BAD VAN WEDERGEBOORTE
De doop in de Reformatie [2,slot]
We worden ook gedoopt in de naam van de Heilige Geest die ons wil toe-eigenen wat we in Christus hebben. Sommige mensen hebben moeite met de toe-eigening van het heil. Zij bedoelen daarmee dat zij het maar moeilijk vinden om te zeggen: het is ook voor mij.
Zij vergeten dan dat in de reformatorische theologie de toe-eigening niet iets van ons is, maar van de Heere door Zijn Heilige Geest. In de formulering van het oude doopformulier van Datheen dat aan ons klassieke formulier ten grondslag ligt, komt dat nog iets sterker uit:
‘Als wij in den naam des Heiligen Geestes gedoopt worden, wordt ons beloofd, dat de Heilige Geest ons en onze kinderen Leeraar en Trooster in eeuwigheid zijn zal, ons tot waarachtige lidmaten van het lichaam van Christus makende, opdat wij aan Christus en al zijn goederen (mitsgaders alle lidmaten der Christelijke Kerk) gemeenschap zouden hebben. Alzoo, dat onze zonden in eeuwigheid niet meer gedacht worden.’
PARALLELLIE
In de illustraties die bij de Kleine Catechismus van Luther werden afgedrukt, is een duif getekend als symbool van de Heilige Geest die neerdaalt uit de hemel. Als onze kinderen gedoopt worden, dan daalt de Heilige Geest als het ware op hen neer in de belofte. Vroeger waren daar ook allerlei symbolen voor, zoals de zalving van de dopeling met olie, maar die rituelen zijn in de tijd van de Reformatie afgeschaft uit angst voor bijgeloof. De gulden regel van de gereformeerde eredienst is altijd: wat in het Woord van God is voorgeschreven, is geboden, wat niet is voorgeschreven is niet geoorloofd. Die regel is verstandig, maar er is daardoor ook wel wat aan mooie symboliek teloorgegaan. Misschien ervaren wij die mededeling van de Heilige Geest wel het sterkste als de predikant de handen zegenend opheft en de gemeente zingt: ‘Dat ‘s Heeren zegen op u daal.’ Ontroerend.
Alsof de hemel openbreekt en de zonnestralen van Gods gunst uit het hemelse Sion neerdalen op de kinderen.
DOOPGETUIGEN
Het werk van de Heilige Geest is onmisbaar, maar wat werkt de Geest? Het zaligmakend geloof. Dat was de reden voor de anabaptisten om maar te wachten met de doop totdat het kind tot geloof zou komen. Maar dan gaan we toch te veel uit van het eigen geloof. De doop beduidt in de eerste plaats dat dit kind mag delen in het zaligmakende geloof van de kerk der eeuwen. Misschien klinkt dat wat vreemd, maar Calvijn noemt dat element juist in de eerste editie van de Institutie (1536), als hij nog geen uitgewerkte verbondsleer heeft. Hij vraagt zich dan af of de kinderen wel gedoopt mogen worden en antwoordt dan dat kinderen delen in ‘hetzelfde geloof’ als de volwassenen. ‘Daarom blijft de uitspraak vast, dat niemand zalig wordt dan door het geloof, of het nu gaat om kinderen dan wel om volwassenen. En daarom komt ook de doop rechtens aan de kinderen toe, daar zij met de volwassenen hetzelfde geloof hebben.’
Veel rituelen zijn in de tijd van de Reformatie afgeschaft uit angst voor bijgeloof
DOOPGETUIGEN
Dat is ook de historische achtergrond van de doopgetuigen, de peter en de meter. Eigenlijk zijn het van origine zogenaamde sponsors, letterlijk ‘degenen die borg staan’. In de Middeleeuwen vroeg de priester eerst aan hen: ‘Hoe heet het kind?’ Als zij de naam genoemd hadden, zei hij: ‘Wilt u dat het kind gedoopt wordt?’ Zij antwoordden ‘Ja’. De priester vermaande hen dan om het kind christelijk op te voeden en het Onze Vader, het Avé Maria, de Twaalf artikelen en de Tien geboden te leren. Zij waren dus medeverantwoordelijk voor de christelijke opvoeding. Zij moesten vervolgens hun hand opheffen en plaatsvervangend voor het kind de volgende vragen beantwoorden: ‘Johannes, of Maria, verzaak je de duivel?’ Johannes of Maria moest dan antwoorden ‘Ja, ik verzaak de duivel.’ Maar het kind kon dat natuurlijk niet en dus antwoordden de peter en meter plaatsvervangend voor het kind. ‘Geloofje in God de almachtige Vader?’ ‘Ik geloof.’ ‘En in Christus Gods Zoon?’ ‘Ik geloof.’ ‘Geloof je in de Heilige Geest?’ ‘Ik geloof.’ Zo deelde de dopeling letterlijk in het geloof van de kerk der eeuwen.
Na de Reformatie is dit gebruik afgeschaft en kwam de volle nadruk te liggen op de belofte van de ouders om hun kind als kind van het verbond godzalig op te voeden. De doopgetuigen hadden daarbij een assisterende taak.
