REGELMATIG HUISBEZOEK
Pastoraat – herderlijke zorg [2, slot]
In mijn eerste gemeente ging ik als het even kon, iedere week twee avonden met een van de drie ouderlingen op huisbezoek. Daarbij werd niemand overgeslagen. Het lijkt vandaag meer dan ooit een onbereikbaar ideaal, terwijl huisbezoek van groot belang is.
Het regelmatige huisbezoek vindt zijn oorsprong in de verplichte middeleeuwse biechtpraktijk (voortzetting van de oud-kerkelijke boetepraktijk). Je legde je hart op tafel voor de biechtvader. Zo bedacht het vierde Lateraans concilie het (1215). Vervolgens zou de biechtvader zijn oordeel geven en voorschriften voor verbetering en bestrijding van het kwaad. Luther verzette zich tegen deze vorm van pastoraat, zonder er helemaal mee te breken. Hij hechtte aan de biechtpraktijk, maar dan in gezuiverde vorm. Prediking en pastoraat waren voor hem beide wezenlijk voor de kerk.
In de gereformeerde versie van de Reformatie was het vooral Bucer die belangrijke aanzetten gaf voor het persoonlijke pastoraat, maar daarnaast ontwikkelde hij het zogenaamde ‘ambtelijke pastoraat’. Niet ter vervanging van het algemeen pastoraat, maar wel als verbijzondering en precisering daarvan. Calvijn ging verder op deze ingeslagen weg. Zo ontstond de gewoonte van het jaarlijkse huisbezoek aan ieder lid van de gemeente. Genève werd in kwartieren, wijken ingedeeld, waarbij iedere pastorale eenheid jaarlijks bezocht diende te worden door een predikant met ouderling. Waar gebeurt dat nog...?
GEESTELIJK LEVEN
Laten we ons er rekenschap van geven dat de Reformatie niet alleen volle aandacht had voor de prediking, maar ook voor het pastoraat. Daarbij ging het primair om het zoeken naar de vrucht van de prediking, of om het klassiek te zeggen: ‘de toe-eigening van het Woord’. Maar dat raakt dan ook het hele leven.
Het wordt alleszins merkbaar als het Woord zeggenschap is gaan voeren over ons. Het geestelijk leven is niet een apart hoofdstuk van ons leven. Het doortrekt ons hele zijn, doen en laten. Daardoor krijgt het pastoraat ook een corrigerende, aansporende en opwekkende functie: maak ernst met de dienst des Heeren.
We kijken elkaar in de ogen en nog liever in het hart
Maar wat er ook gezegd moet worden, liefde drijft ons. Ze is de toon die de muziek maakt. We verlangen om elkaar erbij te houden. Bij de gemeente, maar allereerst natuurlijk bij de Goede Herder. Dat is ook het wezen van de tucht in prediking en pastoraat. Zo licht telkens weer de gestalte van Christus op. We communiceren op het niveau van de ontmoeting, het gesprek, kijken elkaar in de ogen en nog liever in het hart. Zo er al sprake is van een verborgen agenda, dan die van de eerste vraag en antwoord uit onze Heidelberger, over de enige troost in leven en in sterven.
TROUW
Ook de vrome zeventiendeeeuwse theoloog Gisbertus Voetius besteedde veel aandacht aan het pastoraat. Hij publiceerde onder andere een handboek dat speciaal ten dienste van de predikanten geschreven is. Het verbod tot vertalen ten spijt, kwam er toch een versie toegankelijk voor niet- en minderbegaafde latinisten.
Wat ook hier opvalt, is het grote belang dat de auteur hecht aan huisbezoek. Geen goed woord heeft Voetius over voor predikanten die hun kudde verwaarlozen. Dominees dus die hun tijd keurig klokken en ervoor waken de grens van veertig uren over te gaan, die veel in boeken verkeren maar het gelaat van hun schapen niet kennen. ‘Besef dat u van Godswege geroepen bent pastorale zorg te geven aan de u toevertrouwde kudde’, zo waarschuwt hij. ‘U dient trouw op uw post te zijn.’ Hij herinnert daarbij aan Handelingen 20:28: ‘Zo hebt dan acht op uzelf en op de gehele kudde, waarover u de Heilige Geest tot opziener gesteld heeft.’
CRISISPASTORAAT
In mijn eerste gemeente ging ik als het even kon, iedere week twee avonden met een van de drie ouderlingen op huisbezoek. Het lijkt vandaag meer dan ooit een onbereikbaar ideaal. Of lieten wij – in navolging van grote delen van de kerk – deze praktijk te snel en te vaak los...? Waarom eigenlijk?
Het antwoord kan zijn dat het crisispastoraat onze tijd en energie opslurpt. Het geseculariseerde leven gaat ook onze gemeenten niet voorbij. Het stormt niet alleen buiten de kerk. Ook daarbinnen waait het, soms zeer onstuimig.
Onder crisispastoraat rekenen we ernstige, plotselinge ziekte, psychisch lijden, overlijden, ongevallen, overspel, incest, huwelijkscrises... En nog staan niet alle kleuren op het palet. Iedere situatie vergt weer z’n eigen aanpak, insteek, deskundigheid en betrokkenheid van de pastor. Het blijft levenslang leren en bijleren, maar ook afleren.
