OP VIJANDELIJK TERREIN
Kerstverhaal
Van over de oceaan waait een zachte, kille westenwind het land op. Omhooggestuwd door de loodrechte rotsen wervelt ze om hem heen. Hij staat roerloos, vlak bij de rand, en kijkt met oude, tranende ogen naar beneden. Naar het strand. Al meer dan zeventig jaar proberen de trage golven de sporen weg te wassen van wat hier gebeurd is. Tevergeefs. Als hij hier staat, zijn de beelden in zijn geest nog even levendig als toen, op die verschrikkelijke dag.
En toch kijkt hij nu anders. Als vanuit een ander perspectief. Milder ook. En het gevoel van diepe pijn is door de jaren veranderd. Ergens, als een grondtoon uit de diepte, eerst onhoorbaar, later aanzwellend, is er nu ook dankbaarheid. En verlangen. Ja, ook verlangen. Het valt hem nu minder zwaar om terug te denken aan die dag, die volgde op de nacht vol angst en zeeziekte.
Zelf heeft hij er geen last van, maar om hem heen wordt gekotst en gekreund. Zijn uniform is doorweekt van het overspattende water. Zijn maat Ben zit links van hem, stil, ogen gesloten. Af en toe ziet hij in het vage ochtendlicht Bens lippen bewegen. Hij stoot hem aan en zegt, hard in zijn oor, boven het geluid van de golven, de wind, de motor en het kotsen uit: ‘Bid je?’
Bens ogen gaan open. Hij knikt. ‘Ben je niet bang om dood te gaan?’ zeggen zijn lippen. Hij kan het maar half horen. Hij haalt zijn schouders op. ‘Niet aan denken.’ ‘Ik ga dood, Steve,’ zegt Ben. ‘En wat moet ik dan tegen God zeggen?’
‘Ik ga dood, Steve,’ zegt Ben. ‘En wat moet ik dan tegen God zeggen?’
Hij zwijgt. Bens ogen zijn glimmende vlekken. ‘Ik heb er een puinhoop van gemaakt.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Valt wel mee, man. Je bent een beste vent.’
Ze voelen hoe het landingsvaartuig vaart mindert, en van koers verandert. De stem van kapitein George schalt door het vaartuig, helder boven al het geluid uit. ‘Hé boys! Check je spullen! Ready?’ Gekreun, gevloek, stemmen, gestommel. Wapens worden gecontroleerd, bepakking nog eens vastgesjord. De lucht wordt lichter, grijzig nu. Dan is er de zware stem van legerpredikant Johnson. ‘Luister! Je bent bang om dood te gaan, toch? Ik wel!’ Hij heeft de aandacht. Alle hoofden in zijn richting. ‘Maar weet één ding!’ buldert hij. ‘Dit is niet de eerste landing op een vijandelijke kust, en niet de belangrijkste!
Tweeduizend jaar geleden ging Jezus jou voor! Hij landde pas echt behind enemy lines. Op vijandelijk terrein, midden in het machtscentrum van de vijand, de overste van de wereld. In een stal in Bethlehem. Hij had geen luchtsteun, geen paratroepers die Hem ondersteunden en geen slagschepen die voor dekking zorgden! En: Hij overwon de vijand voor eeuwig en altijd, en dat deed Hij voor jou en voor mij! En daarom kunnen we nu gaan en overwinnen we onze angst, want in Hem is onze kracht en onze hoop! Zeg het me na! Zeg: “In Hem is onze kracht en onze hoop!”’
‘In Hem is onze kracht en onze hoop!’ Veertig mannenstemmen. Negenendertig. Steve zwijgt. ‘Zo is het! Belijd Hem je zonde. Natuurlijk ben je een rat, een zondaar en een slechterik. Maar dat is voor Hem geen belemmering om jou te redden! Vertrouw je aan Hem toe, boys. No fear! Hij is je voorgegaan en heeft de strijd al voor je gestreden. Daarom kunnen wij nu ook gaan, ook al kan deze dag je laatste zijn. Let’s pray!’ Steve houdt zijn ogen open, laat het gebed langs zich heen gaan. De motor van de boot begint te brullen. De kapitein roept, dwars door het gebed heen: ‘Amen! Be sharp, boys! Ga met God!’ Ze komen overeind, gaan in een rij achter de landingskleppen staan. Achter hen barst een inferno los: de slagkruisers storten een regen van granaten op de kust van Normandië. De kustlijn lijkt in het schemerduister wel een knetterende kabel waar een regen van vonken afvliegt. Steve voelt hoe het vaartuig meer vaart krijgt, nu meer door de golven heen snijdt dan er op rond te stampen. Hij staat klem tegen Ben aan, Bens rugzak drukt tegen zijn borst. Steve checkt voor de zoveelste keer zijn spullen. Ze hebben dit steeds opnieuw geoefend. Hij weet dat als ze straks overboord gaan, ze de eerste honderd meter niet hoeven te denken aan schieten. Alleen maar aan blijven bewegen, blijven bewegen, dekking zoeken. Het wordt nu snel lichter. Hij gaat op zijn tenen staan en kijkt over de rand van het landingsvaartuig. Om hen heen schuift een enorme hoeveelheid vaartuigen in de richting van de kust. Honderden en honderden. De meesten zijn voorzien van een stalen voorklep die straks naar beneden zal klappen om hen los te laten op de vijand, daar verderop in hun schuttersnesten en bunkers. Hij laat zijn ogen over de kust gaan. Hoge duinen. Hier en daar ziet hij nu een zware vuurmond vuur spuwen. Granaten slaan in tussen de schepen. Hij kijkt vooruit, schat de afstand in, en laat zich dan terugzakken achter de stalen wand van het schip. Hij tikt op de helm van Ben. Die draait zijn hoofd. ‘Hou je taai!’ roept hij.
