DE ZOON
Kerstverhaal
Soms denk ik dat ik heimwee heb.
Heimwee is een wonderlijk woord, want dat bergt een verlangende pijn naar thuiszijn in zich, en ik kan me niet herinneren dat ik me ooit thuis heb gevoeld temidden van de pijn en het lijden. Nog geen jaar geleden werkte ik in een van de fronthospitalen.
Daar werden ze dagelijks gebracht in de ambulances: mannen die schreeuwden, huilden, kreunden, bewusteloze mannen, mannen die stilzwijgend alles over zich heen lieten komen. In mijn dromen hoor ik nog het geluid van de ontploffingen, en ik word soms wakker met het gevoel dat ik weer terug ben. Dan ben ik er zeker van dat ik de typerende geur van angst, lijden, wonden en gangreen weer ruik, dat ik mijn nachtronde moet lopen. Dan grijp ik al naast me naar mijn lantaarn, om er achter te komen dat ik in een andere kamer lig. Dat ik niet tussen het knisperende stro door hoef te lopen om het licht van de lantaarn over ieder gezicht te laten glijden, altijd in angst dat de dood er mij een of twee zou ontstelen; maar dat ik veilig en comfortabel in mijn eigen bed lig, in mijn eigen kamertje in het verzorgingstehuis waar ik nu werk.
Heimwee kan ik toch niet hebben? Ik heb zoveel mannen zien sterven, ik heb vreselijke wonden gezien, ik heb mijn uiterste best gedaan om het lijden van de stervenden zoveel mogelijk te verlichten. Ik heb me toen ik daar werkte nauwelijks rust gegund. Mijn herinneringen aan die tijd zijn gevat in een waas van moeheid en verbijstering.
En ik heb het er niet volgehouden. Ik heb het er nog geen halfjaar volgehouden. Toen werd ik op een ochtend schreeuwend wakker en ik bleef schreeuwen, hebben ze mij verteld – want ik weet er bijna niets meer van. Ze hebben me teruggebracht naar mijn ouders en toen ik weer wat was opgeknapt, heb ik door bemiddeling van mijn vader deze aanstelling gekregen in een verzorgingstehuis voor rijke oude mensen. Ik wandel met hen door de tuinen, ik breng geduld op voor hun moeizame verhalen, ik verzorg hen als ze aftakelen, ik was hen en verschoon hen en ik zit bij hen als ze sterven in een schoon bed en met genoeg pijnstilling voorhanden. Het is rustiger werk. Maar soms, als er een middag voorbij geslenterd is (want de tijd lijkt hier veel langzamer te gaan) voel ik pijn als ik terugdenk aan de tijd in het fronthospitaal. Ik had het gevoel dat ik daar van meer betekenis was.
De eetzaal in het verzorgingstehuis is vorige week versierd. Het is vandaag tweede kerstdag. Vanochtend hebben wij met de oude mensen die dat nog konden, gezongen in de kapel. Het wonder van de menswording van Christus. De directeur van het verzorgingstehuis hield een korte meditatie. Het ging over Simeon, en zijn vreugde bij het zien van het Kind. Ik kreeg het beeld van vorig jaar kerst, rijen vol gekwetste soldaten op het stro, niet uit mijn gedachten.
Mijn taak voor vandaag is het verzorgen van de mensen in de zijvleugel van het gebouw. Daar liggen, in riante kamers en kraakheldere bedden, de oude mensen die bedlegerig zijn.
Meneer Vanleene is er het slechtste aan toe. Hij klampt zich weliswaar met alles wat in hem is vast aan het leven, in de hoop zijn zoon nog te zien, maar toch zal het niet lang meer duren. Zijn zoon zit aan het front. Hij heeft Loos overleefd, maar waar hij nu is weet niemand precies. Hij heeft al een maand geen brief meer gestuurd. Hij is officier en als meneer Vanleene over iets of iemand praat, dan is het over zijn zoon.
Als ik zijn kamer in kom, is hij wakker. Ik zie het aan zijn hand die zoekend over de deken glijdt. Zijn ogen zijn gesloten. Ik pak zijn hand. ‘Hoe gaat het met u vandaag?’ vraag ik. Hij knijpt in mijn vingers en mompelt iets dat lijkt op ‘goed’. Dan beweegt hij wild met zijn hand. Ik weet wat hij wil. De foto van zijn zoon. Die staat op het beddenkastje, een lange, jonge man, glimlachend gevangen op een vergeelde foto. Zijn officierspet werpt een schaduw over zijn gezicht. Meneer Vanleene zou het liefst heel de dag die foto vasthouden.
