IK VERKLAAR JE MIJN LIEFDE
Doelgerichte prediking [2]
Bijbels gezien is het verbond van fundamenteel belang voor de prediking, in het bijzonder als het gaat over doelgerichte prediking die gericht is op God en op een levende relatie met deze God.
Wanneer het gaat over het verbond, dan is Genesis 17 een klassieke sleuteltekst. Hier lezen we dat de HEERE een verbond sluit met Abraham en zijn nageslacht. Meteen wordt daarbij de grondstructuur van het verbond duidelijk. De kern van de zaak vinden we in vers 7 en 9. In vers 7 klinkt de belofte: ‘Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.’ In vers 9 klinkt de eis: ‘En wat u betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door.’ Beide elementen, belofte en eis, horen onlosmakelijk bij elkaar en houden elkaar in balans. Wanneer de belofte ontbreekt, dan blijft alleen de eis over en wordt een mens teruggeworpen op zichzelf. Wanneer de eis ontbreekt, dan blijft er een verbondsautomatisme over dat God uiteindelijk niet nodig heeft. Maar waar beide functioneren, kun je op details van elkaar verschillen, zonder dat er grote ontsporingen ontstaan.
CALVIJN
Het is de moeite waard om na te gaan hoe Calvijn, een van de reformatoren, deze woorden over het verbond in Genesis 17 uitlegt. Ik noem enkele basisgegevens uit zijn commentaar op Genesis zoals dat verschenen is in 1564, dus nog na de verschijningsdatum van de standaardeditie van de Institutie (1559).
Calvijn betrekt het verbond met Abraham in eerste instantie op het volk Israël, maar vervolgens ook op de gelovigen uit de heidenen. Hij schrijft dat God in de tijd van de verbreiding van het Evangelie de heidenen gelijk heeft gemaakt met de natuurlijke zonen van Abraham, en dat het nageslacht van Abraham betrekking heeft op heel de Kerk. In aansluiting hierop schrijft hij dat het verbond geestelijk is bedoeld. Het verbond heeft dus niet alleen betrekking op het tegenwoordige leven en op aardse goederen (het aardse land Kanaän), maar vooral op het eeuwige leven. Deze grondlijnen worden in de latere gereformeerde theologie uitgewerkt. Belangrijke schriftteksten daarbij zijn onder andere Galaten 3, Romeinen 4 en Efeze 2. Het zijn teksten die ons vrijmoedigheid geven om in onze doopdiensten Psalm 105:5 te zingen: ‘Het verbond met Abraham Zijn vrind bevestigt Hij van kind tot kind.’
Je hoeft niet eerst te weten of je uitverkoren bent, je hoeft niet eerst aan allerlei voorwaarden te voldoen
Belangrijk voor de visie op verbond en gemeente is ook het volgende: Calvijn keert zich tegen hen die het verbond willen beperken tot de uitverkorenen. Volgens hem zijn alle Israëlieten in de tijd van het Oude Testament leden van de kerk, kinderen van God en erfgenamen van het eeuwige leven geweest. Daarbij schrijft hij: ‘Voor allen gemeenschappelijk was de belofte waardoor de Heere hen tot kinderen had aangenomen.’ Tegelijk maakt de reformator een duidelijk onderscheid. Hij spreekt over een dubbele reeks van kinderen in de kerk: echte en onechte kinderen van God. De oorsprong van dit onderscheid ligt volgens Calvijn in de uitverkiezing die voor ons verborgen blijft. Wel wordt dit onderscheid voor ons zichtbaar in het onderscheid tussen geloof en ongeloof.
