HOOP
Toen acht jaar geleden Barack Obama aantrad als president van de Verenigde Staten, ging er een golf van optimisme door de (westerse) wereld. Obama belichaamde hoop op verandering en zijn bezielde toespraken wekten hoge verwachtingen. Maar ook Obama bleek een gewoon mens te zijn. De ‘moed van de hoop’ (de titel van een van zijn boeken) waarmee hij begon, werd ook – zo schrijft The Economist in het kerstnummer – de ‘lijdensweg van de hoop’.
Zal met het aantreden van Donald Trump de hoop helemaal uit beeld raken? Of is ‘hoop’ een te fundamenteel begrip, niet afhankelijk van politieke ontwikkelingen? Christen Democratische Verkenningen, het kwartaaltijdschrift van het wetenschappelijk instituut voor het CDA, bracht een rijkgeschakeerd themanummer uit waarin de hoop centraal staat. Hier volgen passages uit enkele bijdragen.
CDV
Maarten Neuteboom en Jan Prij spraken met emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek Paul van Tongeren. Hij doet onderzoek naar de betekenis van godsdienstige begrippen als ‘vergeving’ en ‘hoop’ in een seculiere context. Van Tongeren benadrukt de eigen aard van de christelijke hoop.
Het lijkt me zeer belangrijk om te zoeken naar een seculiere betekenis van wat de christelijke traditie als de deugd van de hoop aanduidt, maar die betekenis moet wel de eigen aard van dat begrip recht blijven doen. We moeten van deze christelijke deugd niet iets anders maken of haar reduceren tot een soort optimisme. We zouden dat doen als we het paradoxale, het contra-intuitieve aspect van de hoop eruit halen. Als we hoop reduceren tot datgene wat we als “gewone” hoop al kennen, zijn we het kwijtgeraakt. Hopen in de zin van de christelijke deugd is altijd hopen tegen beter weten in; het heeft een “desondanks-”, een “en-toch-karakter”.
Het ‘desondanks-karakter’ van de hoop ziet Van Tongeren doorschemeren in vormen van voorbeeldgedrag:
In vormen van principiële politiek of getuigenispolitiek, of in vormen van politiek die het politieke spel overstijgen. Kortom, in die vormen van politiek die juist niet alles naar de menselijke hand willen zetten. Als een tegenwicht tegen al te veel activisme en veranderdrift in onze cultuur.’ (...)
Het thema ‘hoop’ zit tot verbazing van Van Tongeren in de lucht. Christen-Unie-voorman Gert-Jan Segers schreef er een boek over en hij is niet de enige in de politiek die het daarover heeft. Maar Van Tongeren hecht aan het onderscheid tussen hoop als ‘gemoedstoestand’ of als theologische – door hem aangeduid als ‘theologale’ – deugd.
(...) juist de link tussen hoop en politiek is allesbehalve vanzelfsprekend. Het is belangrijk, lijkt me, om hoop als een bepaalde gemoedstoestand te onderscheiden van hoop als een christelijke en theologale deugd.’ ‘Over het eerste is volgens mij niet veel te zeggen. Die hoop is niet meer dan een poging om iets van een optimistische toon aan te brengen in een negatief getoonzet debat.
Als de politiek inderdaad de kunst van het haalbare is, dan beweegt zij zich op een heel ander niveau dan de christelijke deugden. Die (...) vragen meer dan je normaal gesproken van mensen kunt vragen. Bovendien zijn het deugden die je in tegenstelling tot de klassieke Griekse deugden niet kunt oefenen via onderwijs en vorming; ze worden je gegeven. Het zijn, theologisch gesproken, genadegaven.
Hoop heeft aldus iets waarvan je zegt:
“Ja, ik weet wel dat het niet waarschijnlijk is en dat alles de andere kant op wijst, en toch ...” Dat “en toch” hoort volgens mij wezenlijk bij de hoop. Het is vertrouwen dat iets mogelijk is, dat het goed zal komen, ondanks het feit dat het onwaarschijnlijk is. (...)
Hoop wordt al snel geassocieerd met iets wat ons in beweging zet en houdt. U benadrukt juist dat hoop tegenover het activistische in onze cultuur staat. Hoe kan de hoop ons helpen los te laten?
‘De theologale deugd van de hoop krijgt steeds moeilijker gestalte door het activistische karakter van onze cultuur, omdat waar wij tegenwoordig een probleem zien, we dat zo snel mogelijk proberen op te lossen – en het liefst voor altijd. Maar daarmee maken we het onszelf wel moeilijker iets te ontvangen wat we niet zelf gemaakt hebben. Als het essentieel is voor de theologale deugd dat ze ons overkomt, dat ze een genadegave is, dan moeten we wel dingen kunnen en willen toelaten.
