AANVAL OP DE STAATSKERK
Søren Kierkegaard [2]
Kierkegaard blijft zijn leven lang ambteloos burger. Dat betekent niet dat hij een teruggetrokken bestaan leidt. Hij mengt zich in veel theologische en filosofische discussies.
Kierkegaard verzet zich vooral tegen de grote invloed van de Duitse filosoof Hegel op de kerkelijke theologie. Het feit dat de Deense theoloog aanzien geniet en bewonderd wordt, zet bij anderen kwaad bloed. De opiniemakers van Kopenhagen voeren regelmatig een venijnige polemiek met elkaar. Men schrijft onder pseudoniemen, zodat men elkaar zonder veel risico te lijf kan gaan. De excentrieke Kierkegaard moet het ontgelden.
Qua uiterlijk valt hij op. Kennelijk komt het voor dat hij met ongelijke broekspijpen over straat loopt. Dat wordt uitgebuit om hem belachelijk te maken. Ook wordt op bedekte wijze de aandacht gericht op zijn hoge rug. Uiteraard met het doel hem als een zielig persoon voor te stellen.
VERLOVING
Kierkegaards leven staat vooral in het teken van twee dingen, namelijk zijn verloving met Regine Olsen en zijn aanval op de Deense staatskerk. Regine Olsen is de dochter van staatsraad Olsen, een belangrijke figuur in het Deense publieke leven. Søren verbreekt echter de verloving. Dat geeft in brede kringen opschudding, omdat het ongeveer gelijkstaat met echtscheiding. Bovendien wordt op deze manier het meisje gestigmatiseerd en de familie voelt zich beledigd. Regine smeekt Søren om terug te komen op zijn besluit. Dat gebeurt niet.
Kierkegaard ziet een parallel tussen Abraham, die het liefste dat hij had moest offeren, en zijn eigen situatie. Niemand zal ooit van Abraham kunnen begrijpen dat hij bereid was om zo'n groot offer te brengen. Ongeveer op dezelfde manier beleeft Kierkegaard het opofferen van Regine. Hij offert haar op, omdat hij anders niet kan beantwoorden aan zijn diepste roeping. Het is een gebeurtenis waarmee hij zijn hele leven bezig blijft. Beter gezegd: hij lijdt er zijn leven lang onder. Uit de biografie van Garff blijkt dat beiden hun hele leven genegenheid en liefde voor elkaar blijven voelen. Zozeer zelfs dat Søren zijn erfenis vermaakt aan Regine, die dan al vele jaren met Fritz Schegel is getrouwd. Dit persoonlijke gebeuren staat niet los van zijn persoonlijke ontwikkeling als denker en schrijver. Het is nauw verweven met zijn hele filosofische en theologische werkzaamheid.
FOUT EVANGELIE
De andere gebeurtenis vindt aan het eind van zijn leven plaats, in 1854. Na de dood van bisschop Mynster en bij het aantreden van zijn opvolger Martensen valt Kierkegaard de Deense staatskerk aan. Met bisschop Mynster had hij een redelijk goede relatie. Omdat zijn vader bevriend was met de bisschop, bleef Kierkegaard Mynster respecteren en wilde hij de kerk niet openlijk kritiseren, hoewel zijn privé-opvatting was dat Mynster het christendom tot een ‘zinsbegoocheling’ had gemaakt. Dat wil ongeveer zeggen dat Mynster het volk een fout Evangelie had voorgespiegeld. Nadat Mynster is gestorven en met veel pracht en praal – zelfs met bazuingeschal – is begraven, wordt Martensen zijn opvolger. Dat was trouwens in de achterkamertjes van het bisschoppelijk paleis al lang voorbereid. Martensen is een geleerde man. Hij heeft een dogmatiek geschreven die ook in het buitenland invloed heeft en grote waardering geniet.
De preek die Martensen houdt op de zondag na de begrafenis van Mynster, is de druppel die de emmer doet overlopen. In deze preek bewierookt Martensen zijn voorganger door hem een plaats toe te kennen onder de ‘waarheidsgetuigen’ die er geweest zijn ‘vanaf de dagen van de apostelen’.
