SCHAAMTELOOS PIONIEREN
De interessante nieuwsbrief van Op Goed Gerucht staat helemaal in het teken van het thema schuld en schaamte. In dit nummer gaat ds. Margrietha Reinders (Amsterdam Oud-West) in op haar eigen schaamte het Evangelie te communiceren.
GERUCHTEN
Ds. Reinders zet in met een bord bij het Centraal Station waarop te lezen staat dat ‘Jezus redt’. Daarnaast een jongen die ‘God maakt je vrij’ zingt; ‘onverstoorbaar doorspelend in de motregen’.
Nog niet zo lang geleden zou ik met plaatsvervangende schaamte langs dit groepje christenen zijn gelopen, en misschien had ik in gedachten een kritische opmerking geformuleerd over de demonstratieve straatevangelisten met hun Jezus. Immers, bekeringsdrang was voor mij een ongepast vertoon van geloofszekerheid. Als progressieve predikant was ik diep doordrongen van schaamte en schuldgevoel vanwege de zendingsijver van mijn geloofsgenoten daar bij het station.
Na wijkpredikant te zijn geweest wordt ds. Reinders pionier in een wijk waar geen kerkgebouw meer is om je naar terug te trekken. En hoe leg je dan op straat verbinding met mensen die geen enkele binding hebben met kerk en geloof en daar ook niet naar verlangen? Ds. Reinders doet dan een aantal pijnlijke ontdekkingen.
Juist door vanuit de buurt naar de binnenkant van de kerk te kijken, ontdekte ik hoe gesloten onze kerkelijke cultuur, onze geloof staal en onze theologie eigenlijk zijn. Vol gebaren, woorden, ideeën en gewoontes die voor ons heel vertrouwd, maar voor buitenstaanders een soort geheimtaal zijn en niet thuishoren bij het vocabulaire van de straat. De kerk ziet zichzelf heel graag als open, verwelkomend en gastvrij met hart voor de wereld, maar intussen is het er vooral goed toeven voor mensen die genieten van een mooie liturgie of een goede preek.
De vragen die ik mijzelf moest stellen, waren hard. Want ik besefte dat ik een nieuw antwoord moest vinden op de afwezigheid van de kerk in de mooie buurt waarin ik rondfietste en waar ik steeds meer mensen ontmoette, op straat, in de kroeg, of in het buurthuis. Ik voelde me vaak met lege handen en een mondvol tanden staan met die kerk van mij die nergens meer bij paste. Juist dat bleek uiteindelijk een noodzakelijke ervaring, die mij goed deed.
Want, door helemaal niets meer te bieden te hebben op het gebied van tradities, theologie of kerkelijke zekerheden moest ik wel op zoek naar onze eigen oorsprong als kerk met haar ontstaansgeschiedenis van kleine huisgemeentes. Een prille kerk, die nog geen kerk mocht heten, zonder gebouwen, vastgelegde liturgie, teksten of theologie. Een geloofsgemeenschap die nog geen gemeenschappelijke taal ontwikkeld had. Die zichzelf nog moest uitvinden aan de hand van brieven, mondelinge overleveringen, met behulp van gebeden, lofprijzingen, onderdompelingen, maaltijden en de Geest. Een kwetsbare kerk, die getuigde van haar Heer en dat vol overtuiging deed in een vijandige wereld. Waarom zouden we dat niet opnieuw gaan doen? Deze gedachte stemde me hoopvol en zo lukte het me van mijn zwakheid mijn kracht te maken. Noem het maar een soort bekering. Ik keerde mij om van de kerk naar de straat. Van de theologie naar het evangelie. Een pionier was geboren!
Zo ben ik uiteindelijk zelf de evangelist geworden, die ik zo graag niet wilde zijn. Ik durfde te zoeken naar nieuwe, heldere taal van het oude verhaal en met enthousiasme over Jezus te spreken, zij het af en toe met een rood hoofd. Mensen uit de buurt leerden mij dat het prima was om mijzelf christen te noemen zolang ik maar geloofwaardig en echt handelde, van mijn voetstuk afkwam en naar hen luisterde. Zij bevrijdden mij van mijn schaamte en schuld en werden mijn mede-gemeentestichters. De eenvoud en vreugde van radicaal nieuwtestamentisch geloof dat ik aanvankelijk zo sceptisch had afgeschreven, bleek besmettelijk te zijn. Zo ontstonden Heilig Vuur West en later Betondorp Bloeit: jonge (huiskamer) gemeentes in hartje Amsterdam die het evangelie durven uitdragen.’