Ben kijkt hem aan. Er is een onverwachte rust in de grijze ogen te zien, Steve is er verbaasd over. Dan knikt Ben. Hij wurmt iets uit een zak van zijn uniform en stopt het in Steves hand. ‘Geef dit aan mijn vrouw. Jij gaat het redden, Steve. Wil je dat doen?’
Steve kijkt naar het kleine, vierkante pakje. Hij wil van alles zeggen, wil weigeren, wil... ‘Boys! Nog één minuut!’ brult de kapitein. Steve kijkt Ben aan, knikt, en stopt het pakje in een knoopzakje van zijn uniform. De klep zakt langzaam naar beneden. Er klinken felle tikken. Steve beseft wat dit betekent. Ze liggen nu in de vuurlinie.
De kapitein wurmt zich naar voren. De mannen kennen de procedure. Hij draait zich om, steekt één hand op. Alle mannen staan op scherp. De boot schraapt over de bodem, bonkt, en loopt dan vast op een ondiepte. Dan roept hij: ‘Klep neer!’ De klep valt ratelend naar beneden. ‘Go! Go!’ De kapitein springt zonder aarzelen uit het vaartuig, zakt tot zijn borst in het water. Zijn wapen houdt hij boven zijn hoofd en sprongsgewijs loopt hij in de richting van het strand. Een paar tellen later liggen ze allemaal in het water.
‘Verspreiden!’ hoort hij nog vaag de stem van de kapitein. Hij is Ben kwijt. Er is zout water in zijn ogen, in zijn mond, in zijn oren. Hij proest, struikelt, zijn zware bepakking trekt hem naar beneden. Een golf slaat over hem heen. Hij komt weer boven, worstelt. Hij stoot tegen iets, veegt het water uit zijn ogen, duwt het opzij. Het is een lichaam, hij meent vaag het gezicht van John Bayer te herkennen dat langs hem glijdt. Naast hem slaat een serie kogels in, hij ziet de baan van de inslagen zijn kant op bewegen, duikt onder, worstelt onder water verder. Iets rukt aan zijn rugzak, hij weet weer boven water te komen, voelt nu onverwachts stevige grond onder zijn voeten. Gebukt rent hij verder, door de branding. Het strand.
Dat is wat zijn oude, tranende ogen zien als hij naar beneden kijkt. Diezelfde beelden die nooit meer uit zijn geheugen zijn gegaan. De kogelregen om hem heen. De gevallen kameraden. De kleine, veilige haven, een duintop midden op het strand, waar ze met vijftien overlevenden achter wegschuilden. Zich hergroepeerden. De kapitein was er bij. Hij bracht uiteindelijk negen van hen levend onder aan het duin. Steve was er één van. Aan het einde van de middag hadden ze de verdedigingslinie ingenomen en stond hij hier, precies op deze plek.
De dood is nu heel dichtbij, op grijpafstand, dat voelt hij wel. Het is goed, hij mag komen
Duizelig, hongerig, doof van de enorme explosies om hem heen. Vandaag, zeventig jaar later, staat hij er weer. Elk jaar denkt hij: dit is vast mijn laatste keer. ook op dit moment. Achtentachtig jaar oud. En hij rijdt nog auto. Maar de dood is nu heel dichtbij, op grijpafstand, dat voelt hij wel. Het is goed. Hij mag komen, want hij jaagt geen schrik meer aan.
Toen, destijds, was hij er niet klaar voor om te sterven. Dat besefte hij achteraf pas, toen hij los was gekomen van zijn harde onverschilligheid. Toen hij aan het einde van die dag weer was afgedaald naar het strand en daar Ben had gevonden. Stervend. Hij was neergevallen naast zijn vriend, had zijn hand gegrepen en Bens ogen waren open gegaan. ‘Steve,’ fluisterde hij. ‘Het is waar. Ik hoef niet bang te zijn. Want Hij... deed het. Ook voor mij.’ ‘Je gaat niet dood, Ben!’ had hij geroepen. ‘We lappen je op, daar is de hospik al!’
Ben had met een heel kleine beweging zijn hoofd geschud. ‘Jij ook.’ Meende Steve te horen. ‘Wat moet ik doen Ben?’ vroeg hij. ‘Wat moet ik ook doen?’ ‘Jezus...’ begon Ben, maar de zin werd nooit afgemaakt.
Steve staart naar beneden. Het wordt al een beetje schemerig. ‘Ik heb gedaan wat je zei dat ik moest doen, vriend,’ fluistert hij tegen de wind in. ‘En Hij heeft mij gevonden.’
Lange tijd staat hij daar nog, tot het bijna donker is. Dan draait hij zich om. ‘U hebt het gedaan.’ Hij laat zijn woorden met de wind meevoeren, in de richting van het dorpje verderop, waar de kerstverlichting al is ontstoken en het licht van een grote kerstboom tegen de kerktoren valt.
Iedere vorig jaar stond hij na een paar passen stil, om nog één keer om te kijken. Met besef dat het wel eens de laatste keer zou kunnen zijn. Maar dit jaar niet. Hij loopt door, zijn blik gericht op de verte, een glimlach om zijn mond. Alsof hij iets heeft om naar uit te zien.
Leendert van Wezel (1970) is lid van het college van bestuur van het Wartburg College in Rotterdam en schrijver. Van Wezel schreef enkele novelles, waaronder Stenen hart (2003), Dal van Dura (2004) en Bladstil (2006). In 2012 kwam zijn roman Nynke uit, over een jonge vrouw uit de zestiende eeuw die van hekserij wordt beticht. Ook schreef Van Wezel verschillende jeugdboeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2017
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2017
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's