ZORGVULDIGHEID
Met de uitleg van Calvijn is niet het laatste over het verbond gezegd, ook niet in de geschiedenis van de Gereformeerde Bond. Wie zich hierin verdiept, vindt allerlei nuanceringen, ook verschillen. Bekend is de discussie tussen enerzijds ds. I. Kievit, de theoloog die heeft geschreven over tweeërlei kinderen van het verbond en waarschuwde tegen verbondsautomatisme, en anderzijds dr. J.G. Woelderink, die alle aandacht concentreerde op de objectiviteit van de verbondsbeloften en waarschuwde voor het gevaar dat de verbondsbeloften afhankelijk worden gemaakt van geestelijke ervaringen.
In de verzamelbundel van artikelen uit De Waarheidsvriend (J. van der Graaf (red.), Vast en zeker! Aspecten van het verbond Gods, Kampen, 1974) schrijven bekende bondspredikanten over het verbond. Wat mij bij het lezen opviel, is de zorgvuldigheid waarmee de verschillende scribenten recht willen doen aan zowel de belofte als de eis van het verbond. Eensgezind kiezen zij voor de lijn van Calvijn, namelijk dat de beloften van het verbond niet alleen betrekking hebben op de uitverkorenen of de ware gelovigen, maar op heel de gemeente van Christus, op soortgelijke wijze als op het volk Israël. In de doop krijgt iedere dopeling het teken en zegel van Gods verbond: ‘Ik ben de Heere uw God.’ Hiermee belooft de hemelse Vader dat Hij ons als Zijn kinderen aanneemt, hiermee belooft Gods Zoon dat Hij ons reinigt van onze zonden, hiermee belooft de Heilige Geest dat Hij in ons wil wonen en werken (doopformulier).
TROOST
Het is belangrijk dat de verbondsbeloften helder worden verkondigd. Alleen zo wordt duidelijk dat neutraliteit is uitgesloten, dat alleen de HEERE recht heeft op ons leven, en dat Hij alleen ons heil is. In sommige afgescheiden kringen wordt verkondigd dat de gedoopte kinderen wel leven op het erf van het verbond, maar dat de verbondsbeloften niet voor hen zouden zijn. Op zo’n manier krijg je misschien wel een logisch kloppend schema, maar in de Bijbel wordt nergens gesproken over het erf van het verbond. Iedere Israëliet is een verbondskind en deelt in de beloften van het verbond met Abraham. Er is geen misverstand over mogelijk: ‘Je hoort niet bij de wereld, je hoort niet bij de afgoden of de duivel, maar je hoort bij Mij, Ik ben de HEERE uw God!’
Deze radicaliteit geeft kracht aan de prediking, ook vandaag. Je hoeft niet eerst te weten of je uitverkoren bent, je hoeft niet eerst aan allerlei voorwaarden te voldoen. Het wordt je aangezegd, nog afgezien van wat je ermee doet: ‘Ik ben de HEERE uw God.’ Ik ben je Schepper. En niet alleen dat, Ik ben de God van het verbond. Ik ga een relatie me je aan, Ik verklaar je Mijn liefde, Ik geef je het teken en zegel dat je hoort bij Mij.’
De verkondiging van deze verbondsbeloften geeft een geweldige troost die ook voor mijzelf steeds meer is gaan leven. Een troost, in het bijzonder als je twijfelt aan jezelf, als je je geloof kwijt bent, als je er niets meer van voelt of ervaart: ‘Je bent gedoopt, ingedoopt in de Naam van de drie-enige God; Hij heeft het Zelf gezegd: je bent van Mij.’
VERBONDSVLOEK
Wanneer wij zeggen dat de verbondsbeloften betrekking hebben op alle verbondskinderen, komt vanuit afgescheiden of evangelische hoek nogal eens de verwijtende vraag of wij denken dat de doop zalig maakt en dat alle gedoopte kinderen als vanzelfsprekend gered zijn. Het beste antwoord blijft het dichtste bij de Heilige Schrift.
