KERKELIJKE TUCHT
Terwijl ik dit schrijf, is de golf van reacties op het seksueel misbruik van filmproducent Harvey Weinstein nog niet ten einde. Met de hashtag MeToo (#ikook) vragen velen – voornamelijk vrouwen – aandacht voor wat hun is overkomen aan ongewenste intimiteiten en erger. Deze reacties hebben hier en daar geleid tot grote gevolgen voor mannen die met naam en toenaam via de media in opspraak raakten. Je zou het een vorm van publieke tuchtoefening kunnen noemen.
Over de kerkelijke tucht en de grenzen daarvan schreef dr. Jacques Schenderling een artikel voor Kerk en Theologie (in een mooi themanummer over sacramentaliteit). Hierin onderzoekt hij het onderscheid tussen verborgen en openbare zonden en de praktijk van deze benadering. Ik citeer uit een boeiend betoog:
KERK EN THEOLOGIE
Calvijn introduceert in zijn beschouwing over de kerkelijke tucht in de ‘Institutie’ vrijwel direct het onderscheid tussen ‘verborgen’ en ‘openbare’ zonden. Hij definieert deze begrippen niet exact, maar duidt wel aan wat hij bedoelt. Van een ‘verborgen’ zonde is alleen een beperkt aantal mensen op de hoogte. Een ‘openbare’ zonde is ‘niet slechts bij één of twee getuigen’ bekend, maar bij de hele of vrijwel de hele gemeente. Hoewel hij geen uitputtende opsomming geeft van de zonden die tot de laatste categorie behoren, geeft hij wel een aantal voorbeelden. Een reactie van de kerk acht hij beslist nodig tegenover ‘openbare overspelers, hoereerders, dieven, rovers, oproermakers, meinedigen, valse getuigen’, maar ook tegenover degenen die de kerkelijke vermaning voor lichtere vergrijpen naast zich neerleggen.
In sommige kerkorden van gereformeerde signatuur is dit onderscheid overgenomen. In de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk en later de Protestantse Kerk in Nederland komt het evenwel niet voor.
De onderscheiding tussen verborgen en openbare zonden is te herleiden op één grondgedachte, namelijk dat de kerk ergens een grens moet trekken. Natuurlijk bestaat de kerk uit zondaars en natuurlijk hoef de kerk niet op elke overtreding te reageren, maar ze kan ook niet alles laten passeren. Als leden van de kerk ernstige misstappen begaan, brengen ze daarmee de hele gemeenschap in diskrediet en ondermijnen ze de gemeenschappelijke moraal. Dan moet de kerkgemeenschap reageren op het gedrag van deze leden om zelf geloofwaardig te blijven. Maar omdat de kerk geen onnodige ophef wil veroorzaken, maakt ze daarbij een onderscheid tussen zonden die reeds openlijk besproken worden en zonden die vooralsnog nauwelijks bekend zijn. De kerkgemeenschap trekt dus een grens, maar ze is tegelijk terughoudend daarin door op twee niveaus te reageren, namelijk óf persoonlijk óf publiekelijk.
In zijn bijdrage laat ds. Schenderling zien dat het onderscheid tussen verborgen en openbare zonden ontstond tijdens de vernieuwingsbeweging in de Rooms-Katholieke Kerk van de dertiende eeuw. Martin Bucer en Jean Calvijn introduceerden het in de gereformeerde traditie. Maar eenvoudig was dat niet. Immers: is het waar wat de beschuldigde zegt? En hoe zit het met de pastorale verantwoordelijkheid voor de zondaar?
Tucht handhaven blijkt (…) moeilijk, zolang de kerk niet over een goed uitgerust apparaat beschikt om vast te stellen wat de waarheid is. Daar komt een ander dilemma bij: de kerk heeft niet alleen als taak om de discipline te handhaven, maar zij heeft ook als taak om zondaren te begeleiden op de weg van inkeer, boete en vergeving. In veel gevallen staat de eerste, disciplinaire opdracht, op gespannen voet met de tweede, pastorale.
Dr. Schenderling illustreert dit aan de hand van een casus uit Genève, waar het consistorie tuchtzaken besprak. Daar zijn verslagen van overgeleverd.
