal van God, wiens verlangen naar mensen Hem alles gekost heeft. Met deze theologie bij zich – ‘de Zoon van God daalt neer, huilt bij het graf van een vriend, sterft een onrechtvaardige dood’ – gaat ze van bed tot bed, elke dag weer. De verhalen uit het Boek, dragers van waarden, die vertelt ze. Zo geeft ze vorm aan wat voor haar pastoraat is: ‘uit stukjes verhalen van mensen, scherven soms, iets nieuws tevoorschijn vinden’; en ook: ‘zeggen dat er een Herder is’. Aan het bed van mensen wordt een ziekenhuis tot een plaats van vertrouwen en barmhartigheid. Daarbij focust de auteur op de ‘hoop’, dat kleine meisje dat loopt tussen haar grote zussen, het geloof en de liefde.

Allerlei levenswijsheid, die leer ik uit de 35 opgenomen columnachtige verhalen en de vier brieven, zoals dat ouderen lang niet altijd verstandig reageren, dat mensen met een zaak wel veel kennissen maar nauwelijks vrienden hebben, dat waardigheid wel te verspelen maar niet te verliezen is, dat de meeste engelen van vlees en bloed zijn, dat er weinig droeviger is dan een tekort aan ouderliefde enz.

Waar mensen elkaar tot steun willen zijn, beseft mw. Van der Kooi dat ‘de christelijke kerk ons ankert aan een Woord dat het houdt in leven en sterven’. Om die reden zegt ze, na het Woord gesproken te hebben: ‘Goud en zilver heb ik niet, maar wat ik heb, heb ik u gegeven.’ Dat doet weldadig aan. Ieder die oprecht met zijn naaste wil omgaan, kan veel wijsheid uit deze bundel halen.

Af en toe is de auteur wat slordig in namen. Zo schreef Pascal (niet: Paul) Mercier Nachttrein naar Lissabon, is niet Erik Peels maar zijn zoon Rik Peels mede-auteur van God bewijzen.

P.J. VERGUNST

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's