De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEROEPEN TOT ANTWOORDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEROEPEN TOT ANTWOORDEN

Mens in relatie [1]

8 minuten leestijd

De eerste twee hoofdstukken van de Bijbel vertellen twee scheppingsverhalen. Genesis 1 gaat over de mens in verhouding tot zijn Schepper. Genesis 2 heeft als insteek de verhouding tot de medemens en de aarde. Samen vormen zij een kruisverbinding.

In een begin is de wereld ontstaan. Door te spreken en te scheiden schept God een ordelijke wereld: licht en duisternis, hemel en aarde, land en zee. Na drie dagen is er ruimte gecreëerd voor wat op de volgende dagen ontstaat door het Woord van God. Nadat de dieren naar hun soort uit de aarde zijn voortgebracht, wordt er een pauze ingelast. Het lijkt alsof de gehele geschapen werkelijkheid het moet horen: ‘Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.’ Daarmee formuleert de tekst een wezenlijk verschil tussen mens en dier. Tekstueel is hier geen sprake van een (theïstisch) evolutiemodel, maar ontstaat er met de schepping van de mens iets nieuws: de mens als een samenspel van hemel en aarde.

WAARDIGHEID

God schept Adam in Zijn beeld en overeenkomstig Zijn gelijkenis. Mensen danken hun vorm en hun bestaan aan Gods initiatief. Het woord dat vertaald is met beeld kan ook schaduw betekenen. En zoals een schaduw niet kan bestaan zonder het ‘origineel’, zo wordt de mens in Genesis 1 getypeerd als de beelddrager van God. Daarmee is de menselijke waardigheid gefundeerd en wordt zelfs later de doodstraf gelegitimeerd. Wie het bloed van Gods beelddrager vergiet, kan dat alleen maar goedmaken met zijn eigen leven (Gen.9:6).

God schept de mens mannelijk en vrouwelijk. Zowel het mannelijke als het vrouwelijke laten iets zien van de Schepper.

Man en vrouw krijgen vervolgens de opdracht de aarde te vervullen en deze te onderwerpen. Beiden krijgen van de Heere het mandaat om te heersen over land en zee en al haar bewoners. En zoals een land wel vaart bij een goed bestuur en ten onder gaat bij wanbeleid en corruptie, zo zal de schepping floreren wanneer de mens gehoorzaam is aan de opdracht van God.

Dan volgt de sabbat. Daarvoor is de mens gemaakt, het is zijn eerste dag van de week. Op deze dag mag hij opademen en dankbaar om zich heen kijken en zich verblijden over alles wat God heeft gemaakt.

IN DE HOF

Het eerste hoofdstuk van Genesis vertelt het verhaal van de mens die tot leven komt in verhouding tot zijn Schepper. In Genesis 2 wordt de geschiedenis vanuit een ander perspectief beschreven. In Genesis 2:4 kantelt het blikveld: ‘op de dag dat de Heere God aarde en hemel maakte.’ Scheppen wordt maken, God wordt Heere God en nu wordt eerst de aarde genoemd. Daaruit is de mens genomen, Adam heeft te maken met adama (aardbodem). Daarmee is echter niet alles gezegd. De Heere God blaast de levensadem in zijn neusgaten en dan is de mens een levende ziel. God heeft met de schepping van de mens iets van Zijn heerlijkheid in de materie uitgedrukt.

De Heere laat deze mens niet zomaar op de aarde loslopen, Hij vormt een hof in Eden waarin Hij de mens plaatst. De Heere God laat bomen opkomen en levend water om de tuin van vocht te voorzien. Zo is de mens ‘als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd.’ (Ps.1) Midden in de hof staan twee bomen, volgens de Joodse traditie op de ‘navel van de aarde’ (Ez.38:12), de plaats waar Izak gebonden wordt (Gen.22), de doodsengel zich moet terugtrekken (2 Sam.24:16) en de tempel wordt gebouwd (2 Kron.3:1). Aan de mens wordt het gebod gegeven om niet te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Adam kan alleen in gehoorzaamheid eeuwig leven ontvangen.

EEN MEDEMENS

Wanneer God Zijn schepping vervolgens overziet, klinkt niet ‘en God zag dat het goed was’, maar komt de Heere tot de slotsom dat het niet goed is ‘dat de mens alleen is’. Dan worden alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht bij Adam gebracht en Adam mag hen een naam geven. Hier geldt nomen est omen, zoals Adam ze noemt, zo zal hun naam zijn. In de dierenwereld vindt Adam echter geen ‘maatje’. Hij vindt niet iemand ‘als tegenover hem’. Iemand die anders is en ook weer hetzelfde. Een eenheid in verscheidenheid. Iemand met wie hij de verantwoordelijkheid die God hem heeft gegeven, kan delen. De Heere grijpt in. Adam valt in een diepe slaap en buiten zijn bewustzijn om ontvangt hij een vrouw. Het kroonstuk op de schepping is zijn wederhelft. ‘Been van mijn beenderen, en vlees van mijn vlees.’ Manninne wordt ze genoemd, een zij-mens. Ze wordt aan Adam gegeven als een helper (èzèr), geen hulpje maar een helper, zoals de Heere ook een èzèr wordt genoemd. De vrouw komt niet uit de voeten noch uit het hoofd maar uit de zijde van Adam voort en daarmee lijkt de gelijkwaardigheid gegeven. Samen mogen zij de hof van Eden bouwen en bewaren. Een mens alleen is onvoldoende bij machte aan die verantwoordelijkheid vorm te geven. De tekst lijkt te vertellen dat een mens alleen niet helemaal compleet is. Mensen hebben mensen nodig.