Toen ik nog in het fronthospitaal werkte, heb ik bij veel bedden van mannen en jongens gebeden of Hij de dood wilde verslaan
Ik leg de koude lijst onder zijn hand op de deken en hij kalmeert wat.
Deze man is stervende. In de loop van de tijd heb ik het leren herkennen: de manier waarop de dood zich over een gezicht heen legt. Nog een paar dagen. Of een paar uur. Het moment is nooit te voorspellen. Ik zal voorstellen dat er vannacht iemand bij hem waakt.
Toen ik nog in het fronthospitaal werkte, heb ik bij veel bedden van jongens en mannen gebeden of Hij de dood wilde verslaan, of ze beter mochten worden. Soms kreeg ik het gevoel dat de dood Hem te sterk was. Want ze stierven toch, bijna allemaal.
Ik kijk op meneer Vanleene neer, op zijn handen die over de foto-lijst glijden. Ik controleer of de lakens nog schoon zijn, maar alles is keurig. Ik heb geen reden om hier langer te blijven. Ik draai mij om en loop de kamer uit. Er zijn nog bedden die wel verschoond moeten worden, maar het kost me moeite om er aan te beginnen. Als ik de linnenkamer inloop en het helderwitte linnengoed verzamel dat ik nodig heb, glijden mijn gedachten weer terug. Vanochtend in de kapel. Het zingen. Heilig Kind dat naar de aarde kwam. Ik zou willen dat ik ook onbegrijpelijke wonderen had gezien onder de jongens, soms van zeventien, achttien jaar oud, die langzaam stierven op vuil stro.
Ik kan me soms niet voorstellen dat hier in het verzorgingstehuis ruimte is voor wonderen. Deze mensen sterven proper en gewassen, kraakhelder, oud en der dagen zat. Jawel, een wonder voor meneer Vanleene: zijn zoon zien voor hij sterft. ‘Laat U hem in vrede sterven,’ bid ik zachtjes boven de lakens, ‘wij herdenken vandaag het wonder van Uw Zoon. U weet hoe dierbaar een zoon kan zijn.’
Als een van de andere verpleegsters binnenkomt, doe ik alsof ik druk bezig ben. Ze mag niet zien dat ik bad. Ik zou me er voor schamen.
Ik verschoon een aantal bedden. Nu heb ik pauze, maar zometeen moet ik een aantal bewoners klaarmaken voor de nacht. Ik loop naar mijn kamer om even te gaan liggen. Als ik door de hal loop, komt er een lange man in uniform mij tegemoet. Het regent buiten, druppels glinsteren op zijn schouders. De aanblik van een man in uniform is zo ongewoon hier, dat ik meteen stilsta. ‘Misschien kunt u mij helpen,’ zegt hij. Het is een officier, met onderscheidingen op zijn uniform. Dan begrijp ik het. De zoon! De langverwachte zoon van meneer Vanleene! Ik kijk hem even sprakeloos aan, dan begin ik te praten, snel en veel, om de golf van emotie terug te dringen die door mij heen slaat. ‘Dank U,’ denk ik nederig tussen mijn gehaaste woorden door.
‘O, wat fijn dat u nog op tijd bent. Komt u alstublieft met mij mee. Loop maar achter mij aan, hier moet u zijn. Ik ben blij dat u er bent. Dat u niet te laat bent.’
‘Wat bedoelt u?’ vraagt hij.
‘Uw vader. Hij is stervende, dat weet u toch? Komt u maar gauw. O, hij zal zo blij zijn dat u er bent. Hij heeft me al zo vaak over u verteld.’
Ik ga hem voor naar de zijbeuk van het gebouw en open de deur van meneer Vanleene’s kamer. Hij ligt nog net zo als ik hem heb achtergelaten.
‘Ik moet hem even hierop voorbereiden,’ zeg ik, ‘wacht u maar bij de deur.’
Ik buig mij over de magere man in bed en grijp zijn hand. ‘Luistert u eens. Hoort u mij? Ik heb heel goed nieuws voor u. Uw zoon is er!’
Mocht ik er ooit aan hebben getwijfeld of meneer Vanleene mij hoorde, dan hoeft dat nu niet meer. Hij beweegt wild met zijn handen, zijn mond gaat open en hij probeert wat te zeggen.
De lange officier loopt naar het bed en gaat zitten op de stoel die daar staat. Hij grijpt de zoekende handen vast en dan komt er rust op het gezicht van de oude man. Hij opent zijn ogen en zijn vingers glijden over de rand van de uniformmouwen. ‘Jongen,’ zegt hij, duidelijk verstaanbaar.
