LIEFDE IS DE KERN
Tomáš Halík treedt atheïsten onbevangen tegemoet
Tomáš Halík uit Tsjechië zoekt in zijn boeken het gesprek met atheïstische tijdgenoten. Hij wil niet tegenover hen staan, maar samen met hen God zoeken. Van hem verscheen Ik wil dat jij bent. Over de God van liefde, een boek dat waardevolle inzichten biedt en soms ergernis opwekt.
Eerder verschenen van hem Geduld met God. Twijfel als brug tussen geloven en niet-geloven en De nacht van de biechtvader. Christelijk geloof in een tijd van onzekerheid. Het zijn drie boeken die gelezen kunnen worden als een trilogie over geloof, hoop en liefde.
MYSTERIE
Halík, hoogleraar aan de Karelsuniversiteit in Praag, is tot geloof gekomen in de tijd van het communistische regime en in het geheim tot priester gewijd. Tsjechië was het meest atheïstische land van Europa en draagt de sporen daarvan mee tot de dag van vandaag. Halík heeft er zijn levenswerk van gemaakt om het gesprek te zoeken met zijn atheïstische tijdgenoten, niet alleen in Tsjechië, maar ook daarbuiten. Hij is er bij uitstek gekwalificeerd voor vanwege zijn wortels in dit communistische land.
Typerend voor zijn boeken is dat hij de ontmoeting met zijn tijdgenoten zoekt op een open en onbevangen manier. Hij is wars van clichés en banaliteiten, wars ook van drogredeneringen en vooringenomen vanzelfsprekendheden. De vragen die het leven ons stelt, zijn niet de vragen van ongelovigen waarop gelovigen een (al dan niet gekunsteld) antwoord kunnen geven. Het zijn de gemeenschappelijke oervragen van mensen – gelovig of ongelovig. Misschien moet ik het vooral zo zeggen: Halík worstelt met God over de gebrokenheid van het mens-zijn, maar ook over het onbegrijpelijke van Gods eigen handelen. Het heeft geen enkele zin om dat onbegrijpelijke te ontkennen. Er blijft in God sprake van een mysterium tremendum et fascinans, een soms huiveringwekkend mysterie. Laat niemand denken dat hij God in zijn zak heeft. Halík neemt zijn lezers mee in deze worsteling, om zo terecht te komen bij de eigenlijke vragen, om door te vragen tot op God.
WORSTELEN
Halík ziet onze tijd wel als postmodern, maar niet als postreligieus. Hij vindt daarom dat we afscheid moeten nemen van het traditionele paradigma van de secularisatie, alsof het een vaststaand feit is dat geloof hoort bij een voorbijgaande fase van de cultuur. Het staat ons in de weg om onze tijdgenoten werkelijk te ontmoeten en samen met hen te worstelen om God. De weg die we daarvoor hebben te gaan, is de weg van de kenotische liefde (Filippenzen 2), de liefde die bereid is zichzelf prijs te geven en zichzelf één te maken met de vragen van de ander. Dat is de weg van de liefde die radicaal de ander op het oog heeft. Zo komen we bij de kern van Halíks boek.
De titel van het boek is ontleend aan een uitspraak die aan de kerkvader Augustinus wordt toegeschreven: amo, volo ut sis: ik heb lief: ik wil dat jij bent. Zo spreekt de liefde. Zij is niet op zichzelf gericht, maar op de ander. Zij vraagt zich niet af: hoe kan ik beter van jou worden? Zij zegt niet: ik bemin je, omdat je beantwoordt aan mijn ideaalbeeld. Zij zegt: jij bent die je bent; daarom heb ik je lief. Ik wil dat jij bent. Het gaat me om jou. Zo spreekt de liefde tot de ander. Zo spreekt ze ook tot dé Ander. Ik wil dat U bent! Ik heb U lief om Wie U bent. Nergens anders om. Het is de kernvraag van het boek Job: dient Job God om niet; uitsluitend omdat God God is; omdat God is Die Hij is? En wat gebeurt er, als Job alles kwijtraakt? Dient hij God dan nog om wie Hij is?
