HEILZAAM EENZIJDIG
De Dordtse Leerregels na 400 jaar (4, hoofdstuk III/IV)
In het derde en vierde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels gaat het vooral over de toepassing van de volkomen verdienste van Christus. Daarmee komen we op het gebied van het werk van de Heilige Geest. Hoe treft Hij ons aan?
Hoofdstuk III/IV heeft als ondertitel: over de verdorvenheid van de mens en de bekering tot God en de wijze waarop zij zich voltrekt. Kernvragen zijn: hoe vindt de Heilige Geest ons als Hij tot ons komt in de verkondiging van het heilig Evangelie? Wat valt er van ons te verwachten? Hoe komt het nu dat er mensen zijn die tot geloof komen, terwijl het Evangelie anderen koud laat?
Op dit moment valt het woord ‘wedergeboorte’. Wat bedoelen we daarmee?
NIET ONBETWIST
Terwijl ik dit schrijf, zijn we 400 jaar verder. Wat in Dordt gecanoniseerd werd, is niet onbetwist gebleven. Ook niet binnen de kerken die zeggen zich gehouden te weten aan de ‘drie formulieren’. Inmiddels klassiek zijn gesprekken over de verhouding van verkiezing en verantwoordelijkheid. Als ik me niet vergis, is dat vandaag beslecht ten koste van de verkiezing en ten gunste van de verantwoordelijkheid die je als hoorder hebt.
Veel gemeenten en kerkenraden hebben zich de afgelopen jaren moeten verhouden tot overwaaiende en binnenkomende ‘evangelische invloeden’. Godsbeeld, mensbeeld en je visie op het hoe van persoonlijke redding zijn daarbij van vitaal belang gebleken. Ik wil drie onderwerpen aansnijden. In de eerste plaats het mensbeeld van Dordt. In de tweede plaats de noodzaak van de wedergeboorte. Ten slotte staan we stil bij hoe deze beide zich verhouden tot de bediening van het Woord.
MENSBEELD
Wanneer wij spreken over mensbeeld, moeten we onderscheid maken tussen de mens als schepsel van God en de mens als zondaar. Hoofdstuk III/IV gaat over dat laatste. Het bespreekt de vreselijke gevolgen van de zondeval. Het beeld is somber, maar reëel. Toen Adam God ongehoorzaam werd en naar de duivel luisterde, kwam hij terecht in de geestelijke dood. In die geestelijke dood worden wij allen geboren. Ik ben duister, leeg, verkeerd, weerspannig, hard en bovendien onzuiver. Ik ben ‘niet in staat tot enig zaligmakend goed, geneigd tot het kwaad.’ Ik ben niet bereid en ook niet bij machte om mezelf te verbeteren of zelfs een poging daartoe te doen. Ik ben nooit meer in staat om op eigen kracht God terug te vinden. Totaal verdorven. Zó diep gevallen, zó verworden dat er zonder de genade van de Heilige Geest geen enkele hoop is. Met deze donkere woorden beschrijft Dordt de geestelijke werkelijkheid waarin de verkondiging van het Evangelie plaatsheeft. De woorden van het eeuwige leven worden gericht tot geestelijk doden. Wat mag je van de hoorder verwachten? Niets. Tenzij! Het woord van het leven komt tot geestelijk doden, die verslaafd zijn aan de zonde en daarom onder Gods brandende toorn liggen.
In de toepassing van het heil dat Christus verdiende, gaat het eenzijdig toe
ONZE AFKOMST
Een belangrijke vraag is of wij deze afkomst (h)erkennen. Hebben wij hier weet van? Ze is namelijk bijbels en daarom onopgeefbaar. Als Paulus met de Efeziërs terugblikt, schuwt hij niet om de sterkste woorden te gebruiken. ‘U die dood was door de overtredingen en de zonden.’ (Ef.2:1) Ds. G. Boer zegt het ergens zo: ‘We liggen allemaal op dezelfde hoop. Op de schroothoop, in de dodemanszak, daar vindt God ons. Een ontroerende afkomst!’ Is dit de manier waarop wij als christenen naar onszelf hebben leren kijken? Wie zijn afkomst vergeet, loopt gevaar naast z’n schoenen te gaan lopen. Als ik Efeze 2 goed begrijp, is het nodig dat de levende gemeente hieraan herinnerd wordt. Dat mogen we nooit vergeten, willen we de genade niet verdoezelen.
Dit bijbelse mensbeeld is tegelijk ook het einde van elk spreken over een ‘aanknopingspunt’ in de mens. Dat geldt ook de moderne mens. Wij hoeven in onze eeuw niet te rekenen met een aparte aanpak. Er is geen aanknopingspunt. Er is geen ankerplaats voor het Evangelie. Wie daar wel mee rekent, die rekent zich te rijk.
