De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MOE VAN ALLES

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MOE VAN ALLES

8 minuten leestijd

Soms verschijnt er een artikel waarvan je denkt: hier wordt iets wezenlijks gezegd, een kern geraakt. Ik had dat met de bijdrage van ds. Kees van Ekris (Zeist) die in het Nederlands Dagblad van 23 september de verveling en de vermoeidheid onder veel toegewijde gemeenteleden én dominees diagnosticeert. Gelet op het belang van de inhoud laat ik hem graag uitvoerig aan het woord.

NEDERLANDS DAGBLAD

(…) Een vorm van verveling belaagt ook de christelijke gemeente van vandaag. Wie in een gemeente meeleeft en soms ook iets van de eigen ziel weet, kent er iets van: De vreemde murwheid en uitgeblustheid die je soms ineens kan overvallen. De sleetsheid in het geestelijke leven. Je verlangt naar God, heel diep, maar zoveel slaat dat verlangen steeds dood. Verveling heeft iets te maken met ontworteling en ondervoeding, met voedsel dat de ziel niet voedt. Enerzijds wordt de verveling gevoed door slappe theologie. ‘God zorgt voor je en is altijd bij je’, en ‘doe jij vooral je best’. Maar in onze apocalyptische tijd waarin alles je uit handen geslagen wordt, red je het niet met een – vergeef me de term – kindernevendienst-theologie van ‘Jij bent al oké, en het gaat alleen nog maar mooier worden’. Dat is geen theologie, dat is legitimatie van narcisme.

Anderzijds is er de verveling die het helemaal gehad heeft met de kerk. Met de interne ruzies, het gedoe en de kinnesinne. Met de grote waarheidsclaims, gedaan door kleine zielen. Met krantenstukjesschrijvers die op hoge poten weer een onwaarheid hebben ontdekt, natuurlijk altijd in een ander, en in felle polemieken losgaan. Misschien is het ook de vermoeidheid met religie überhaupt, met die continue al te menselijke pogingen om op je tenen te lopen en de Naam van God op je eigen billboard te verven of te proclameren in je eigen conferentietje. De diepere zielen weten dat onder dit alles de moeite zit van het wachten op God, van het gemis van zijn levende aanwezigheid, moe van onverhoorde gebeden, clichés en dode taal.

Het is mijn ervaring dat onder predikanten en toegewijde gemeenteleden een diepe vermoeidheid de ziel belaagt. Jarenlang is innerlijke twijfel bevochten, is steeds weer iets gezocht om de vermoeide ziel op te peppen. Meer bidden, vuriger spreken, een extra portie discipline. Het werkt even. En opeens knapt er iets. Dit is overigens niet gebonden aan leeftijd. Ook jonge mensen, meestal komend uit bevoorrechte christelijke omgevingen, voelen plotseling het geloof verdampen in de confrontatie met de hedendaagse cultuur. In de uitgestelde confrontatie met nihilisme, consumentisme en de verveling blijken ze weerloos te zijn, te grabbel voor de machten van onze cultuur. Een cultuur is niet alleen ontworteld, de kerk is het ook.

Ik geef mijn interpretatie voor een betere, maar vaak denk ik: de druk is te groot. De druk op kerk-zijn om die sluwe atmosfeer van verveling te doorbreken en te overwinnen. De druk op de beleving, om een levende christen te zijn die bijna in z'n eentje deze sferen moet kunnen weerstaan. De druk op de discipline, om zelf een standvastig getuige te zijn in dode tijden. De druk op de preek en de prediker om vrolijk en bevlogen, diepzinnig en praktisch de crisis tegen te moeten spreken. We begrijpen de theologie die deze druk intensiveert: meer discipline, meer beleving, meer kekke christenen. We begrijpen het omdat het kameraden zijn in hetzelfde gevecht tegen die verveling. Maar ons bange vermoeden is dat ‘meer’ uiteindelijk tot een grotere ongevoeligheid leidt. Meer ‘kick’ werkt misschien op korte termijn, maar gaandeweg is steeds meer ‘kick’ nodig om dezelfde mensen nog te raken. En de ongevoeligheid die daardoor op den duur ontstaat, kan door geen mens meer doorbroken worden. De nadruk op de beleving kweekt een nieuwe generatie van onbereikbaren.

De wrange situatie doet zich voor dat alle pogingen om de verveling in de kerk op een al te menselijke wijze het hoofd te bieden (meer entertainment, sterker accent op keuzes, discipline, waarheid) het probleem eerder vergroten dan verkleinen. Nog meer vermoeidheid en verdoving zijn het gevolg. Het zijn de strategieën van ‘meer’ die de vermoeide ziel niet helpen, maar pijnigen.

We hebben deze aanvechting van de vermoeidheid niet als zwakte te zien, maar als geestelijke adel. Het zijn de Godzoekers die erover spreken, zij die door de seizoenen van het geloof heengetrokken zijn. Zij stellen die vraag.

