EEN ANDER LEEFPATROON
Vreemdelingschap en rentmeesterschap [3, slot]
Het woord rentmeesterschap duikt niet pas in de milieudiscussie op. Het is reeds door Calvijn gebruikt, met een aanhaling uit Lukas 16:5. Bij rentmeesterschap gaat het als het ware om goederen die in bewaring gegeven zijn.
In zijn visie weet dr. H.W. de Knijff zich schatplichtig aan Calvijn en het puritanisme. In zijn boek Tussen woning en woestijn gaat hij uitvoerig in op Calvijns gebruik van de onderscheiding tussen uti (gebruiken) en frui (genieten).
Met betrekking tot het puritanisme vraagt De Knijff zich af of die beweging, die zelfexpansie als hoogste goed afwees, niet een menselijker en realistischer opvatting van de bewoning van de aarde had dan de twintigste eeuw.
AUTO
Dr. De Knijff is degene die het begrip ‘vreemdelingschap’ in het kader van een christelijke milieuethiek geïntroduceerd heeft. Hij laat het niet bij theoretische overwegingen. Hij komt ook met uitwerkingen voor de praktijk door enkele actuele milieuproblemen te bespreken: de auto, het vliegtuig, de vakantie, het afval, het voedsel, de gebruiksgoederen, het papier en het energiegebruik. Hij noemt dr. B. Goudzwaard en dr. H.M. de Lange als economen met wie hij zich verwant voelt. Zijns inziens beogen hun voorstellen geen utopie. Het is niet hun bedoeling om de economische orde revolutionair te wijzigen. Veeleer gaat het om een geleidelijke maar wel fundamentele verandering.
Men krijgt de indruk dat hun voorstellen tot verandering van het leefpatroon bij de ‘officiële’
economen ‘geen poot aan de grond krijgen’, aldus De Knijff. Toch staan beide schrijvers niet alleen, ze hebben tal van medestanders. Hoe dat ook zij: de auteur geeft in ieder geval zelf op concrete wijze invulling aan de ethiek van distantie (maat houden) die op goede, bijbelse gronden met vreemdelingschap verbonden kan worden.
IN TENTEN
Overigens wijst dr. De Knijff nog in algemene zin op het kritische karakter van de christelijke ethiek in de twintigste eeuw. Ze werd toen veel minder maatschappijbevestigend dan in het verleden het geval geweest was. Ongetwijfeld had die verandering te maken met het feit dat de omvang van de structurele wereldproblemen toegenomen was. De auteur attendeert in dat verband op het ‘exodusdenken’ van ‘een nomadisch, dat wil zeggen principieel niet aan een bepaalde woonplaats gebonden volk’, een typering van de Amerikaanse theoloog Harvey Cox. De Knijff: ‘Richtinggevend voor dit type ethiek is ook niet de notie van het land, maar veeleer die van de woestijn: niet de vaste bewoning van huizen, maar het veel bedreigder en bewegelijker verblijf in tenten symboliseert de aard van het bestaan. In het land, waar men vertoeft, is men geen blijver, maar vreemdeling en bijwoner. Het volk Israël geeft hiermee het grondpatroon van het leven in het Godsverbond aan en dat geldt, in deze opvatting, evenzeer voor de messiaanse gemeente van Jezus Christus.’
ASCESE
De Knijff noemt dr. O. Noordmans niet, maar het behoeft geen betoog dat zijn visie door deze theoloog beïnvloed is. Elders heeft hij wel over hem geschreven, onder meer over zijn visie op ascese. Volgens hem komt het er bij Noordmans in feite op neer ‘dat de mens zijn geschapen plaats zonder angst en reserve onder de tucht der eeuwigheid inneemt en daarbij de in het gebod gegeven grens (de woekering en grensoverschrijding van de levensdrift) niet overschrijdt. Hij staat dus letterlijk ‘midden in het leven’, sub specie aeternitatis (in het licht van de eeuwigheid), en daar moet hij blijven. Deze ethiek is een ethiek van maat en grensbesef, zij wordt bepaald door de geschapen, ja ‘natuurlijke’, positie van de mens onder het Woord van God.’ Duidelijk is dat ascese voor Noordmans ‘een positief en constitutief (bepalend) grondgegeven’ is, ze heeft zelfs ‘charme’. De Knijff biedt ook weer een actualisering in onze huidige economische werkelijkheid aan. Hij stelt dat onze plek om te leven wordt bedreigd door de neiging tot uitbuiting. Dat heeft iets duivels.
