De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKINGEN

6 minuten leestijd

Richard B. Hays
Achteruit lezen. Jezus ontdekken in het Oude Testament.
Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 176 blz.; € 21,50.

Richard B. Hays, hoogleraar Nieuwe Testament aan Duke Divinity School, North Carolina, schreef een boeiend boek over de wijze waarop de vier evangelisten het Oude Testament lezen. Voor Hays is de typologische interpretatie kenmerkend voor de hermeneutiek van de evangelisten. Na een overzicht van typologische lezingen van ‘Israëls Schriften’ (een geliefde term van Hays) schetst hij in vier hoofdstukken de vier vertelstrategieën van de evangelisten. Markus laat het geheimenis van het Koninkrijk zien in beelden en doet dat met versluierde, indirecte toespelingen, terwijl Mattheüs met zijn citeerformules op directe wijze toont hoe Jezus Israël en de Thora een nieuwe vorm geeft door Israëls geschiedenis voort te zetten: Jezus is Messias, Wetgever en de Zoon des mensen.
Lukas leest het Oude Testament vooral als schatkamer van Gods beloften voor het arme en verdrukte verbondsvolk, dat alleen verlost wordt door de Kurios die een nieuwe gemeenschap vormt. Het Lukas-evangelie is een subtiele echo van oudtestamentische motieven en verhaalpatronen. Bij Johannes is sprake van een typologische transformatie van Israëls tempel en eredienst. De grote feesten van de liturgische kalender zijn niet te verstaan zonder Jezus. Hij is de incarnatie van de Logos die in de tempel aanwezig is en in de schepping. Hij is de goddelijke wijsheid en het grondplan voor heel de werkelijkheid. In een terugblik schrijft Hays dat de evangeliën ons vier onderscheiden stemmen bieden die als uitleggers van het Oude Testament niet eenstemmig spreken. Dat is niet problematisch, want hun getuigenis is als vierstemmige koorzang, waarbij ieder zijn eigen partij hoort en zingt. Dissonanten ontbreken niet maar deze passen in een groots artistiek ontwerp. Het boek leest vlot en is toegankelijk geschreven. De hoofdstukken zijn bewerkingen van de Hulsean Lectures, die de auteur in 2013 en 2014 aan de universiteit van Cambridge hield. Hays is er door de bestudering van de vier evangeliën van overtuigd geraakt dat alle vier evangelisten in hun uiteenlopende beschrijving vanaf het begin Jezus identificeren als de belichaming van de God van Israël. Hij wil dan ook niet spreken van een ‘hoge christologie’ (Mattheus, Johannes) en ‘lage christologie’ (Markus, Lukas), zoals onder vakgenoten gebruikelijk is. Typologische lezing van het Oude Testament loopt het gevaar dat de evangelieschrijvers worden beschouwd als creatieve literaire genieën die bestaande tradities hanteren om hun eigen verhaal van Jezus te vervaardigen. Die kant wil Hays beslist niet op. Met instemming haalt hij de waarschuwende tegenstem van zijn bevriende collega Bockmuehl aan, die van mening is dat de tekst zelf als (goddelijke) claim op de evangelisten inwerkt, waardoor zij schrijven zoals zij (moeten) schrijven. ‘Zou men kunnen zeggen dat ze spreken zoals ze dat doen, omdat ze als door de bliksem getroffen zijn door de pressie die de Schrift als een hermeneutische Ander uitoefent op hun eigen kijk op de dingen?’ (blz.10) Een belangrijke opmerking. De tien hermeneutische aanbevelingen die Hays aan het einde van zijn boek opsomt, zijn volgens hem daarom ‘alleen zinvol omdat God de eerste is die handelt in en door het bijbelse verhaal en – feitelijk alleen omdat God in zekere zin uiteindelijk de auteur van Israëls verhaal is’.

M.A. KUIJT, WIJK (BIJ HEUSDEN)


Jonathan Hill
Christendom de eerste 400 jaar.
Uitg. Royal Jongbloed, Heerenveen; 420 blz.; € 19,95.

Jonathan Hill onderzoekt in zijn boek de groei van het christendom in de eerste vier eeuwen en doet dat vooral vanuit de vraag: hoe kon een groepje volgelingen van een Joodse profeet die gekruisigd werd, uitgroeien tot de staatsgodsdienst van de het gehele Romeinse Rijk, tot de godsdienst met het grootste aantal aanhangers in de wereld? Het geloof denkt voor een antwoord aan de ten hemel gevaren Heere Jezus, Die vanuit de hemel wonderlijk meewerkte met het Evangelie, en aan de Heilige Geest, Die de wereld overtuigde. De schrijver van dit boek wil deze groei beschrijven aan de hand van wat hij als historicus kan vaststellen wat er gebeurd is.
Kenmerkend voor de benadering van Hill is een faire houding tegenover de overgeleverde teksten en berichten. Hij probeert recht te doen aan de gebeurtenissen die hij beschrijft. Dat doet hij boeiend: het boek leest als een trein en is helder geschreven. Hill heeft de gave om bij complexe discussies en gebeurtenissen de vinger te leggen bij de zaken waar het om gaat. Dit maakt het boek tot een goed en nuttig werk om de geschiedenis van de kerk in de eerste eeuwen te bestuderen.
Daarbij zijn er echter ook enkele belangrijke kanttekeningen te maken. Hill begint het boek met het leven van Jezus. De historicus is aan het woord, die wikt en weegt wat er nu feitelijk gebeurd is. Duidelijk weet hij niet door te dringen tot de Heere Jezus zoals Hij is.
Een ander punt is dat Hill meegaat in de tegenstelling die tegenwoordig vaak gemaakt wordt tussen een eerste charismatische periode van de kerk en daarna een periode waarin de kerk meer geïnstitutionaliseerd is. Het is echter ondenkbaar dat er in de kerk niet onmiddellijk opvolgers van de apostelen beschikbaar waren, in welke gemeente ook, waardoor vanaf het begin het werk van de Geest en de ambten samen optrokken.
Rondom seksualiteit wordt helaas een stereotiep beeld geschetst: het christelijk geloof zou daar negatief tegenover staan. Hill gebruikt het apocriefe evangelie van Thomas om dit te onderbouwen. Dat geschrift stamt echter uit sektarische kring. Dit is een misser van de auteur.
Iemand hoeft de brief van Athanasius aan Amun maar te lezen om van dit vooroordeel af te raken.
Nog een punt is dat Hill in zijn beschrijving van het christendom de weg gaat die sinds de twintigste eeuw bij kerkhistorici meer gebruikt wordt, namelijk om ook de visie van sektes en afwijkende stromingen als christendom te beschouwen. Daardoor komen de vanouds grote kerkvaders, zoals Athanasius en Augustinus, in een minder prominent en gunstig licht te staan, waardoor hen geen recht wordt gedaan.
Mooi is wel hoe Hill de tijd van de christelijke keizers beschrijft. Langzamerhand wordt dan de heidense religie verboden. Maar, zegt de schrijver, het is opmerkelijk dat de christenen nooit met de heidenen hebben gedaan wat de heidenen met de christenen hadden gedaan: martelen en vervolgen.

P.F. BOUTER, BERGAMBACHT

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 2017

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 2017

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's