WEDERGEBOORTE
Dordt zegt: de Heilige Geest haakt Zelf aan. Wij zijn gewend aan de tweeslag ‘Woord en Geest’. Bijbels gezien gaat de Heilige Geest echter aan het Woord vooraf (III/IV.6). Hier wordt de volstrekte noodzaak van de wedergeboorte, die eenzijdig door de Heilige Geest bewerkt wordt, beleden. De God Die verkiest, is ook de God Die krachtdadig roept. Geloof en bekering worden hier beleden als gaven, geschenken van God.
Deze noodzaak van de wedergeboorte is verontrustend. Ze leert ons dat we geheel en al aangewezen zijn op God en Zijn kracht in ons leven. Sommigen vinden dat ergerniswekkend. ‘Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.’ (Joh.3:3) Dat is verontrustend. Ik moet wederom geboren worden. En mijn Bijbel zegt dat ik die wedergeboorte zelf niet kan bewerken. Wie zich dat toe-eigent, heeft het niet zo breed. De prediking van de noodzaak van de wedergeboorte vraagt daarom om een pastoraal kader. Niet om eraan voorbij te gaan, maar om het in het juiste perspectief te zetten.
PASSAGE
‘Wedergeboorte’ brengt velen in verlegenheid. Is dat misschien de reden dat dit onderwerp zo weinig aan de orde komt? Ik zie dat als een bedreiging. Ik word níet geboren met het geloof in mijn hart. Om het Koninkrijk van God binnen te kunnen gaan is een passage nodig. Uiteraard moet de gemeente onderwijs krijgen in het normale christelijke leven. Maar toch zal iedere hoorder van het Evangelie eerst persoonlijk een kind van God moeten worden, willen we hem verder kunnen onderwijzen in geestelijke groei en discipelschap. Waar de wedergeboorte ontbreekt, verwordt het geloof tot een kunstbloem. Dan vervlakt het geloof tot religie en moraal. Eerlijker nog: ontbreekt het geloof dan niet?
DOOR HET WOORD
Van groot belang is waar Dordt de wedergeboorte ziet gebeuren. Het verloopt niet in het stichtelijke en mystieke. De Heilige Geest bedient Zich van het gepredikte Evangelie. Als zodanig is de wedergeboorte ook niet hét thema van de verkondiging, Christus is dat. Christus met al Zijn schatten en gaven, waarvan de wedergeboorte er één is. Waar Christus in de verkondiging hoog wordt opgeheven (Joh.3:14-15), daar voltrekt zich dit wonder. Onder de verkondiging van de Gekruisigde wordt deze genade uitgedeeld en geschonken. De herschepping vindt plaats door het Woord.
De Leerregels van Dordt belijden een uitwendige en een inwendige roeping. Dat is niet om het uitwendige als ‘slechts uitwendig’ af te doen. Wel om te stellen dat de krachtdadige roeping van God verborgen ligt in de prediking, maar er niet mee samenvalt. Daarmee staan we op bijbelse bodem. Paulus maakt in 1 Korinthe 1:23-24 onderscheid tussen ‘prediking’ en ‘roeping’. ‘Wij prediken een gekruisigde Gezalfde, voor Judeeërs wel een aanstoot, voor wereldlingen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, zowel Judeeërs als Grieken, een Gezalfde Die kracht van God is en wijsheid van God.’
Prediking en roeping vallen dus niet samen. Daarom bidden wij vurig om de bediening van de Heilige Geest als we ons als gemeente onder het Woord stellen. Dat is als verkondiger mijn diepste verlegenheid: de krachtdadige werking van de Heilige Geest. Zij is de broodnodige, onmisbare onderstroom van alle prediking. Prediking kan afglijden, maar Gods roeping is altijd krachtig en trefzeker.
ZONDER ONS
Dordt veegt elke zelfroem van tafel. Ook in de toepassing van het heil dat Christus verdiende, gaat het eenzijdig toe. Heilzaam eenzijdig wat mij betreft. Dit is bevrijdend Evangelie voor wie ‘de doodstaat’ geen kreet, maar een werkelijkheid is. De Heere werkt de wedergeboorte onder de bediening van het Woord, ‘zonder ons in ons’.
Dat is ondertussen ontroerend innig verwoord. Dat is bevinding. Geloofservaring die ik niet op een rij krijg. Toch heeft de gelovige er weet van en heeft hij er ook gevoel bij. ‘Intussen vinden zij daarin rust, dat zij weten en gevoelen dat zij door deze genade van God van harte geloven en hun Zaligmaker liefhebben.’ (III/ IV.13) Waar deze wedergeboorte is, daar is ze tastbaar. Daar gaat het hartelijk toe in geloof en liefde.
Hoofdstuk III/IV is verootmoedigend. Ze is ook een bron van blijvende verwondering voor de levende gemeente, een verwondering die ons tot aanbidding wil brengen. ‘Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat U het hebt gedaan!’ Zonder mij. ‘Deze God komt alleen alle heerlijkheid toe, zowel vanwege de middelen als de zaligmakende vrucht en kracht ervan, in eeuwigheid. Amen.’ (III/IV.17)
Ds. J.J. Mulder is predikant van de hervormde gemeente te Hedel.
Volgende keer deel vijf (slot) in deze serie, over de volharding van de heiligen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's