We zouden dit (...) met de vluchtelingencrisis kunnen verbinden. (...) De enige manier waarop we nu over deze crisis spreken is hoe we er een einde aan kunnen maken, hoe we die kunnen beperken en hoe we die kunnen inkaderen. Het blijkt niet gemakkelijk om de vluchtelingencrisis de betekenis te geven van iets wat je overkomt. Wat mij het meest heeft gestoord in het hele debat, is dat de vluchteling iemand is die in nood verkeert, maar hebben we ook ooit echt het confronterende van iemand die in nood is gezien? We spreken met elkaar over aantallen, stromen, cijfers, de problemen voor ons land; kortom, over onze nood. Je vooreerst laten aanraken door de nood die dáár gebeurt, dat is misschien een voorbeeld van de paradoxale passieve activiteit die óók kenmerkend is voor de hoop. Je moet er dus iets voor doen om de hoop te laten gebeuren, maar je moet iets anders doen dan proberen het probleem weg te nemen door het op te lossen. Natuurlijk moet je doen wat je kunt, maar in het besef dat je het niet kunt oplossen zonder dat daarbij je inzet verslapt.’ (...)
Margriet van der Kooi, geestelijk verzorgster in Woerden, gaat in op Charles Péguy (1873-1914), die een beroemd gedicht schreef over de Hoop. Zij loopt als een klein meisje tussen haar grote zussen Geloof en Liefde en zij kan ‘met vies water toch haar bronnen van zuiver water maken’. Van der Kooi ziet dit meisje steeds weer opduiken.
(...) Ze ritselt in de uniformen van twee Italiaanse politiemannen over wie ik een bericht in Trouw las. Er was de melding geweest van een zeer oud echtpaar, blijkbaar zo overgelaten aan zichzelf dat de vrouw uit het niets was gaan gillen. Het verhaal ging dat de twee politiemannen binnenkwamen, de situatie aanzagen en zonder omhaal begonnen te kijken wat er in huis was aan voorraad, dat op het aanrecht zetten en een eenvoudige pastamaaltijd klaarmaakten. Ze dekten de tafel en aten mee. Dat bracht rust en vrede. Zuiver water maken met vies water. Dat is wat zo’n bericht bewerkt; mijn hart springt ervan op, hoop! (...)
Gelukkig, er gebeurt veel goedheid. Dat zet de deur open naar hoop. Wat mij betreft refereren alle meisjes (en jongetjes) van de hoop op de één of andere manier naar het verhaal dat we terecht hopen dat het goed komt met onze wereld. Gods wereld. Van Hem wordt gezegd dat Hij een gunnende God is, die niet loslaat waar Hij mee begonnen is. Dat is ongehoord groot nieuws; er zijn immers veel profeten die andere boodschappen afgeven. Veel films en boeken in onze tijd zijn juist erg hopeloos over de toekomst en het einde van de wereld. Schrijvers en filmmakers vertellen wat sinds mensenheugenis geweten wordt: de mensen zijn soms goed, vaak ook niet. Er is een oud verhaal (Gen.6:5-9, red.) waarin verteld wordt dat het God de Schepper berouwde, smartte, dat Hij ooit aan het project ‘mens’ begonnen is. Christelijk geloof heeft daar taal voor. Kwaad. Zonde. Tekort. Gezegend de mensen die woorden en verhalen hebben, want zij staan niet met hun mond vol tanden. Dat is wat anders dan dat christenen een antwoord zouden hebben op alle vragen. Dat hebben zij niet, maar ze hebben wel genoeg antwoord om het met die vragen uit te houden. En zij hopen soms op mensen, maar vooral op God. (...)
Politiek filosoof prof. Govert Buijs (VU) wijst in zijn bijdrage op het belang van cultuuroverdracht als teken van hoop.
Dit besef is heel sterk doorleefd in de joodse traditie. Om zelfs in de moeilijkste omstandigheden te werken aan de overdracht van cultuur, is heel fundamenteel. Met de volgende pogrom voor de deur leren we je toch de Thora te lezen. We beseffen dat we morgen niet in Jeruzalem zullen aankomen, en toch gaan we op weg. Alleen zo houd je de wereld aantrekkelijk voor een volgende generatie. Het is cruciaal om steeds weer de wereld als perspectiefrijk neer te zetten. Maar dat is dus ook een wereld waarin echt een bijdrage van jou verlangd wordt, omdat het niet makkelijk zal zijn en het ook niet vanzelf goed komt.
Het is de richting die Abraham ging, schrijft Margriet van der Kooi. Hij verwachtte de stad ‘waarvan God de kunstenaar-architect is. Abraham had het soort hoop dat met geloof in deze God te maken had, hoop dat het goed komt met deze wereld; hij was op weg naar de beloofde stad.’
Ik wens u een hoopvol jaar toe.
Ds. G. van Meijeren is hoofd mobiliteitsbureau Predikanten & Kerkelijk Werkers van de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's