Wat mij treft in zijn analyse, zijn de goede bedoelingen: meer aandacht voor kerk-zijn en meer beleving en sterkere discipline – en daar komen steeds weer nieuwe dingen voor in de plaats: meer karaktervorming en grotere authenticiteit –, maar al dat ‘meer’ helpt de vermoeide ziel niet vooruit. De druk neemt toe.

Ds. Van Ekris vraagt ook naar een begaanbare weg om deze crisis het hoofd te bieden. De vraag is verleidelijk of er niet een cursus of programma voor is.

Geen ‘programma’ alstublieft. Wie in eenduidige programma's gelooft, begrijpt weinig van deze crisis. (…) Het is tijd om de ene kerk terug te vinden als ruimte voor allerlei zielen. Wat zou het een adembenemende geloofsgreep zijn van de Heilige Geest wanneer Hij dat in onze generatie geven zou: te midden van het volk waar wij van houden, één huis voor de ziel.

In het theologische leerstuk van de verkiezing – dat in dit Reformatiejaar gerust herontdekt mag worden – ziet Van Ekris een medicijn.

Als de ziel iets nodig heeft vandaag, is het een theologie die de twijfel aankan en de aanvechting, de zonde en de wanhoop. Het leerstuk in de kerk dat daartoe in staat is, is de verkiezing. Niet als retro- theologie, maar als een hervinden van een medicijn waar onze vaderen vrijheid in vonden, en wij opnieuw. Het is een hernieuwd ontzag voor het spreken van God, voor het onomkeerbare en definitieve van Gods ja. Het is een geloofstaal die ons ook opnieuw verbindt met Israël, dat leeft van eenzelfde verkiezing. In deze theologie komt een nieuw ontzag mee voor de souvereiniteit Gods. Hij ‘braucht uns nicht’ (Esther Maria Magnis), Hij is niets aan ons verplicht, zelfs geen antwoorden. Maar als Hij voorbijgaat, trekt Hij velen om mee te gaan. Paradoxaal genoeg komt er juist zo een gezonde spanning in het geloofsleven.

Het zou heel goed kunnen dat op de bodem van de vermoeide ziel deze vraag de diepste is: Raak ik Hem kwijt? Wat als ik mijn kind verlies aan deze wereld? Wat als ik zelf niet meer wil of kan? Het is een voorrecht voor theologie en prediking om die vraag te erkennen, zelfs te beminnen, als de vraag van de aangevochten ziel. Niet om erin te blijven hangen, maar om die uit te spreken en te bespreken. In de kerkenraad, in de onderlinge ontmoetingen binnen de gemeente. En in de binnenkamer. Met urgentie, omdat er zoveel op het spel staat.

Deze bijdrage vraagt niet om discussie. Beter is: overwegen wat hier gezegd wordt en eens even stil worden. Misschien wel zoals dr. Samuel Wells (St. Martin in the Fields) dat onder woorden brengt in een interview met Dick Schinkelshoek in het Nederlands Dagblad.

In uw boek ‘The Nazareth Manifesto’ (2016) schrijft u dat christenen minder moeten doen, en vaker gewoon er zouden moeten zijn. Waarom?

Daarvoor beroep ik mij op Jezus: één week, zou je kunnen zeggen, werkte hij voor ons; drie jaar werkte hij mét ons. Maar de dertig jaar daarvoor wás hij er gewoon. In Nazareth, onder ons. Denk ook aan het verhaal van Martha en Maria (Lukas 10). Voor Martha is Jezus alleen niet genoeg. Ze wil naast Jezus nog vijftien dingen doen. Maar zo kijkt God ook niet naar ons – alsof Hij naast Zijn aandacht voor ons ook nog allerlei andere dingen moet doen. Door alleen maar te zitten aan de voeten van Jezus, laat Maria óók zien wie God is. Als wij in de kerk vooral ‘doen’ en niet zo veel ‘er zijn’, vertrouwen wij God dan wel genoeg?

Hoe doe je dat concreet: ‘er zijn’?

Wij doen graag dingen. Hoe moeilijker de situatie, hoe meer we dingen gaan dóen. Bijvoorbeeld bij iemand die stervende is. Gruwelijk druk kunnen we zijn met het klaarmaken van medicijnen in de keuken, of met het slepen met handdoeken. Maar kun je niet beter bij het bed zitten, de hand van de patiënt vasthouden en stil zijn? Zo ook in de kerk. Daar proberen we te ervaren wie God is. Dat ontdek je niet door druk te doen, maar door zoals Maria stil te zijn. (…)

Vertrouwen wij God wel genoeg? vraagt Wells.

Richt mijn hart onverdeeld op dit éne: ontzag voor Uw naam.

(Ps.86, naar een vertaling van Ida Gerhardt & Marie van der Zeyde)

Ds. G. van Meijeren is hoofd mobiliteitsbureau Predikanten & Kerkelijk Werkers van de Protestantse Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

MOE VAN ALLES

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 2016

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's