EERST LUISTEREN
Enige kennis en oefening in gesprekstechnieken is zeer aan te bevelen om het pastorale gesprek te kunnen voeren. Een gouden regel is: eerst luisteren, dan spreken. Eerst moet de ander zich kunnen uitspreken. Het kan helpen om zo nu en dan dat wat gezegd is, kort samen te vatten. ‘Dus, als ik u goed begrepen heb dan... Maar gaat u verder.’ Alstublieft geen dominees- of ouderlingenmonoloog. Dat zou bovendien ook strijden met de reformatorische visie op de mens. We verklaren hem niet monddood, maar zoeken het gesprek, de ontmoeting. En dat is geen tegenover van de pastorale specialist, de allesweter, en de pastorant als nietsweter. Dat getuigt van weinig respect voor de ander. Uiteraard is een pastoraal gesprek geen verhoor waaraan de ander onderworpen wordt. De pastor is geen rechercheur of geheim agent. Huisbezoek moet geen huisbezoeking worden.
Ook drijven we mensen niet in een hoek, we zetten hen niet vast en laten hen evenmin dingen zeggen die ze niet willen zeggen. Foei wie de ander manipuleert.
BASALE KENNIS
Nog iets. Enige basale kennis van de menswetenschappen verdient aanbeveling. Dat geldt ook met betrekking tot ziektebeelden, ook van psychische ziekten. Wat is een depressie, een dwangneurose, schizofrenie, een psychose, een angststoornis, autisme, borderline et cetera? Hoe werkt het? Wat doet het met iemand? Hoe onderken ik suïcidaal gedrag enzovoort?
Wellicht ten overvloede: maar wij stellen geen diagnoses. Wij suggereren naar de pastorant ook niets. Bij terechte zorg nemen we in een uiterst geval contact op met de huisarts. Altijd in overleg met betrokkene en/of zijn familie, tenzij dat beslist onmogelijk is. Het is raadzaam ook wat inzicht te verwerven in de vele therapieën die op de markt zijn en die niet altijd het werkelijk geestelijk welzijn van onze schapen bevorderen.
MAATWERK
Pastoraat en zeker crisispastoraat zijn maatwerk. Een valkuil is dat we denken te weten hoe het zit, wat de ander voelt en doormaakt. Een gevaar bij huwelijksaverij is dat we ons laten verleiden tot partij te kiezen en zo ingekaderd raken in het kamp van de een tegen de ander. Ieder mens verlangt naar begrip, hunkert ernaar om begrepen te worden. Je niet begrepen weten maakt eenzaam en verdrietig. Maar goed luisteren is nog niet hetzelfde als het met iemand eens zijn. We laveren op het slappe koord tussen nabijheid en distantie.
De pastor is geen rechercheur of geheim agent. Huisbezoek moet geen huisbezoeking worden
Op zeker moment moet het er dan toch wel van komen: de confrontatie. En dat is altijd de confrontatie met de Schrift, waarvoor we samen, dus ook de pastor – hij voorop – buigen of niet buigen. De zonde wordt veroordeeld, omdat God, en wij ook, de zondaar willen behouden, genezen, redden. Dat alles gaat beslist niet zonder de liefde van Christus.
De mens in een diepe existentiële crisis opzoeken, veroorzaakt maar al te vaak tal van remmingen in ons. Gelukkig maar. ‘Wie ben ik, wat zou ik, wat moet ik zeggen...?’
Oprechte verlegenheid drijft ons op de knieën. De pastor is met al zijn know-how toch ook maar weer steeds opnieuw de bedelaar aan de troon, bedelend om wijsheid die van boven is.
Wellicht helemaal ten overvloede: niemand heeft het recht de vuile was van een ander op straat uit te hangen. Zondag 40 uit het Heidelbergse leerboekje zouden we wat vaker paraat moeten hebben voor onszelf. Voor de ambtsdragers in de gemeente geldt een geheimhoudingsplicht. Hoe schadelijk is het voor het beeld van ambt, gemeente en Koninkrijk als dat wat ons is toevertrouwd, in de openbaarheid komt door ons toedoen. Er is ‘kennis’ die je niet of nauwelijks met iemand kunt of mag delen, dan alleen met God. In heel uitzonderlijke situaties zijn we (zelfs) geroepen deze grens over te gaan.
MET VREUGDE
Tot slot: pastoraat is heerlijk werk. We mogen uitdelen uit de schat van het Evangelie, instrument zijn in de hand van de Opperherder. In eigen kracht is dit alles onmogelijk. Juist in deze tak van arbeid ervaren we de paradox dat zwak, dwaas en onbekwaam zijn in eigen besef het tegenovergestelde uitwerkt. Onze autoriteit is een geschonken gezag. We komen in en vanuit naam van onze Koning, in Zijn geest en gezindheid.
We moeten gaan met ons hart, maar tegelijk ons verstand niet thuislaten. We moeten vooral met God gaan, in Zijn afhankelijkheid, geleid door Zijn Geest, opdat het gelaat van de Opperherder Jezus Christus in ons zal oplichten. Zo alleen kunnen we volhouden en arbeiden we met vreugde in Jezus’ dienst.
Ds. J. Belder uit Harskamp is emeritus predikant.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 25 juni 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 25 juni 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's