De omvang van de wereldproblemen is toegenomen
Volgens hem zijn de vraagstukken van consumptie- en milieuethiek in ons technocratische tijdperk zonder een scheut van de door Noordmans bepleite levensstijl onoplosbaar. Of die algemeen ingang zal vinden, valt zijns inziens te betwijfelen. De Knijff voegt eraan toe: ‘Het zal dan wel zo gaan, als het Noordmans verging bij zijn nota ‘Over de genotzucht’, op verzoek van de synode geschreven, maar als onbruikbaar verworpen.’
REM
In de door dr. De Knijff aangehaalde conceptnota, die uit 1946 dateert, schrijft Noordmans dat gelovigen niet de wereld, maar Christus gelijkvormig moeten worden: ‘Wanneer wij met Hem willen opstaan en de gelijkheid aan zijn heerlijk lichaam deelachtig worden (Filip.3:20), dan moeten wij ook Zijn dood gelijkvormig worden (Filip. 3:10). Dat betekent een rem op onze natuurlijke lichamelijkheid, die niet straffeloos kan worden afgezet. Een christenheid die dat doet, vervalt in de diepte des satans (Openb.2:24). – Wanneer de dingen zo staan, dan behoort de gemeente op dit punt uit haar slaap te ontwaken.’
Noordmans vervolgt: ‘Velen hebben er bewust aan meegewerkt de grenzen tussen kerk en wereld te doen verflauwen. Het neerhalen van iedere scheiding scheen hun winst. Moge het besef weer levendig worden dat dit lichaam der zonde en des doods bestemd is om geofferd te worden (Rom.12: 1). Degenen die als pelgrims uit de Bijbel gasten en vreemdelingen op aarde zijn, zoeken een ander vaderland, maar ook een ander lichaam. – Alleen op die wijze kan de dood zijn prikkel en de hel haar overwinning verliezen. De dood en de hel, die zich opmaken ons te verslinden. Onze boete zal haar kracht moeten ontlenen aan een innerlijke blijdschap over onze gelijkvormigheid met Jezus’ dood en opstanding. Dan zal onze wandel in de hemelen zijn.’
NIEUWE AARDE
Behalve De Knijff noem ik nog een naam, die van Dietrich Bonhoeffer. In 2015 promoveerde Steven van den Heuvel op een proefschrift over Bonhoeffer als bron voor een christelijke milieuethiek. Hij wijst op de neiging van met name veel ‘evangelicals’ om aandacht voor het milieu als secundair (minderwaardig) te behandelen. Een belangrijke reden daarvoor ligt in hun eschatologie, die vaak de discontinuïteit tussen de huidige aarde en de nieuwe aarde benadrukt.
Van den Heuvel wijst dan op Bonhoeffers concept van Christuswirklichkeit. Daarmee bedoelt hij dat voor Bonhoeffer in Christus de scheiding tussen ‘werelds’ en ‘sacraal’ is opgeheven. In Christus is de werkelijkheid één. Daarmee worden niet alle verschillen uitgewist, maar hij doet een dringend appèl aan christenen om ten volle deel te nemen aan de hele werkelijkheid en zich niet aan hun verantwoordelijkheid te onttrekken door te vluchten achter een verkeerd opgevatte tweerijkenleer. Welnu: Van den Heuvel stelt dat Bonhoeffers concept kan helpen in de ontwikkeling van een evangelicale eschatologie. Die zal minder gericht zijn op wat er in de toekomst zal gebeuren, maar meer gericht zijn op deze wereld, vanuit de herkenning dat de wereld in Christus is aangenomen en daardoor waarde heeft.
De conclusie moet wel luiden dat vreemdelingschap en rentmeesterschap goed met elkaar in verband te brengen zijn, maar dat een scheppingstheologische benadering gemakkelijk tot het gevaar van cultuuroptimisme leidt, waarbij het eschatologische gezichtspunt onder druk komt te staan. Dat gevaar wordt vermeden als men in het pneumatologische spoor van iemand als Noordmans of in het christologische spoor van iemand als Bonhoeffer gaat.
Dr. J.D.Th. Wassenaar is predikant van de protestantse gemeente te Hellendoorn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's