Zijn zoon zegt wat terug. Ik wil niet storen. ‘Ik kom later nog even kijken,’ zeg ik bij de deur, ‘als u mij nodig heeft, kunt u mij hier vlakbij vinden. Ik zal in de buurt blijven.’
In de loop van de middag ga ik telkens even kijken. Meneer Vanleene ligt er rustig bij en hij omklemt de hand van zijn zoon. Die zit zwijgend naast het bed. Ik breng hem wat drinken en hij bedankt mij. De schaduwen zijn lang geworden, de schemer sluipt de kamer in. Ik doe in de hoek van de kamer een lampje aan. Ik vraag zachtjes of een van beiden nog iets nodig heeft.
Als de avond gevallen is en het donker zwaar tegen de ramen duwt, ben ik klaar met mijn dienst. Eigenlijk ben ik nu vrij, maar ik kan het niet over mijn hart krijgen om meneer Vanleene en zijn zoon alleen te laten. Als ik naar de kamer loop, stapt precies op dat moment de lange officier de deur uit. ‘Ik wilde u net gaan halen. Ik vrees dat deze meneer overleden is.’
Ik kijk hem bevreemd aan om de formulering, maar loop dan de kamer in. Ik zie meteen dat hij gelijk heeft. Ik controleer voor de zekerheid of ik nog pols voel, of de halsslagader, maar als ik niets voel, leg ik voorzichtig de beide handen over elkaar. De ogen van meneer Vanleene zijn al gesloten. Het lijkt of hij glimlacht.
Ik wil mijn medeleven betuigen, maar de officier spreekt voordat ik het kan doen. ‘Wie was deze man?’
‘Hoe bedoelt u, wie was deze man?’
Ik begin iets te beseffen van de vergissing die ik heb gemaakt, en schik schiet tintelend door mij heen.
‘Ik begrijp dat u in de veronderstelling bent, dat het mijn vader was. Dat is niet zo. Ik ben hier gekomen met een andere reden.’ Ik grijp mij vast aan de rand van het bed. Het duizelt me. ‘Het spijt me.’ Er komen tranen in mijn ogen, hoe ik ook probeer niet te huilen. ‘O, echt meneer, het spijt me. Ik dacht...’
‘Het geeft niets. Ik had het u ook kunnen zeggen. Maar ik meende mij nuttiger te maken door de oude man te laten geloven dat ik zijn zoon was. Denkt u ook niet dat dat beter was?’
Ik knik. Hij heeft gelijk. ‘Dank u wel,’ zeg ik dan. ‘Dank u wel, ik weet niet hoe ik u moet bedanken. Dank u wel. Kan ik u nog wat aanbieden?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Maar misschien kunt u mij helpen bij mijn eigenlijke doel. Ik moet iets doen waar ik erg tegenop zie, maar ik heb mijn vriend beloofd dat ik voor hem zal doen.’
‘Zegt u het maar.’ Ik hoop vurig dat het iets is waarmee ik hem kan helpen, na deze vergissing. ‘Mijn vriend Aloïs is ernstig gewond geraakt bij een aanval. Hij heeft nog enkele dagen in een hospitaal gelegen, maar is toen helaas overleden. Ik heb hem beloofd het persoonlijk zijn vader te vertellen, als ik met verlof was.
Hij gaf mij dit adres. Wilt u alstublieft met mij meegaan, zuster, als ik dit droevige bericht moet brengen? Kunt u mij vertellen waar ik meneer Vanleene kan vinden? Ik moet hem vertellen dat zijn zoon niet meer leeft.’
Els Florijn (1982) won in 2002 een door uitgeverij Kok en het RD uitgeschreven verhalenwedstrijd. Het jaar erna publiceerde ze Laatste nacht. In 2006 volgde de roman Schaduw van de wolf. In 2010 verscheen Het meisje dat verdween. Deze roman, gebaseerd op een waargebeurd verhaal van de familie Frank uit Lienden, won in 2011 de Publieksprijs voor het Christelijke Boek. Het werd bovendien opgenomen in de CLO 15, een canon van de christelijke literatuur.
Met het kinderboek Vuur over de stad won zij de Eigenwijsprijs 2014. In 2013 schreef zij een speciale novelle in opdracht van stichting Gave, Onze Vader. Deze novelle werd in een oplage van ruim 110.000 exemplaren onder Visie-lezers verspreid. In 2015 kwam er een jeugdroman uit, Middernachttrein.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 20 december 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 20 december 2016
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's