ONDERWEG
Dit samenwerkingsblad van Nederlands (NGK) en Vrijgemaakt Gereformeerden (GKv) is helemaal gewijd aan missionair gemeente zijn anno 2017. Maarten Boersema sprak met twee pioniers: Martijn Horsman, tot voor kort voorganger bij Stroom Amsterdam en Alrik Vos van Hart voor Heerhugowaard. Twee fragmenten uit een boeiend gesprek:
Op welke manier heb je de afgelopen jaren de aanwezigheid van de Geest in je werk ervaren? Het is een vraag die zowel Vos als Horsman bezighoudt. Vos: ‘Het is niet zo dat ik er continu aan denk, maar het is bemoedigend om de activiteit van de Geest te zien en gelukkig zijn er genoeg momenten waarop dit gebeurt. Er gebeurt meer dan alleen het menselijke. Tegelijkertijd merk ik dat ik hierin ook telkens moet loslaten, want als ik ga wachten op het werk van de Geest, raak ik verlamd. Je moet ook simpelweg je ding doen.’
Beiden zien de Geest aan het werk in het leven van concrete mensen. Maar ze worstelen ook met vragen:
Een (...) voorbeeld is een bezoeker die hem vertelde dat hij na een dienst vaak het gevoel heeft dat hij in bad is geweest en weer schoon is. Maar naast deze bemoedigende voorbeelden spreekt Vos ook over onvrede. ‘Het is mooi dat God op deze manier werkt, maar het zijn druppels. Waarom opent God niet meer harten?’ (...)
Martijn Horsman herkent de worsteling van Vos. ‘Een van de dingen waardoor ik het volhoud, is dat ik zeg dat we moeten kijken naar onze eigen invloed en dat we ons over de rest niet al te veel zorgen moeten maken. Laten we ons beperken tot wat wij kunnen doen en daarbij openstaan voor het wonder van de Geest en wat ons overkomt.’
Daarnaast heeft Horsman aan de hand van Paulus in de afgelopen jaren veel geleerd over het werk van de Geest. ‘Bij Paulus gaat het erover dat de letter doodt en de Geest levend maakt. Je laten leiden door de Geest betekent volgens mij dan ook dat je openstaat voor waar de Geest jou persoonlijk, maar ook samen als gemeenschap, naartoe wil leiden. (...) Je moet uiteraard de zaken, zeker ook financiële zaken, goed geregeld hebben, maar de kerkelijke regels kunnen ook verstikkend werken. Ik heb geleerd om met het evangelie van Jezus in de hand dingen te doen die je goed vindt om op jouw plek te doen. Tijdens deze periode heb ik echt leren vertrouwen op de Geest.’ (...)
Wat kunnen gevestigde kerken leren van missionaire projecten? De antwoorden van Vos en Horsman klinken bescheiden, want ze willen niet aanmatigend zijn.
Allereerst geven ze aan dat ze dankbaar zijn voor wat de kerk hun heeft gegeven. Horsman: ‘We hebben alles aan de gevestigde kerken te danken en daar ben ik dankbaar voor. Ook ben ik dankbaar voor de klassieke theologische opleiding, want het is goud waard datje leert theologiseren. (...)
Vos heeft dezelfde dankbare houding richting gevestigde kerken. ‘Wij begonnen in Heerhugowaard met de gedachte aan kleine huiskringen, verspreid door de stad, maar leerden al snel dat de structuur van de gevestigde kerken zo gek nog niet is.’
Naast dankbaarheid geven ze graag een belangrijke les mee. Vos: ‘Het is heilzaam om het oude vertrouwde eens los te laten, want dan komt het erop aan. Misschien blijkt dan ook dat er veel opsmuk is en dat het gemeenschappelijke geloofsleven zonder die opsmuk veel levendiger en intenser kan zijn en heel dichtbij kan komen. In de Bijbel kom je voortdurend mensen tegen die iets achter moeten laten om zo vernieuwd vooruit te gaan.’
Horsman beaamt de woorden van Vos. ‘Loslaten is een van de allerbelangrijkste lessen. Dat klinkt misschien passief, maar loslaten is actief. Je moet het leren, je moet het doen, je moet het besluiten. Net als ouders die hun kinderen moeten loslaten. Dat betekent niet dat ze hen laten gaan, maar dat ze vertrouwen en geloof in hen hebben en dat ook aan hun kinderen geven.’
Als laatste onderstreept Vos dat een missionaire instelling ook veel vreugde en vernieuwing kan opleveren. ‘Je doet het ergens voor. Het betekent niet dat iedereen dit moet gaan doen, maar het zou mooi zijn als je wel van elkaar wilt leren. Probeer profijt te hebben van wat er in de marge gebeurt.’
Bovenstaande verhalen ademen realisme, hebben weet van de weerbarstigheid om in de stad God ter sprake te brengen. Het is ook realisme omdat er verwachting is van het werk van Gods Geest. De grenzen tussen stad en dorp zijn, als het om bovenstaande thema’s gaat, vloeiend. Steeds meer gemeenten zijn in transitie en op zoek naar wegen om het geloof te leven en te delen. Alle reden om deze ervaringen goed tot ons door te laten dringen en te vertrouwen op de Geest.
Ds. G. van Meijeren is hoofd mobiliteitsbureau Predikanten & Kerkelijk Werkers van de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's