GELOOFSVOLHARDING
De Dordtse Leerregels na 400 jaar (5, slot)
Wie in Christus gelooft, is in Gods oog geen zondaar meer. In de praktijk doet een christen echter nog dagelijks zonde. De heerschappij van de zonde mag gebroken zijn, de dagelijkse zonden van zwakheid zijn nog bittere realiteit. Het nieuwe leven is geen pretpark maar strijdperk.
Dat is wat de Dordtse Leerregels (DL) in hoofdstuk V bijbels en realistisch aangeven. Het besef dat je in je zelf een zondaar blijft, maakt je klein en geeft reden je voor God heel klein te maken. Het drijft je dagelijks naar de gekruisigde Christus toe. Je bent genoodzaakt steeds weer Golgotha aan te doen. De kruisheuvel is een dagelijkse vluchtheuvel.
GODS TROUW
Vragen we echter aan de Dordtse vaderen: zou het met een gelovige mis kunnen gaan? Dat die vanwege de overgebleven zonde God kwijtraakt en de eeuwige erfenis mist, dan zeggen ze: dat is onmogelijk. Vanwege de trouw van God. ‘Maar God is getrouw...’ De volharding der heiligen die in hoofdstuk V beleden wordt, is ten diepste de volharding van de Heilige. God laat niet los wat Zijn hand begon. Wat in hoofdstuk V beleden wordt, vloeit voort uit de belijdenis van de goddelijke verkiezing in hoofdstuk I. Wie de verkiezing belijdt, moet ook de volharding belijden. God is de Alpha en de Omega. Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Deze belijdenis strijdt wel met onze dagelijkse ervaring. Wie kan geen voorbeelden noemen van mensen bij wie het anders ging? Jongeren die belijdenis deden, maar de kerk vaarwel zeiden. Ambtsdragers die zich vol enthousiasme voor de gemeente hebben ingezet, maar verbitterd zijn afgehaakt. Wat is dat pijnlijk, zeker als het je eigen kind is. Toch beginnen we iedere kerkdienst met het votum: God laat niet los wat Zijn hand begon. Dat is een pleitgrond bij het gebed voor geliefden die dreigen af te haken. De remonstranten maken de volharding afhankelijk van de eigen inzet. Dat maakt ons behoud uiterst onzeker. We kunnen het misschien lang volhouden, vechten tegen de zonde, heilig leven, we doen ons best, we zetten ons schrap, maar het kan altijd misgaan. Dordt zegt: dat zou zeker gebeuren als je aan je eigen krachten werd overgelaten. Maar God doet geen half werk. Hij bevestigt Zijn kinderen in de genade die hun eenmaal gegeven is en bewaart hen met kracht tot het einde toe.
VAL
Dit betekent niet dat je als gelovige niet diep kunt vallen. God bewaart ons niet zoals je kostbare voorwerpen in een kluis bewaart, maar zoals je je kinderen bewaart. Ze krijgen ruimte, waardoor ze soms hun neus stoten. Daar leren ze ook van. Het risico is wel dat het behoorlijk mis kan gaan. De Leerregels noemen het voorbeeld van David en Petrus. Ze verslapten in waken en bidden en vielen ten prooi aan de verrassingsaanvallen van de boze. Op de vraag van een leerkracht hoe David zo diep kon vallen, antwoordde een kind: ‘Ik denk dat hij die morgen zijn gebed vergeten was.’ Laten we ook waken voor elkaar, niet uit bemoeizucht maar uit liefde en in het besef dat we binnen de gemeente verantwoordelijk zijn voor elkaar.
De Dordtse Leerregels beschrijven in artikel 5 aangrijpend hoe diep de val kan zijn. Zo diep dat we ons afvragen: is er wel een volharding der heiligen? Toch bewaart God Zijn kinderen ook in het donkerste dal waarin ze door eigen schuld terechtkomen. Gods kinderen vallen nooit zo diep of onder hen zijn eeuwige Vaderarmen. De drie-enige God staat er garant voor (art.V.8): Gods heilsplan wordt niet veranderd, de voorbede van Christus wordt niet onderbroken, de Heilige Geest heeft Zijn onuitwisbaar stempel op je gedrukt. Je behoud ligt dus drie keer vast.
ZEKERHEID
Waar zie ik het aan dat God me vasthoudt? Het staat wel mooi in zwarte letters op het witte papier van mijn kerkbijbeltje, maar ervaar ik dat zelf ook zo? Ja, en wel hieraan dat God me met berouw tot Hem doet terugkeren. De volharding der heiligen is niet alleen een mooie theorie maar levensechte ervaring. Gelovigen kunnen er zelf verzekerd van zijn. De praktijk is helaas dat deze zekerheid vaak ontbreekt. Hoe vaak hoor je niet op huisbezoek: je kunt het toch niet zeker weten? Dat klinkt ernstig, maar is de roomse positie: een gelovige heeft alleen zekerheid door een bijzondere openbaring.
Ook de remonstranten geloofden dat er geen volstrekte zekerheid kon zijn, en dat is te begrijpen: als het van je eigen stugge volharding afhangt, kan het inderdaad altijd nog misgaan.
