BETOVERDE DWAZEN
De brief aan de Galaten [2, 2:15-3:29]
In Luthers uitvoerige commentaar op de Galatenbrief kijken we de reformator diep in het hart. Bij zijn bespreking van 2:14 maakt hij de rake opmerking dat wie het Evangelie goed weet te onderscheiden van de wet, een theoloog is. Oftewel: dan ben je werkelijk door God geleerd.
In het gedeelte van de brief dat we in dit tweede artikel doornemen, gaat het om de juiste verhouding tussen (de werken van) de wet en het Evangelie. Het luistert hier nauw, zoals Paulus laat zien.
ONBEGAANBAAR
Na een stukje autobiografie trekt de apostel vanaf 2:15 theologische lijnen. Mogelijk richt Paulus zich nog steeds tot Petrus, maar daarbij heeft hij wel de Galaten en hun situatie op het oog. Krachtig wordt beleden dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof in Christus. Dit geldt voor christenen uit zowel de Joden als uit de heidenen.
Paulus zou de indruk kunnen wekken dat hij nogal negatief over de wet denkt. Terwijl het nota bene gaat om Gods goede geboden die heilzaam zijn en ons leven willen beschermen. Dit weet Paulus ook – in andere verbanden laat hij zich positief over de wet uit. Maar het gaat mis als wij de wet zien als een mogelijkheid om onszelf naar God toe te werken. Als gevolg van de zonde is dit een onbegaanbare weg geworden. Voldoen aan de eisen van de wet is voor ons mensen geen haalbare kaart.
TOCH LEVEN
Vervolgens geeft Paulus aan dat hij ‘door de wet voor de wet gestorven’ is om voor God te leven.
Het is lastig om precies te verwoorden wat de apostel met deze enigszins cryptische uitdrukking bedoelt. Het heeft in ieder geval alles te maken met de kruisiging van Christus. Op Golgotha droeg Hij Zijn volgelingen met Zich mee. Vandaar dat Paulus kan belijden met Christus gekruisigd te zijn (2:20). Zijn oude mens is gestorven, toen en daar op de kruisheuvel.
Dit is een van de diepste dingen van het Evangelie. En moeten we niet zeggen dat deze notie doorgaans te weinig leeft? En dat mede daarom de radicaliteit van Paulus’ Evangelie zo slecht wordt verstaan? Het gevolg kan zijn dat we niet goed weten te onderscheiden tussen wet en Evangelie.
Maar al te gauw steunen we toch weer op eigengerechtigheid (in welke vorm dan ook).
Leven door het geloof betekent dat Christus in mij leeft. Mijn bestaan is op een ander spoor gezet. Hierdoor is ook mijn positie ten opzichte van de wet fundamenteel veranderd. Ik behoef mij niet langer in te spannen om zelf aan Gods eis te voldoen. Dit zou trouwens een miskenning van Christus’ sterven zijn. Hij zou ‘tevergeefs gestorven’ zijn (2:21). Maar omdat Hij alles heeft volbracht, ziet God mij aan in Christus, van Wie Paulus hartstochtelijk belijdt dat Hij ‘mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven’. Taal recht uit zijn hart!
Een goed begin mag dan het halve werk zijn – het is niet het hele werk
BETOVERD
In hoofdstuk 3 spreekt Paulus de Galaten zeer direct aan. En hoe…! Als dwazen, als onverstandigen. Het zal je maar gezegd worden. De apostel wil zijn lezers bewust shockeren, omdat ze in een roes leven. Ze zijn betoverd door mensen die met een ander evangelie komen, terwijl hun voorheen de waarheid van Jezus’ kruis is verkondigd.
Prachtig hoe Paulus in 3:1 over de prediking spreekt: het is schilderen met woorden. Ondertussen worden hoorders meegenomen naar Golgotha, en omgekeerd wordt Golgotha bij hoorders gebracht. Alsof Christus onder u (dus in Galatië!) gekruisigd was. Wie betoverd is, leeft in een schijnwereld en ziet de dingen niet meer zoals ze zijn. Een felle confrontatie is voor Paulus de enige mogelijkheid om de betovering te verbreken. Prikkelend vraagt hij enkele keren hoe de Galaten de Heilige Geest hebben ontvangen (3:2 en 3:5). Door gelovig te luisteren naar de prediking of vanuit de werken van de wet? De vraag stellen is hem beantwoorden.
Al met al waren ze in Galatië goed begonnen met de Geest. Maar een goed begin mag dan het halve werk zijn – het is niet het hele werk. Want helaas dreigen de Galaten te eindigen met het vlees. Of anders gezegd: ze verwachten het toch min of meer van hun eigen prestaties. Daarom slaat Paulus in felle bewoordingen groot alarm.
ABRAHAM
Kort en krachtig vat Luther samen wat Paulus wil zeggen: ‘Een christen wordt men niet door het doen maar door het horen.’ Zo ging het al bij Abraham die in God geloofde, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend (3:6 = citaat van Gen.15:6). Wie zijn het die tot Abrahams kinderen behoren? ‘Zij die uit het geloof zijn.’ Begrijp dat toch, schrijft Paulus met een zeker ongeduld (3:7). En dit geldt voor zowel Joden als heidenen, omdat aan Abraham was beloofd dat alle (!) volken in hem gezegend zouden worden. Juist de persoon van Abraham onderstreept hoe alleen de weg van het geloof tot het leven leidt.