Volgens de synode van Dordrecht (1574) waren zij mede aansprakelijk voor de christelijke opvoeding en dienden daar toezicht op te houden als de ouders overleden waren. Dat was ook zo bij Calvijn. Die wilde niet dat de weduwe van een goede vriend verhuisde uit Genève naar een rooms-katholiek gebied, omdat hij doopgetuige was geweest bij een van de kinderen en dan niet meer voor de christelijke opvoeding kon instaan.
DOOPVRAGEN
De doopvragen werden dus niet meer quasi aan het kind gesteld, maar aan de ouders. Toch herinneren de doopgetuigen die in het klassieke formulier bij de vragen genoemd worden nog altijd aan het oude gebruik. Als je gedoopt wordt, dan word je ingewijd en ingelijfd in de geloofsgemeenschap van de kerk der eeuwen. Wat een troost gaat er uit van de wetenschap dat er miljoenen ons zijn voorgegaan ‘die een even dierbaar geloof met ons verkregen hebben...’ Bij het geloof moet je dan niet meteen denken aan je eigen geloof, al blijft de persoonlijke toepassing onmisbaar voor de zaligheid. Het is niet mijn geloof dat redt, maar het geloof van Christus. Zo spreekt ook de apostel Paulus over het geloof.
DE WERELD VERLATEN
De eerste vraag uit de oude liturgie was trouwens al veelzeggend. Wil je de duivel afzweren? Dat markeert de overgang van het rijk van de duisternis naar het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. In de protestantse doopliturgie zijn we dat qua symboliek wat kwijtgeraakt. Maar dat is eigenlijk wat er gebeurt als de kinderen onder het zingen de kerk worden binnengedragen.
Vroeger stond de doopvont bij de ingang van de kerk en voltrok de doopplechtigheid zich daar. De doop markeerde letterlijk de grens tussen wereld en kerk, tussen leven en dood. Om in te gaan in het Koninkrijk van God, moest je eerst sterven aan jezelf. Nu is het kerkgebouw natuurlijk niet gelijk aan het Koninkrijk en om het zo te doen, kan tot allerlei bijgelovigheid leiden, maar de betekenis van die symboliek klinkt nog wel door in het oude doopformulier, waar staat dat wij vermaand en verplicht worden om ‘de wereld [te] verlaten, onze oude natuur [te] doden, en in een nieuw godzalig leven [te] wandelen.’
OP DE GRENS
De doop is daarom het bad der wedergeboorte. Bij de doop staan we op de grens van het Koninkrijk van God, dat in Christus is aangebroken en eenmaal heerlijk door zal breken. Om bij dat Koninkrijk te horen moeten we ingaan door de nauwe poort en wandelen op de smalle weg. Wie in Christus is, is een nieuwe schepping, het oude is voorbij gegaan en alles is nieuw geworden. Dat nieuwe leven is er alleen maar in de waarachtige verbinding en vereniging met de God van Israël, de drie-enige God door het geloof in Israëls Messias.
IN DE DOOP OVERGEZET
Die vereniging wordt ook in de doopformule aangeduid. De discipelen krijgen de opdracht om allen die in Christus geloven, te dopen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In de Naam indopen, indompelen staat er letterlijk. De doopformule betekent dus niet op het gezag van de Naam – zoals je gearresteerd wordt ‘in naam der wet’ – maar in gemeenschap met de Naam. ‘Jan, ik dompel u in, in de Naam van de Vader.’ Daarmee word je Zijn eigendom. Daarmee zegt Hij: Ik ben de Heere uw God.
Het voorzetsel ‘in’ van de doopformule is niet statisch, maar dynamisch. Into zou je in het Engels zeggen. Er zit beweging in. Je gaat van buiten naar binnen, vanuit de duisternis naar het licht. ‘Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde.’ (Kol.1:13)
DOOPKLEED
Een ander element uit de doopliturgie is de doopjurk. Als dopelingen die nog dragen, dan komen ze ermee in de kerk. Prachtig, maar zo is het van het begin niet geweest. Je ziet op oude tekeningen dat de kinderen naakt gedoopt worden. Pas na de doop werd het doopkleed aangetrokken, het beeld van de nieuwe mens. Zo werd tot uitdrukking gebracht dat wij de oude mens moeten afleggen, de oude natuur doden, en vernieuwd worden in de geest van ons denken, ons moeten bekleden met de nieuwe mens, overeenkomstig het beeld van God herschapen in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Die nieuwe mens is de Heere Jezus. Doet aan de Heere Jezus Christus.
HEENWIJZING
Bij het aantrekken van het doophemd werd in de kerk van Zürich een formule uitgesproken. ‘God geve u dat – zoals u nu met het witte kleed lichamelijk bekleed wordt – u zo op de jongste dag met een rein en onbevlekt geweten voor Hem verschijnt.’ U hoort het goed. Ook dit element is in ons oude doopformulier terechtgekomen. God belooft dat onze kinderen eenmaal ‘onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden’. Wij bidden voor hen dat zij ‘ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, [Gods] Zoon, zonder verschrikken mogen verschijnen’. Als we die woorden bidden, mogen we denken aan het witte kleed dat heenwijst naar de lange witte klederen in het nieuwe Jeruzalem.
Dr. H. van den Belt uit Woudenberg is bijzonder hoogleraar Gereformeerde godgeleerdheid vanwege de Gereformeerde Bond aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's