BELOFTEN
De grond van deze zekerheid ligt in het geloof in de beloften van God. Ik kan ze nalezen in mijn bijbeltje en God heeft de bevestiging ervan op mijn voorhoofd gedrukt in de heilige doop. Als we spreken over Gods beloften, dan hebben we het over Hem in Wie al Gods beloften voor ons vlees en bloed geworden zijn: Jezus Christus. Wanneer ik in geloof op Jezus zie, zie ik in Hem al Gods beloften aan mij vervuld. God leert Zijn kinderen te midden van twijfel (vanbinnen) en aanvechting (vanbuiten) hangen aan het reddingstouw van Zijn beloften.
De vrijmoedigheid om dat te doen ontvangen we door de Geest, Die met onze geest getuigt dat wij kinderen en erfgenamen van God zijn. In dat getuigenis van de Geest gaat het niet om iets anders, maar om de keerzijde van het geloof in Gods beloften. De Geest vestigt ons oog zo overtuigend op de belofte van God dat we ons laten overtuigen.
De Leerregels verbinden deze zekerheid ook aan het ernstige en heilige ijveren voor een goed geweten en voor goede werken. Hier luistert het nauw. Het geloof berust nooit op de optelsom van veranderingen die ik bij mezelf waarneem. Maar wanneer ik mij in geloof aan Jezus toevertrouw, zorgt Hij ervoor dat er in mijn leven daadwerkelijk iets van zichtbaar wordt.
MIDDELEN
De remonstranten wierpen tegen dat de belijdenis van de volharding der heiligen zorgeloze christenen zou kweken. Dat is het verwijt van een buitenstaander die vreemd is aan het leven met God. Wie dit leven van binnenuit kent, redeneert anders. Het geloofsleven draagt het stempel van de liefde. Niets is er voor Gods kinderen erger dan dat de gemeenschap met God verbroken is. Want zeg nu zelf: al komt het uiteindelijk goed, het is toch erg om zo’n liefdevolle God kwijt te raken – al is het maar voor een ogenblik. Veel meer dan een aanleiding tot zorgeloosheid en lichtzinnigheid, leidt het vertrouwen van de volharding tot een grote zorg om de middelen te gebruiken die God gegeven heeft: het horen, lezen en overdenken van het Evangelie en het gebruik van de sacramenten. In de voortgang van het genadeleven groei je niet boven de genademiddelen uit, je groeit er steeds meer in (dr. W. Verboom).
Opnieuw valt op hoeveel waarde de Dordtse vaderen aan de prediking hechten (zie ook bijv. art.1). De prediking heeft grote invloed op de ontwikkeling van het geloofsleven. Waar de Leerregels Gods werk centraal stellen, roemen in Zijn trouw en barmhartigheid, dient de prediking navenant te zijn. Niet mensmiddelpuntig maar theocentrisch.
Hier ligt een grote verantwoordelijkheid voor de dienaar van het Woord. Waar in de prediking een verschuiving plaatsvindt van de grote werken van God naar wat de mens doet en ervaart, verliezen we de troost en de zekerheid die Dordt ons aanprijst.
GENADIGE BARMHARTIGHEID
Leerstukken zijn net stukken leer, zei een befaamd prediker ooit. Niet te verteren. Op de Dordtse Leerregels is dit oordeel niet van toepassing. De leer is de vorm waarin het geheim van de liefde wordt bewaard (dr. W. Dekker). De Leerregels geven zelf aan: door de bruid van Christus wordt deze leer (van de volharding) als een onwaardeerbare schat innig liefgehad en standvastig verdedigd.
Het is genade om te mogen geloven. Het is een nog grotere genade te mogen volharden in het geloof als je midden in de rauwe werkelijkheid staat. Dat is Gods genadige barmhartigheid (art.8). Daarom eindigt hoofdstuk V, en daarmee de Dordtse Leerregels als geheel, met een lofprijzing: deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
Ds. H. Russcher is predikant van de hervormde wijkgemeente rond de Oude kerk te Veenendaal.
GEEN ZONDAAR MEER
Soms heb je zomaar een diepgaand gesprek met een volslagen onbekende. Het overkwam mij tijdens een wandeling in het bos. Een man van middelbare leeftijd sprak me aan. Uit zijn Vlaamse tongval maakte ik op dat hij een van onze zuiderburen was. Hij bleek een evangelist te zijn en al weet ik niet meer precies waar we het over hebben gehad, één ding staat me nog helder voor de geest: hij beweerde bij hoog en bij laag dat een christen geen zondaar meer is. Hij kon er ook een bijbeltekst bij noemen, 1 Johannes 3:9: ‘Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.’
Terwijl hij verder wandelde, bleef ik perplex achter. Natuurlijk had hij in zeker opzicht gelijk. Wie in Christus gelooft, is geen zondaar meer. In Gods oog niet meer. In Christus zijn we rechtvaardig voor God. Dat is geen dood leerstuk maar levende geloofswerkelijkheid, onnavolgbaar verwoord door onze catechismus: ‘God rekent mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus toe, al zou ik nooit zonde hebben gehad of gedaan, ja als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.’ In de praktijk doet een christen echter nog dagelijks zonde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's