In 3:10 noemt Paulus als contrast opnieuw ‘de werken van de wet’. Wie langs deze weg zijn of haar behoud zoekt, is vervloekt. De Heere eist immers dat ons leven niet gedeeltelijk maar voor de volle honderd procent spoort met Zijn wet. Opdat we blijven ‘bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’ (3:10). Als dat niet het geval is, ontberen we Gods zegen en verkeren we onder Zijn vloek (= Zijn oordeel). Deze verwijzing naar Deuteronomium 27:26 laat zien hoe scherp het ligt. De Galaten moeten wel weten wat ze doen als ze luisteren naar dat andere Evangelie.
VRIJGEKOCHT
In 3:13 gaan alle registers van het Evangelie open. Het is alsof Paulus het uitjubelt: ‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet, doordat Hij Zelf voor ons een vloek geworden is!’ Opnieuw grijpt de apostel naar Deuteronomium (21:23). Destijds kon het gebeuren dat het lichaam van een terechtgestelde aan een paal werd opgehangen als teken van vloek. Zo is Jezus op Golgotha een Gevloekte geworden. Paulus komt helemaal los als hij de Galaten op Christus wijst. Hij hing immers plaatsvervangend aan het hout.
‘Voor ons’, staat er. Ondertussen heeft Hij ons vrijgekocht met de prijs van Zijn bloed.
Luther weet dit heel persoonlijk te maken: God ‘zond Zijn Zoon in de wereld en wierp op Hem de zonden van ons allen en zei tot Hem: Jij moet Petrus zijn, de leugenaar, Jij moet Paulus zijn, die vervolger, lasteraar en gewelddadige, Jij moet David zijn, die echtbreker; (…) Jij moet alle mensen zijn, (…) Jij moet dus zorgen voor verlossing en genoegdoening voor hen.’ Woorden om ons aan te laven, zeker als we onze eigen naam invullen. Dat mag, want aan Jezus’ offer is het te danken dat ook heidenen delen in de zegen van Abraham (Galaten toen, Nederlanders nu). Ook zij krijgen door het geloof de Geest Die is beloofd (3:14).
NAGESLACHT
Vanaf 3:15 bezigt Paulus weer een rustige toon – zoals de aanspraak ‘broeders’ laat zien. Soms vraagt het inspanning om de gedachtegang in deze brief te volgen. Dat geldt ook voor wat nu volgt. Paulus wil duidelijk maken dat Gods verbond met Abraham zijn waarde heeft behouden.
Vergelijkenderwijs noemt hij een menselijk verbond of testament dat we niet zomaar aan de kant kunnen schuiven omdat het rechtsgeldigheid heeft. Hetzelfde geldt voor de beloften die de Heere aan de aartsvader en zijn nageslacht heeft gedaan. Sterk wordt benadrukt dat het om ‘Nageslacht’ in het enkelvoud gaat (3:16), waarmee uiteindelijk Christus wordt bedoeld. De zegen van Abraham is alleen te ontvangen via Hem.
Zo’n 430 jaar later heeft God vanaf de Sinaï Zijn wet gegeven. Heeft dat een verandering gebracht in Gods manier van omgaan met Zijn volk? Is Zijn belofte tenietgedaan en vervangen door Zijn eis? Geldt sinds de wetgeving dat we ons heil zelf moeten verdienen via onze werken? Beslist niet. De aan Abraham beloofde erfenis wordt nog altijd uit genade geschonken (3:18).
LEERMEESTER
Het slot van Galaten 3 bevat een ingewikkeld gedeelte. Petrus schreef al dat bij Paulus sommige dingen moeilijk te begrijpen zijn (2 Petr.3:16). Vanuit het voorgaande ligt de vraag ‘Waartoe dient dan de wet?’ voor de hand (3:19). Als ik Paulus goed versta, wil hij zeggen dat we door de wet onze zonden ontdekken. Rédding via de wet is uitgesloten. Ik beperk me tot de grote lijn. Alleen al over vers 20 schijnen ruim 400 verschillende opvattingen te bestaan. In ieder geval wordt er onderscheid gemaakt tussen de periode voor Christus en die vanaf Zijn verschijning. Het gaat om twee verschillende bedelingen.
Om de functie van de wet tot aan Jezus’ komst duidelijk te maken, gebruikt Paulus het beeld van een leer- of tuchtmeester (3:24). Te denken valt aan iemand die kinderen streng in de gaten hield. Als ze niet gehoorzaamden, kregen ze er geducht van langs. Het is een beeld van onvrijheid. Los van Christus kan de wet ons alleen maar aanklagen en laten zien hoe gebonden we zijn. We redden het zelf niet bij God.
BEKLEED
Christus’ komst heeft een enorm keerpunt betekend. Door het geloof in Hem ‘zijn wij niet meer onder een leermeester’ (3:25). Als kinderen van God zijn de Galaten vrij omdat ze met Christus zijn bekleed (een herinnering aan hun doop). Ze zijn met hun Heiland opgewekt tot een nieuw leven. Om dit geheim te kennen maakt het niet uit of je een Jood bent of een Griek, een slaaf of een vrije, man of vrouw (3:28). Jezus maakt allen één. De strekking van Paulus’ betoog is helder: het komt erop aan om enkel en alleen uit Christus te leven. Dat vraagt inderdaad een zorgvuldig onderscheiden tussen wet en Evangelie (zoals Luther zei). In het vervolg maakt Paulus dit meer concreet.
Ds. J.C. Schuurman is predikant van de hervormde gemeente te Capelle aan den IJssel.
Volgende week deel 3 in deze serie, de vrijheid in Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2017
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's