AANVAL
Op 18 december 1854 schrijft Kierkegaard een artikel in een van de bladen van Kopenhagen. De titel van die bijdrage luidt: ‘Was bisschop Mynster een waarheidsgetuige?’ De heftigheid van Kierkegaards kritiek heeft alles te maken met de onbeschaamdheid om deze bisschop, een berekenend kerkbestuurder, op één lijn te stellen met de apostelen.
Een echte waarheidsgetuige is een man die ‘zo miskend en gehaat, verafschuwd, zo bespot, gehoond, uitgelachen wordt, dat hij van de ene gevangenis naar de andere gesleept wordt en ten slotte gekruisigd of onthoofd wordt of verbrand of geroosterd wordt en dat zijn ontzielde lichaam op een afgelegen plek wordt neergesmeten, onbegraven: ‘zo wordt een waarheidsgetuige begraven!’ Dat zijn de vlijmende woorden waarmee Kierkegaard de aanval opent.
COMPROMISLOOS
Deze aanval is geen impulsieve actie. Hij heeft er jaren over nagedacht of hij dit wel moet doen en mag doen. We moeten in gedachten houden dat de kerk een staatskerk was.
Wie de kerk op deze compromisloze wijze aanpakt, moet rekening houden met overheidsmaatregelen. Kierkegaard overweegt serieus dat arrestatie of ergere dingen het gevolg kunnen zijn. Zover komt het niet. Kierkegaard protesteert met zijn intellect, met zijn gevoel en met zijn geloof tegen een kerk die haar roeping verloochent. De tijd van kwakzalvermethoden is voorbij. Er moet om zo te zeggen operatief ingegrepen worden. Zoals Kierkegaard het treffend zegt: in stilte een echte christen zijn is even onmogelijk als in stilte een kanon afschieten.
De kranten en de publieke opinie verklaren hem voor gek. Maar Kierkegaard draait het juist om: ik houd God voor de gek als ik plechtig en vroom doe, maar intussen ervoor zorg dat het mij tijdelijke en aardse voordelen oplevert. Een saillant detail is dat bisschop Martensen, juist in de maanden dat deze polemiek aan de gang is, op de gedenkdag van een martelaar (Stefanus) twee predikanten tot bisschop wijdt.
STAATSCHRISTENDOM
Kierkegaards kritiek houdt in dat de kerk een instituut is geworden dat helemaal weggegroeid is van zijn nieuwtestamentische wortels. De kerk is geen kerk meer, maar een vorm van staatschristendom. Hij eist dat de kerk zelfstandig van de staat zal worden. Dat is echter niet het enige punt van kritiek.
Sterker nog dan de verstrengeling van kerk en staat, stelt hij de schijnheiligheid van de voorgangers en van de bisschoppen aan de orde. Zij verkondigen de navolging van Christus, maar intussen gaan zij zeer berekenend te werk door vooral te zorgen voor hun eigen comfortabele positie in de kerk, door aanzien in de samenleving na te streven (niet bij de gewone man, maar bij de elite), terwijl het pastoraat verwaarloosd wordt en de preken niet om aan te horen zijn. Kierkegaard bestrijdt een geesteloze kerk, een verstarde kerk, een bureaucratische kerk. Martensen doet zijn best om op een waardige wijze te reageren door Kierkegaard op een pastorale wijze terecht te wijzen. Dat lukt maar zeer ten dele, omdat hij het toch niet kan laten om uit de Griekse literatuur een onaangenaam persoon ten tonele te voeren van wie beide benen verdraaid waren en een voet mank was en van wie de schouders naar voren gekromd waren. Het is duidelijk dat hij Kierkegaard op het oog heeft.
STRIJD
Gedurende deze strijd wordt de toon van Kierkegaard feller en ook onverzoenlijker. Over de dominees zegt hij: ‘Stuur ze met pensioen al die kwakzalvers en laten we God weer in alle eenvoud eren in plaats van Hem voor de gek te houden in prachtige gebouwen, laat het ons weer ernst zijn en laten we stoppen met het spel.’ Ook schrijft hij: ‘Het is de taak van de dominee om de samenleving tegen het christendom te beschermen.’ Dit geslacht is zo ontaard, meent Kierkegaard, dat er geen mensen meer zijn die het christendom van het Nieuwe Testament nog kunnen verdragen.
Dr. A.A.A. Prosman uit Nijkerk is emeritus predikant.
Volgende keer het slot: Kierkegaards levenseinde en zijn theologie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's