VERSTOORD

In de eerste hoofdstukken van de Bijbel wordt de mens geplaatst enerzijds in relatie met zijn Schepper en anderzijds in relatie tot zijn medemens. Alleen in de Ander en de ander vindt de mens zijn bestaan en zijn bestemming. De horizontale verbinding wordt gedragen door de verticale dimensie. In deze kruisverbinding wordt de mens pas werkelijk mens. Wanneer de vrouw zich uitstrekt naar de verboden vrucht en de man erbij staat te kijken en niet ingrijpt, wordt de vertical lijn doorgesneden. In plaats van wijs, zijn ze naakt en maken ze schorten van vijgenbladeren om zich te bedekken.

Wanneer de stem, of zoals de Aramese vertaling het weergeeft, het Woord van de Heere door de tuin wandelt, verstoppen ze zich tussen de bomen. De eerste vraag die God de mens stelt is: ‘Waar ben je?’ Ondanks de verstoorde relatie zoekt de Heere hen op. Hij geeft hen kleren van huiden. Om hen te kleden moet er een offer gebracht worden. De mens kan zelf zijn naaktheid niet bedekken. En met de verstoring in de relatie tot God is alles in de schepping uit het lood geslagen. De strijd is begonnen, de verhouding man-vrouw komt onder druk te staan, de aarde wordt vervloekt. Adam zal terugkeren naar de adama. Er wordt echter geen punt gezet maar een komma. De vrouw wordt Eva, moeder van alle levenden. Met de intrede van de dood wordt er hoop en toekomst aangereikt. Adam en zijn vrouw moeten de tuin uit. De boom van eeuwig leven is onbereikbaar geworden. Het kwaad wordt begrensd.

GEEN TOEVAL

De mens verdwijnt uit Gods directe aanwezigheid maar hij wordt niet aan zichzelf overgeleverd. De man en zijn vrouw ontvangen nieuw leven: Kaïn en Abel, twee broers. Beide jongens offeren hun gaven. God ziet niet alleen het offer maar ook het hart aan. Kaïn verdraagt de verhouding van Abel met de Hemel niet en doodt zijn broeder. Dan komt God weer tot de mens en stelt hem de tweede vraag: ‘Waar is je broeder?’ Kaïns antwoord op deze vraag is een wedervraag en tegelijk een vaststelling: ‘Ik ben mijn broeders hoeder?’

Misschien wordt in deze eerste hoofdstukken van de Bijbel het verhaal van ieder mens verteld. Paulus lijkt daar in 1 Korinthe 15 bij aan te sluiten.

Wij zijn geen losse individuen die per toeval op deze wereld zijn ontstaan. Ons leven is verbonden met de Schepper, in Wiens beeld wij zijn geschapen. Zonde en dood hebben scheiding gemaakt. God zoekt ons echter op en stelt ons de vragen ‘mens waar ben je?’ en ‘waar is je broeder?’ Het is aan ons als mens om op deze vragen een antwoord te formuleren.

De verhouding tot God is onlosmakelijk verbonden met de verhouding tot de medemens. De Heere nodigt ons uit om in relatie met Hem te leven en vanuit deze relatie als een verantwoordelijk mens te leven met de medemens en de wereld om ons heen.

Door het kruis als de levensboom wordt deze relatie mogelijk gemaakt en wordt er een nieuwe toekomst ontsloten. In Christus, als de nieuwe Adam, worden relaties hersteld, wordt de schepping bevrijd en gloort er aan de horizon van deze wereld een nieuwe hof van Eden.

Anneke van Maanen-Witteveen is eindredacteur van De Waarheidsvriend.


Uit het begin van de Bijbel kan de conclusie worden getrokken dat de mens een relationeel wezen is. De mens is gezet in een relatie tot zijn Schepper, zijn medeschepselen en de wereld waarin hij is geplaatst. In deze vijfdelige serie worden diverse relaties belicht. Vandaag: de mens is beelddrager van God en daarmee geroepen tot verantwoordelijkheid.
Volgende week: Ideale relaties zijn relaties in liefdevolle verbondenheid, op basis van liefde en trouw.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 2016

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

GEROEPEN TOT ANTWOORDEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 2016

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's