EERSTE EN TWEEDE WOORD
Halík zegt: deze liefde is het meest kenmerkende element van het Evangelie en van het christendom. Geloof is geen redelijke beslissing over het al dan niet bestaan van God; geloof is de ontmoeting in liefde met een persoon. Daarom is christen-zijn alomvattend; zo alomvattend en existentieel als de liefde. En de liefde zegt: ik wil dat jij bent. De liefde kan ook wachten... Fijnzinnig is het hoofdstuk over het eerste en het tweede woord van God. In het eerste woord dat Hij spreekt, is God vaak de Verborgene. Zoals Hij sprak bij de opdracht aan Abraham om zijn zoon te offeren. Wij moeten leren om niet bij dat eerste woord af te haken, maar de steile weg van Abraham te gaan; leren om te wachten op het tweede woord van God dat bevrijdt en de weg naar de toekomst opent. In dat tweede woord blijkt Zijn nabijheid. Zonder het geduld van de liefde zullen wij God niet ontmoeten. Halík stelt: hier gaat het om. Dit is de kern van christenzijn: ik wil dat jij bent. Zo opent hij het gesprek met zijn tijdgenoten. De kern is de liefde.
GODSBEELD
Zoals ieder goed boek prikkelt ook dit boek tot gesprek en tegenspraak. Het zou niet moeilijk zijn tal van uitspraken te citeren die zich sowieso moeilijk lijken te verdragen met de gereformeerde traditie, maar evenmin met de grote christelijke traditie. Wat voor Godsbeeld huldigt Halík? Hoe zit het met de verhouding tussen christendom en de andere wereldgodsdiensten? Vervaagt de grens tussen christendom en boeddhisme niet; misschien ongewild, maar toch...? Wat bedoelt hij met de stelling dat God gebeurt in de ontmoeting met de ander (waar hoorde ik dat eerder)? Denkt hij niet veel te positief over Nietzsche?
Soms roept het ook echt ergernis op; met name als hij de vloer aanveegt met al te makkelijk christendom (‘primitieve fundamentalistische ballast’). Iedere keer echter als ik geneigd was om me af te keren van Halíks uitspraken, ging hij een bocht om en kwam hij verrassend en verdiept terug bij de klassieke traditie.
FORSE UITSPRAKEN
Wie het aankan om achter de soms wel heel forse uitspraken te kijken, zal een schat aan waardevolle overwegingen aantreffen. Over het verschil tussen liefde en narcisme bijvoorbeeld (met een specifieke waarschuwing voor dominees en andere publieke figuren); over het belang van ontzag voor God en de betekenis van de vreze des Heeren (tegen een banale manier van omgaan met God); over de nederigheid voor Gods aangezicht; over de diepe betekenis van christelijke mystici zoals Meester Eckhart; over de tolerantie; over de confrontatie met de oppervlakkigheid van het moderne westerse levensgevoel, en tal van andere onderwerpen. Ontroerend zijn de passages waarin hij bijna in vervoering schrijft over God als de bron van liefde (‘Ik ben meer een theofiel dan een theoloog’).
De laatste zinnen van het boek zijn het citeren waard: ‘In de liefde zijn wij het meest onszelf. In de liefde zijn wij menselijk, het allermenselijkst. Maar juist en alleen daar waarin wij het diepst, volledig en tot de rand menselijk zijn, al te menselijk zelfs, toont en geeft zich aan ons dat wat het menselijke overstijgt.’
Ds. L. Wüllschleger is predikant van de hervormde gemeente te Wijk bij Duurstede.
N.a.v. Tomáš Halík, ‘Ik wil dat jij bent. Over de God van liefde’, uitg. Boekencentrum, Utrecht; 192 blz.; € 20,00.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's