De kerkenraad van Genève en Calvijn wilden vanaf 1541 meer grip krijgen op het in hun ogen vaak losbandige en zondige leven van de inwoners van de stad. In praktische zin probeerden zij dit doel te bereiken via het Consistoire, een bestuurlijk lichaam dat ressorteerde onder de burgerlijke overheid, maar waarin predikanten onder leiding van Calvijn grote invloed uitoefenden. Het Consistoire vergaderde elke week om tuchtzaken te bespreken en getuigen te horen. (…)
Wij beperken ons in het kader van dit artikel tot één vraag, namelijk: langs welke weg probeerde het Consistoire vast te stellen welke zonden een openbaar karakter hadden en welke niet? Zoals op grond van de middeleeuwse jurisprudentie te verwachten viel, was vooral het vaststellen van de juiste feiten en de toedracht vaak een probleem. We geven daarvan één voorbeeld. In mei 1546 werd een dienstmeisje, Jeanne, opgeroepen om te getuigen in een zaak die speelde rond haar meesteres. Deze was beschuldigd van overspel en Jeanne moest vertellen wat ze ervan wist. Familieleden en vrienden van haar meesteres waren reeds opgeroepen, maar zij wilden of konden de geruchten over overspel niet bevestigen. Veel hing dus af van het getuigenis van Jeanne. Tijdens de ondervraging gaf ze aanvankelijk ontwijkende antwoorden aan het Consistoire, maar uiteindelijk gaf ze toe dat zowel haar meesteres als de minnaar van haar meesteres haar onder druk hadden gezet om te liegen. Vervolgens verstrekte ze het Consistoire verschillende details die de geruchten bevestigden. Daarmee bracht ze haar meesteres ernstig in diskrediet en mogelijk in levensgevaar, omdat in bepaalde gevallen voor overspel de doodstraf werd opgelegd.
Aan dit voorbeeld is te zien, hoe moeilijk het was om in de praktijk vast te stellen of er sprake is van een openbare zonde. Als de directbetrokkenen ervoor kozen de feiten te verzwijgen, lag manipulatie van afhankelijke getuigen (zoals dienstmeisjes) op de loer. En omdat het Consistoire geen andere opsporingsmiddelen kon inzetten dan het horen van getuigen, bleef het moeilijk om het beginsel van rechtsgelijkheid voor alle burgers te handhaven.
Ook rondom recente zaken die de aandacht trokken – in Amersfoort en Kruiningen – speelt de thematiek van waarheidsvinding en de spanning tussen pastoraat en discipline een rol. Dr. Schenderling concludeert dat de toepassing van tucht steeds moeilijker is geworden. Dat heeft met verschillende ontwikkelingen te maken. Bucer en Calvijn konden nog naar een gemeenschappelijke moraal verwijzen. Verder:
Het individualisme in de samenleving is sterk toegenomen en ook in de kerken binnengedrongen. Mensen leven niet langer in één, relatief gesloten levenssfeer, maar maken deel uit van talloze netwerken waarbij ze verschillende maatschappelijke rollen vervullen. Ook trouwe gemeenteleden accepteren inmenging in hun privéleven minder gemakkelijk dan vroeger. Ook is hun houding tegenover de leiding van een gemeente veranderd; van een echte gezagsverhouding is vaak geen sprake meer. Dit maakt het voor de kerkleiding bijna onmogelijk om mensen aan te spreken op hun gedrag. Bovendien is de kans groot dat mensen hun kerklidmaatschap opzeggen als de interventie van de kerkleiding hen niet bevalt (…)
Ten slotte is het de overheid die bepaalde eisen stelt aan de kerk als organisatie, bijvoorbeeld op het gebied van privacy en wat betreft de manier waarop meldingen van seksueel misbruik moeten worden afgehandeld.
Wanneer de kerk de tucht toch wil handhaven, zal ze zich in de praktijk steeds vaker richten op informatie die afkomstig is van de burgerlijke overheid. Ik geef daarvan twee voorbeelden:
(1) als de kerk iemand wil aanstellen in een vertrouwensfunctie of in het jeugdwerk, zal ze steeds vaker een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) verplicht stellen om te voorkomen dat ze zelf beschuldigd wordt van nalatigheid;
(2) als de burgerlijke overheid iemand daadwerkelijk veroordeeld heeft voor een ernstig vergrijp (bijvoorbeeld seksueel misbruik), zal de kerk deze persoon veelal ontheffen uit alle kerkelijke functies.
Deze laatste punten tekenen zich mijns inziens inderdaad af. In het licht van maatschappelijke ontwikkelingen wordt er binnen gemeenten soms de vraag gesteld of de (nieuwe) predikant niet ook een VOG zou moeten hebben. De vraag naar een specifieke vorm van tucht komt zo misschien wel via de overheid en de samenleving weer op het bord van de kerk terecht. Duidelijk is wel dat de kerk zich niet kan onttrekken aan wat er maatschappelijk speelt (#Me-Too). Dat ze dat niet wil doen, blijkt onder andere uit het meldpunt SMPR (seksueel misbruik in pastorale relaties).
Ondanks zijn analyse dat tucht steeds ingewikkelder is geworden, besluit ds. Schenderling zijn artikel met een pleidooi:
Hoewel de speelruimte van de kerkleiding om tucht uit te oefenen dus zeer beperkt is, hoef de kerk het ideaal van een geloofsgemeenschap waarin de leden elkaar aanspreken op hun gedrag niet geheel los te laten. De leiding van de gemeente heeft nog steeds de opdracht om de leden te bepalen bij de noodzaak om te leven als leesbare brieven van Christus (2 Kor. 3:2-3). Maar steeds vaker zal zij daarbij het pastorale model moeten hanteren in plaats van het disciplinaire.
Ds. G. van Meijeren is hoofd mobiliteitsbureau Predikanten & Kerkelijk Werkers van de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's