Het eerste basisgegeven dat zich aandient, ligt in de verbondseis bij de verbondsbelofte: ‘En wat u betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door.’ (Gen.17:9) Waar gaat het om in deze verbondseis? Om een levende relatie met de God van het verbond: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. In dit verband spreekt de Heilige Schrift niet alleen over de verbondszegen maar ook over de verbondsvloek. In Deuteronomium, het verbondsboek bij uitstek, worden de zegeningen uitgemeten, bijvoorbeeld in Deuteronomium 4:7: ‘Want welk groot volk is er waar de goden zo dichtbij zijn als de HEERE onze God bij ons is, altijd als wij tot Hem roepen?’ En in Deuteronomium 4:20: ‘Maar u heeft de HEERE genomen en uit de ijzeroven, uit Egypte geleid, om voor Hem tot een erfvolk te zijn...’
Tegelijk klinkt de eis, bijvoorbeeld in Deuteronomium 4:23-24: ‘Wees op uw hoede, dat u het verbond van de HEERE uw God, dat Hij met u gesloten heeft, niet vergeet... Want de HEERE uw God is een verterend vuur, een na-ijverig God.’ In de laatste hoofdstukken van Deuteronomium (hoofdstuk 28-30) worden de verbondszegeningen bezongen, maar tegelijk wordt indringend gewaarschuwd voor de verbondsvervloekingen.
LEVENDE RELATIE
Het is een grondpatroon in heel het Oude Testament dat de beloften van het verbond onlosmakelijk verbonden zijn met de eisen van het verbond, dat wil zeggen dat het verbond vraagt om het antwoord waarin Gods liefde wordt beantwoord en het verbond resulteert in een levende relatie met God. Ook is het een grondpatroon in de profetische prediking dat hier een fundamenteel onderscheid in beeld komt tussen de kinderen van het verbond. In het Nieuwe Testament wordt dit grondpatroon niet vager, eerder duidelijker. Ter illustratie noem ik enkele gegevens uit het eerste Evangelie. Mattheüs maakt melding van Johannes de Doper die preekt over de scheiding tussen koren en kaf op de dorsvloer (Matt.3:12). Het is allermeest de hoogste Prediker Die separerend preekt wanneer Hij de verbondskinderen aanspreekt. Van meet af aan klinkt in de prediking van Jezus de oproep tot bekering (Matt.4:17). Ronduit ontmaskerend is de Bergrede, eveneens een preek voor het verbondsvolk: ‘Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan. Maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden’ (Matt.7:13-14). Indringend spreekt Jezus over goede en slechte bomen die je kunt herkennen aan hun vrucht, zoals in Mattheüs 7:21 ‘Niet ieder die tegen Mij zegt: HEERE, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader Die in de hemelen is.’ Veelzeggend sluit Hij de Bergrede af met de gelijkenis van de wijze en de dwaze bouwer.
VERDRAAGLIJKER
Wie verder bladert in het Mattheusevangelie, vindt de voorbeelden voor het oprapen. Ronduit zegt Christus dat het voor heidense steden als Tyrus, Sidon en Sodom verdraaglijker zal zijn in de oordeelsdag dan steden vol verbondskinderen zoals Kapernaüm (Matt.11:20-24). Denk ook aan de gelijkenissen in Mattheüs 13: het zaad dat wel of geen vrucht voortbrengt, het onkruid tussen de tarwe, en het visnet waarin goede en slechte vis gevangen wordt. Verderop vinden we de gelijkenissen van de twee zonen (Matt.21: 28-32), de slechte landbouwers (Matt.21:33-46), de koninklijke bruiloft (Matt.22:1-14), de wijze en dwaze meisjes (Matt.25:1-13) en de woorden van Christus over de toekomstige scheiding in het laatste oordeel (Matt.25).
Ds. J.B. ten Hove is predikant van de wijk Vredeskerk/de Hoeksteen van de hervormde gemeente Veenendaal.
Volgende week deel drie (slot) in deze serie, over prediking die gericht is op een levende relatie met de drieenige God van het verbond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's