De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKINGEN

6 minuten leestijd

Hans de Wolf en Pieter Niemeijer (red.)
Oog voor eigenheid. Genre als blikrichting voor bijbellezers.
Uitg. de Vuurbaak, Barneveld; 318 blz.; € 22,50.

Hermeneutiek – de studie van de interpretatie van teksten. Dat is de focus van alle bijdragen in deze bundel uit de Bezinningsreeks van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. De verschillende auteurs geven zich rekenschap van hun omgang met de Schrift. De meest intrigerende bijdrage vond ik die van Rolf van Ommen over de manier waarop Stefanus in Handelingen 7 de Schrift leest. Hij begint zijn bijdrage met de manier waarop zijn voorouders de Bijbel lazen en verstonden. Zij werden aangesproken vanuit een gelovige luisterhouding. Door wat ze lazen, werden ze verlicht, aangeraakt en geïnspireerd. Niet gehinderd door gebrek aan hermeneutische deskundigheid.
Iets dergelijks bespeurt hij bij Stefanus. Deze verdedigde zich voor een vijandig gehoor door Israëls geschiedenis te vertellen, waardoor hij het heden in het licht van het verleden plaatste. Wat opvalt, is dat Stefanus totaal andere hermeneutische leesregels hanteerde dan wij. Hij zat helemaal niet zo vast aan de letterlijke tekst en combineerde rustig allerlei schriftgegevens ‘met een vrijheid die mij vreemd is.’ (p. 230) Wat vooral opvalt, is dat hij een grote, vooral geestelijke kennis van het Oude Testament bezat en dat de Geest hem in zijn uitleg bezielde.
Van hieruit stelt de auteur ons voor de vraag of onze manier van Bijbellezen wel de enig juiste is. En of we als gereformeerde bijbellezers wel voldoende open staan voor de dynamiek waarin de Geest ons vandaag wil leiden om de Schrift te verstaan. Het gaat bij Stefanus immers om een bijbellezer die niet minder dan Mozes door de Heilige Geest werd geïnspireerd.

De vraag die Van Ommen stelt, is een heel wezenlijke. Want als we Gods Woord alleen nog maar lezen als een tekst die met menselijke regels te ontsluiten is, kan het gemakkelijk Geestdodend worden. Als de auteur van hieruit pleit voor een Geestelijke hermeneutiek, een samen gelovig willen luisteren naar de Geest van Christus vandaag, kan ik dat van harte beamen. Het gevaar is wel dat mensen zich met een beroep op de Geest allerlei vrijheden veroorloven die niet van de Geest zijn! Vooral als de auteur aan het eind zegt dat onze inzichten veranderen door ontwikkelingen in de cultuur waarin we leven, ben ik hier niet helemaal gerust op. Voor we het weten, laten we de tekst zeggen wat wij willen dat hij zegt.
Dean Anderson stelde me in zijn bijdrage over homoseksuele hermeneutiek bij Paulus naar aanleiding van 1 Korinthe 6:9-10 echter weer helemaal gerust. Hij beschrijft eerst met kennis van zaken de homoseksuele praktijk in de Grieks-Romeinse cultuur. Toch doet deze praktijk voor hem niets af van het goddelijk verbod van Leviticus 20:13, dat hij als moreel van aard beschouwt. De morele geboden uit Gods wet zijn voor Paulus de hermeneutische kaders waartoe hij zich beperkt. Boeiend ook hoe de lijn wordt doorgetrokken naar onze tijd. Dr. Anderson laat duidelijk zien dat onze situatie niet geheel overeenkomt met die uit 1 Korinthe 6, hoewel er toen ook mensen waren die met homoseksuele gevoelens worstelden, maar dat dit nog niet hoeft te betekenen dat er dan ineens nieuwe antwoorden moeten worden gezocht. Gods openbaring is volgens hem niet gebonden aan de tijd waarin zij ons werd gegeven.
Boeiend vond ik ook de bijdrage van ds. Pieter Niemeijer over Zacharia 14. Terwijl ik las, viel mij op dat ik in dit artikel zo goed als geen spoor van een bepaalde Israëltheologie kon ontdekken. De tekst over de volken van de aarde die zich tegen Jeruzalem verzamelen, zou ik persoonlijk niet willen afdoen met ‘oudtestamentisch taalkleed’. De vijandschap tegen God zal zich toch ook ontladen tegen Zijn volk? Voor geïnteresseerden in de interpretatie en uitleg van bijbelteksten: neem en lees.

H. LIEFTING, DELFT


Henk van den Belt (red.)
400 jaar Groninger theologie in het publieke domein.
Uitg. Aspect, Soesterberg; 174 blz.; € 19,95.


In het Nederlandse universitaire bestel is de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) de enige openbare universiteit waar de theologie nog een volwaardige academische positie in onderwijs en onderzoek is toebedeeld. Dat zegt iets over de Nederlandse universiteiten, maar ook iets over de RUG. Uit de ontwikkeling in Leiden en Utrecht blijkt dat een rijke academische traditie geen garantie biedt om een vakgebied van opheffing te vrijwaren. In Groningen is de theologie springlevend en dat heeft wellicht te maken met de manier waarop in Groningen de theologie beoefend wordt: in rapport met de maatschappij en voortbouwend op de eigen traditie. Deze bundel, uitgegeven naar aanleiding van een symposium van het Kerkhistorisch Gezelschap, legt hiervan getuigenis af. In vijf essays wordt de invloed beschreven die diverse Groninger theologen uitoefenden op het publieke domein van hun tijd.
Henk van den Belt gaat in op het verschijnsel dat Groninger theologen in de zeventiende eeuw met hun zogenaamde disputaties (we zouden nu spreken van theologische tijdschriftartikelen) niet alleen mede-theologen, maar veelal ook de wereldlijke overheid aanspraken. Kom daar anno 2016 eens om.
Jacob van Sluis beschrijft de rol die de Groninger theoloog Antonius Driessen (1684-1748) speelde in het grote theologische en filosofische debat van de zeventiende en achttiende eeuw, dat beheerst werd door Descartes, Newton en Spinoza.
Klaas van Berkel behandelt de rol die Groningse theologen, zoals Petrus Hofstede de Groot, in de negentiende eeuw speelden in het debat over de academische vrijheid. Toen in 1840 de Groningse godgeleerden door de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk verplicht werden de leerstellingen van de kerk te onderschrijven (de zogenaamde verkleefdheidsverklaring), kwamen zij daartegen in opstand. Hofstede de Groot achtte het belangrijker Jezus na te volgen dan zich druk te maken over abstracte kwesties als de dubbele predestinatie. ‘Niet de leer, maar de Heer’ was het motto van de Groningers.
Vervolgens illustreert Jasper Vree met concrete voorbeelden uit negentiende en twintigste eeuw de invloed die de Groninger theologie op verschillende fronten in de publieke ruimte heeft gehad.
Het laatste essay is geschreven voor theologische en filosofische fijnproevers. Arie L. Molendijk gaat in op de godsdienstfenomenologie van Gerardus van der Leeuw, door hem aangeduid als een van de grote geleerden uit de geschiedenis van de Groningse universiteit.
Al met al een geslaagde poging de belangrijke rol te illustreren die de Groningse universiteit gespeeld heeft en speelt in de theologiebeoefening in onze lage landen.

F.A. VAN DER DUIJN SCHOUTEN, RIDDERKERK

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 2016

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 2016

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's